← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2021:898

Rolnummer: 22-002323-20 Parketnummer: 09-213632-20 Datum uitspraak: 6 mei 2021 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 2 september 2020 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, in die zin dat ieder van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 20 augustus 2020 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, op/aan/in Plein en/of Lange Poten, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten een of meer politieambtenaren en/of politiepaarden en/of politievoertuigen door: - ( met kracht)te slaan en/of te schoppen, althans slaande en/of schoppende bewegingen te maken tegen, althans in de richting van die politieambtenaren en/of dat politievoertuig; en/of - dicht op de politieambtenaren te gaan staan die worden aangevallen; en/of - met een megafoon herrie en drukken bewegingen te maken en daarbij tussen/dichtbij de politiepaarden te lopen; en/of - te slaan op het portier van een politiebusje en/of (vervolgens) zijn middelvinger op te heffen naar de inzittenden; 2.hij op of omstreeks 20 augustus 2020 te 's-Gravenhage in het openbaar mondeling, bij geschrift en/of bij afbeelding tot enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, door: - via de megafoon: "Ga weg! Ga weg" te roepen in de richting van de politie, waarop andere mensen de politie trachtten weg te drijven; en/of - nadat de politie heeft omgeroepen dat de demonstranten naar de Lange Vijverberg moeten, via de megafoon de demonstranten toe te schreeuwen dat ze hem moeten volgen de Lange Poten in; en/of - demonstranten door de binnenstad de leiden, terwijl zij daar niet mochten komen; 3.hij op of omstreeks 20 augustus 2020 te 's-Gravenhage opzettelijk een of meer ambtenaren, te weten [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], politieambtenaren van de Eenheid Den Haag, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "Deze mevrouw is een crimineel, een terrorist." en/of "Het zijn terroristen, laat ze de kolere krijgen", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde Het hof heeft uit de bewijsmiddelen zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, in het bijzonder voor zover dit onderzoek heeft bestaan uit de grondige waarneming van het beeldmateriaal uit het opsporingsonderzoek en het beeldmateriaal van de zijde van de verdediging, niet de overtuiging bekomen dat de verdachte zich in enige in de tenlastelegging bedoelde vorm aan geweldpleging heeft schuldig gemaakt, noch dat hij een significante en wezenlijke bijdrage aan dergelijke geweldpleging door een of meer anderen geleverd. Het hof overweegt in het bijzonder dat het daarbij aandacht heeft besteed aan de opname waarin de verdachte ten overstaan van een geüniformeerde politieambtenaar zijn rechterbeen verhief (op de Lange Poten). Het hof is evenwel na grondig beraad tot de conclusie gekomen dat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte door zo te handelen zich slechts heeft willen verweren tegen een aankomende slag met een wapenstok. Naar het oordeel van het hof is dan ook geen sprake geweest van een schop of schoppende beweging van de verdachte richting de politieambtenaar. Voorts is het hof niet gebleken van een relatie tussen de onder de laatste twee gedachtestreepjes tenlastegelegde handelingen van de verdachte en door (een) ander(

  1. en)op dat moment en op die plaats(
  2. en)uitgeoefend geweld. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde Onder 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij heeft opgeruid. In verscheidene processen-verbaal heeft de politie zich bij de beschrijving van gedragingen van de verdachte inderdaad bediend van het begrip opruien. Ingevolge artikel 131, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt onder strafbare opruiing evenwel verstaan: ‘het tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruien’. Het hof constateert dat het kwalificatieve deel van de tenlastelegging aan deze delictsomschrijving tegemoetkomt, maar dat de feitelijke uitwerking van de tenlastelegging geen betrekking heeft op het opruien tot enig strafbaar feit, noch tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de eerste twee gedachtestreepjes van de tenlastelegging kennelijk betrekking hebben op hetgeen voorviel op het Plein, terwijl geen van de bewijsmiddelen de conclusie toelaat dat het publiek door een of meer aanwijzingen van de politie niet op te volgen een strafbaar feit zou begaan. Geen van de opsporingsambtenaren die heeft gerelateerd het publiek te hebben uitgenodigd om zich naar de Lange Vijverberg te begeven, heeft gerelateerd dat te hebben gedaan in de vorm van een op straffe van vervolging na te leven bevel en/of vordering. Ook van geweldpleging teneinde de politie ter plaatse weg te drijven is uit de bewijsmiddelen niet gebleken. Tot slot heeft het derde gedachtestreepje betrekking op het leiden van demonstranten door een deel van de binnenstad waar zij niet mochten komen. Uit de bewijsmiddelen blijkt evenwel niet dat de personen die de verdachte door de binnenstad zou hebben geleid zich toen met demonstreren bezighielden. Het enkele feit dat deze personen zich niet rechtstreeks naar de plaats van de toegestane demonstratie zouden hebben begeven, is onvoldoende voor de conclusie dat zij zich - door zich door de binnenstad te laten leiden – aan een strafbaar feit hebben schuldig gemaakt. Ook overigens is uit de bewijsmiddelen niet op te maken dat de verdachte heeft opgeruid tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 3.hij op of omstreeks 20 augustus 2020 te 's-Gravenhage opzettelijk een of meer ambtenaren, te weten [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], politieambtenaren van de Eenheid Den Haag, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "Deze mevrouw is een crimineel, een terrorist." en/of "Het zijn terroristen, laat ze de kolere krijgen", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van twee politieambtenaren die in het kader van de hun opgedragen werkzaamheden toezicht hielden op een aangekondigde demonstratie. Zodoende heeft hij deze politieambtenaren in het bijzijn van anderen in hun eer en goede naam aangetast en blijk gegeven van een tekort aan respect voor het openbaar gezag. Ambtenaren met een publieke taak moeten - in het belang van de openbare orde - kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen vanuit het publiek. Dat de verdachte van mening was en is dat hij een goede reden had om de bewezenverklaarde uitlatingen te doen, doet daaraan niet af. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 april 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal op de hieronder omschreven wijze het voorarrest aftrekken van de op te leggen geldboete. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer2] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 150,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 150,00. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, in die zin dat de verdediging primair vrijspraak heeft bepleit en zich subsidiair op het standpunt heeft gesteld dat de benadeelde partij niet in haar eer of goede naam is geschaad, zodat de benadeelde partij in beide gevallen niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 3 bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 100,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen. Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer2] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 100,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer2]. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer1] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 150,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 150,00. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, in die zin dat de verdediging primair vrijspraak heeft bepleit en zich subsidiair op het standpunt heeft gesteld dat de benadeelde partij niet in haar eer of goede naam is geschaad, zodat de benadeelde partij in beide gevallen niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 100,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen. Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 100,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1]. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 36f, 57, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer2] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer2], ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2020. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer1] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer1], ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2020. Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, mr. L.A. Pit en mr. W.S. Korteling, in bijzijn van de griffier mr. L.I. Appels. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 mei 2021. mr. L.A. Pit is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.