GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht zaaknummer : 200.270.005/01zaaknummer rechtbank : C/10/547244/ HA ZA 18-313 arrest van 25 mei 2021 in de zaak van 1 [appellant] , wonende te [woonplaats] , [land] ,
(3)maands EURIBOR-tarief (…)” “Rente-looptijd De rente heeft een looptijd van 5 jaar” 5.8. In de Wijzigingsakte die naar aanleiding van bovenvermelde offerte tot stand is gekomen (zie2.5) is vermeld: “ Rente De geldlening heeft een rente-looptijd van 5 jaar, hetgeen inhoudt dat de rente-afspraak 5 jaar na de eerstvolgende effectueerdatum/verwerkingsdatum afloopt. De debiteur zal gedurende de looptijd van deze lening aan de bank een rente op jaarbasis verschuldigd zijn, gelijk aan 1% boven het drie-maands EURIBOR-tarief (…) Resterende looptijd van de geldlening Tot 29 september 2039 (…)” 5.9. Het hof is van oordeel dat de voornoemde bepalingen niet duiden op wijzigingen ten opzichte van wat al in de offerte van 21 augustus 2006 en de Akte van Geldlening, volgens de hiervoor in 5.5 weergegeven uitleg, was opgenomen, namelijk dat een rente ter hoogte van het 3-maands Euribor tarief vermeerderd met een opslag van 1% zou gelden voor een periode van 5 jaar. De bewoordingen van de offerte van 22 oktober 2007 zijn gelijk aan de bewoordingen van de offerte van 21 augustus 2006. De bewoordingen van de Wijzigingsakte zijn nagenoeg gelijk aan de bewoordingen van de Akte van Geldlening. Slechts op twee punten wijkt deze tekst af, namelijk dat de rente-afspraak 5 jaar na de eerstvolgende effectueerdatum/verwerkingsdatum afloopt en dat de debiteur gedurende de looptijd van de lening de genoemde rente verschuldigd zal zijn. Aan [appellant] c.s. moet worden toegegeven dat de vermelding van “looptijd” in plaats van “rente-looptijd” in de tweede zin van de hiervoor in 5.8 aangehaalde passage in de Wijzigingsakte niet helemaal zuiver tot uitdrukking brengt dat de rente-afspraak slechts geldt voor de rente-looptijd. De eerste zin van de geciteerde passage spreekt er echter over dat de rente-afspraak gedurende 5 jaar loopt (de rente-looptijd) (conform offerte). Dit wijst erop, en dit moest ook voor [appellant] c.s. duidelijk zijn geweest, dat de vermelding van “looptijd” in plaats van “rente-looptijd” in de tweede zin het gevolg was van een vergissing of verschrijving. [appellant] c.s. mocht er op basis van de tekst van de Wijzigingsakte daarom niet op vertrouwen dat wat in de eerste zin stond (conform offerte) niet gold, en wat letterlijk in de tweede zin stond (niet conform offerte) wel. Voor toepassing van de contra proferentem-regel is geen ruimte omdat [appellant] c.s. er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zonder aanleiding, het de bedoeling van Van Lanschot was dat de looptijd van de rente-afspraak in de Wijzigingsakte werkelijk zodanig vergaand – zoals door [appellant] c.s. gesteld – afweek van wat was geoffreerd. [appellant] c.s. heeft nog aangevoerd dat Van Lanschot “het beding” handmatig heeft geschrapt uit de Wijzigingsakte en dat dit zijn stelling ondersteunt dat de rente gedurende de gehele looptijd van de lening het 3-maands Euribor met 1% opslag bedraagt. Ook dit betoog treft geen doel. Uit niets blijkt dat er iets uit de Wijzigingsakte is “geschrapt”. De Wijzigingsakte verklaart de AV toepasselijk (zie hiervoor, rov. 2.5) en dus ook artikel 22 daarvan. Voor zover [appellant] c.s. met zijn verwijzing naar “het beding” doelt op artikel 3 uit de Aktes van Geldlening, en bedoelt dat deze bepaling niet in de Wijzigingsakte is opgenomen, doet dat aan de toepasselijkverklaring en dus toepasselijkheid van artikel 22 AV niet af. 5.10. [appellant] c.s. mocht de brief van 20 november 2007 (productie 35) (zie rov. 2.7) niet aldus begrijpen dat het rentetarief opeens toch zou gelden tot en met 31 december 2036. Wat partijen zijn overeengekomen is vastgelegd in de Akte van Geldlening en de daaropvolgende Wijzigingsakte. De daaropvolgende brief geeft slechts een overzicht van de data waarop [appellant] c.s. hoofdsom en/of rente verschuldigd is en houdt geen bevestiging in van nieuwe afspraken, wat [appellant] c.s. ook niet heeft gesteld. Voor de periode vanaf 2008 noemt de brief ook slechts aflossingsbedragen, geen rentebedragen. Over de rente-looptijd vermeldt de brief niets. [appellant] c.s. moest begrijpen dat het zinsdeel “vervallend per 31-dec-2036” betrekking had op de lening als zodanig, niet de rente-afspraak. Het hof gaat derhalve voorbij aan de stellingen van [appellant] c.s. over de inhoud van de betreffende brief. 5.11. De enkele omstandigheid dat Van Lanschot [appellant] c.s. op 18 december 2012 voor het eerst heeft bericht dat het afgesproken rentetarief moet worden aangepast, dus (kort) nadat de periode van 5 jaar was verstreken, geeft op zichzelf geen aanleiding (en ook niet in het licht van wat daaraan voorafging) om te veronderstellen dat partijen hadden bedoeld het rentetarief voor de gehele looptijd van de geldlening vast te leggen, of dat [appellant] c.s. het in de nu door hem gestelde zin mocht begrijpen. 5.12. [appellant] c.s. stelt nog dat hij er (stevig) over onderhandeld heeft dat het rentetarief voor de looptijd van de gehele duur van de lening zou gelden. Deze stelling wordt echter niet ondersteund door de getekende contractsdocumentatie (hiervoor, 5.4-9). Het had tegen die achtergrond - zeker gelet op de betwisting zijdens Van Lanschot - op de weg van [appellant] c.s. gelegen concreet te stellen dat niet alleen hijzelf meende dat de rente-afspraak gold voor de gehele looptijd van de lening, maar ook dat en op grond van concreet welke uitlatingen en/of anderszins gedragingen van Van Lanschot hij mocht menen dat dit ook de bedoeling van Van Lanschot was. Bij gebreke hiervan, passeert het hof de stelling van [appellant] c.s. als onvoldoende onderbouwd, en wordt aan bewijslevering op dit punt niet toegekomen 5.13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat partijen voor de duur van 5 jaar een rentetarief ter hoogte van het 3-maands Euribor tarief vermeerderd met een opslag van 1% zijn overeengekomen. Opslagverhogingen geldlening 5.14. Na deze periode van 5 jaar is de oorspronkelijke rente-afspraak geëindigd, waarna (in beginsel) nieuwe afspraken gemaakt moesten worden. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat [appellant] c.s. en Van Lanschot de opslagverhogingen per 31 december 2012 en 31 maart 2013 (uitdrukkelijk) zijn overeengekomen. Daarbij overweegt het hof dat [appellant] c.s. de brieven van 18 december 2012 en 21 maart 2013, betreffende de rentevoorstellen zijdens Van Lanschot , voor akkoord heeft ondertekend. [appellant] c.s. betoogt in grief I dat hij ‘onder protest akkoord’ is gegaan met de opslagverhogingen althans dat hij zich het recht heeft voorbehouden om daar tegen op te komen. [appellant] c.s. heeft hieraan echter geen rechtsgevolg verbonden. Hij heeft in elk geval onvoldoende onderbouwd dat Van Lanschot zijn akkoordverklaring, na het door hem gestelde protest/voorbehoud, niet evengoed als een daadwerkelijke akkoordverklaring mocht opvatten. Hetgeen [appellant] c.s. betoogt met grief V, te weten dat Van Lanschot de rentevoorstellen van 18 december 2012 en 21 maart 2013 te laat heeft gecommuniceerd en dat deze dus ongeldig zijn, gaat gelet op het daarop gegeven akkoord van [appellant] c.s. niet op. 5.15. [appellant] c.s. beroept zich in grief I subsidiair op vernietiging van de opslagverhogingen op grond van dwaling, bedrog, bedreiging, of misbruik van omstandigheden. 5.16. Op grond van artikel 3:44 lid 1 BW is een rechtshandeling vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, bedrog of door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. In lid 2 van artikel 3:44 BW is bepaald dat bedreiging aanwezig is wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep (artikel 3:44 lid 3 BW). Op grond van lid 4 is misbruik van omstandigheden aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. In artikel 6:228 lid 1 BW is bepaald dat een overeenkomst kan worden vernietigd als deze onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rust op [appellant] c.s., als de partij die zich op het rechtsgevolg van de voornoemde wilsgebreken beroept, de stelplicht en eventuele bewijslast van de feiten die daaraan ten grondslag liggen. 5.17. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de opslagverhogingen onder invloed van een wilsgebrek tot stand zijn gekomen, voert [appellant] c.s. het volgende aan. Van Lanschot verwijst in haar brief van 18 december 2012 (zie 2.10) naar de Akte van Geldlening, terwijl partijen daarna de Wijzigingsakte zijn overeengekomen. Anders dan Van Lanschot schrijft in haar brief, staat in beide aktes niet vermeld dat met ingang van 31 december 2012 het afgesproken rentepercentage moest worden aangepast. Verder moest [appellant] c.s. binnen een ongebruikelijk korte termijn reageren op het voorstel van 18 december 2012, namelijk voor 26 december 2012. Bovendien bestond de dreiging dat, wanneer [appellant] c.s. niet akkoord zou gaan met het rentevoorstel, de geldlening werd beëindigd. Dit zou voor [appellant] c.s. financieel gezien catastrofaal zijn. [appellant] c.s. is vervolgens onder protest akkoord gegaan. 5.18. Van Lanschot heeft – kort gezegd – weersproken dat zij [appellant] c.s. onder druk heeft gezet akkoord te gaan met de rentevoorstellen. 5.19. Het hof overweegt als volgt. De door [appellant] c.s. aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om te concluderen dat de opslagverhogingen onder invloed van een wilsgebrek tot stand zijn gekomen. Van Lanschot voert terecht aan dat de Wijzigingsakte geen wijziging inhoudt van de Akte van Geldlening voor zover het de rente betreft (zie 5.6 tot en met 5.9). Ook voert Van Lanschot terecht aan dat [appellant] c.s., gelet op de gemaakte afspraken, wist althans redelijkerwijs moest weten dat de rente-afspraak in 2012 zou aflopen en dat derhalve nieuwe afspraken over de rente nodig waren. Voor zover [appellant] c.s. met de voornoemde omstandigheden heeft bedoeld dat Van Lanschot opzettelijk onjuiste mededelingen heeft gedaan in de zin van artikel 3:44 lid 2 BW, volgt het hof dit standpunt dus niet. [appellant] c.s. heeft verder geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW gesteld. Ten aanzien van het beroep op bedreiging overweegt het hof dat ook dit niet op gaat. Er is namelijk geen sprake van onrechtmatigheid in de zin van art. 3:44 BW, nu Van Lanschot op grond van de overeenkomst gerechtigd was om opslagverhogingen voor te stellen, waarna [appellant] c.s. deze kon aanvaarden dan wel de lening boetevrij kon opzeggen indien hij het daar niet mee eens was. Ook het beroep op dwaling faalt. [appellant] c.s. heeft immers niet, althans onvoldoende duidelijk gesteld welk dwalingsgeval zich volgens hem heeft voorgedaan, noch heeft [appellant] c.s. gesteld en onderbouwd dat hij, wanneer hij niet onder dwaling zou hebben gehandeld, hij de desbetreffende opslagverhogingen niet zou hebben aanvaard. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van [appellant] c.s. op wilsgebreken niet opgaat. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. 5.20. Ten aanzien van de opslagverhogingen van 2014, 2015 en 2016 geldt dat op grond van artikel 22 AV (hiervoor, 2.6) een voorstel voor een nieuwe rente – in dit geval: een nieuwe opslag – per de eerstvolgende renteherzieningsdatum geldt als te zijn aanvaard, indien de leningnemer niet uiterlijk per die datum de lening geheel afgelost. Aan [appellant] c.s. moet worden toegegeven dat het rentevoorstel van 8 augustus 2014 (hiervoor, 2.12) niet conform artikel 22 AV uiterlijk 10 dagen voorafgaand aan de renteherzieningsdatum aan [appellant] c.s. is medegedeeld. Het door [appellant] c.s. geaccordeerde voorstel van 21 maart 2013 om de rente te herzien per 31 maart 2013, met een rentelooptijd van een jaar, betekende dat de eerstvolgende renteherzieningsdatum 31 maart 2014 was, en dat een voorstel tot renteherziening uiterlijk tien dagen vóór die datum aan [appellant] c.s. had moeten zijn medegedeeld. De brief van 8 augustus 2014 is in die zin te laat. Het uitblijven van een in die zin tijdig voorstel brengt echter niet automatisch met zich dat de voorheen geldende rente voor de resterende duur van de lening blijft doorlopen. Daarin voorziet de overeenkomst niet. [appellant] c.s. heeft intussen geen beroep gedaan op het rechtsgevolg waarin artikel 22 AV (vanaf de zesde zin van onderdeel
- a)voor een dergelijk geval wél voorziet, maar heeft slechts gesteld dat hij tegen dit voorstel heeft ‘geprotesteerd’, zonder aan die stelling een rechtsgevolg te verbinden. Bij die stand van zaken komt het het hof als redelijk voor dat de in de brief van 8 augustus 2014 voorgestelde rente, uitgaande van twee dagen tussentijd voor postbezorging, met analoge toepassing van de 10-dagentermijn van het eerste deel van artikel 22 onderdeel a AV, eerst ingaat per 20 augustus 2014. Het renteverschil over de periode 30 juni-20 augustus 2014 dient Van Lanschot dus nog aan [appellant] c.s. te vergoeden. De nieuwe rentevoorstellen van nadien zijn wel steeds reglementair verlopen. Beroep op vernietiging algemene voorwaarden 5.21. Met grief II betoogt [appellant] c.s. dat hij bij brief van 29 februari 2016 artikel 22 AV op grond van Richtlijn 93/13 heeft vernietigd, zodat Van Lanschot zich niet op dit artikel kan beroepen. 5.22. Het hof gaat er veronderstellenderwijs vanuit dat [appellant] c.s. kwalificeert als consument in de zin van Richtlijn 93/13 en dat ook overigens artikel 22 AV, als onderdeel van de tussen partijen gesloten overeenkomst, onder het bereik van de Richtlijn 93/13 valt. 5.23. Volgens artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13 wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst worden alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft (artikel 4 lid 1 van Richtlijn 93/13). Bij de richtlijn is een indicatieve (niet-uitputtende) lijst van bedingen opgenomen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. 5.24. Punt 1 onder j van de indicatieve lijst van oneerlijke bedingen behorende bij Richtlijn 93/13 vermeldt dat “bedingen die tot doel of tot gevolg hebben […] de verkoper te machtigen zonder geldige, in de overeenkomst vermelde reden eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen” als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Punt 2, onder b, van de lijst beperkt de situaties waarin een eenzijdig wijzigingsbeding als oneerlijk kan worden aangemerkt. Punt 2, onder b, van de lijst luidt als volgt: “Punt
- j)staat niet in de weg aan bedingen waarbij de leverancier van financiële diensten zich het recht voorbehoudt de door of aan de consument te betalen rentevoet of het bedrag van alle andere op de financiële diensten betrekking hebbende lasten bij geldige reden zonder opzegtermijn te wijzigen, mits de verkoper verplicht wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van de andere contracterende partij(
- en)en deze vrij is (zijn) onmiddellijk de overeenkomst op te zeggen.” 5.25. Volgens [appellant] c.s. is artikel 22 AV hiermee niet in overeenstemming, omdat artikel 22 AV Van Lanschot ongeclausuleerd de bevoegdheid geeft om de rente te herzien, zonder geldige reden. Verder betoogt [appellant] c.s. dat hij geen reële mogelijkheid had om over te stappen naar een andere bank, en dus de lening met Van Lanschot te beëindigen. Ook deze omstandigheid lijkt [appellant] c.s. te willen betrekken in zijn argumentatie dat artikel 22 AV nietig is. Het hof verwerpt dit betoog. De overeenkomst tussen [appellant] c.s. en Van Lanschot bepaalde niets over rente na vijf jaar looptijd (de rentelooptijd). In die zin viel er na afloop van de eerste of een volgende renteperiode ook niets te “wijzigen” of te “herzien”, in de zin dat Van Lanschot het recht zou hebben om iets wat anders ongewijzigd zou doorlopen, aan te passen. Dat artikel 22 AV wel over wijzigen en herzien spreekt, doet hieraan niet af. De hiervoor aangehaalde bepalingen van de indicatieve lijst bij Richtlijn 93/13 zien aldus niet op deze situatie. Ook overigens ziet het hof geen grond om artikel 22 AV als oneerlijk beding aan te merken. De systematiek van artikel 22 AV maakt weliswaar dat de overeengekomen looptijd van de lening voorbíj de rentelooptijd weinig of geen materiële betekenis heeft tussen partijen – voortzetting van de lening voorbij die rentelooptijd kan uiteindelijk slechts plaatsvinden op basis van een rente die voor Van Lanschot acceptabel is, ongeacht wat Van [appellant] c.s. daarvan vindt –, de systematiek is wel duidelijk (transparant). Artikel 22 AV geeft de wederpartij van de bank ( [appellant] c.s.) ook de bevoegdheid om steeds per de renteherzieningsdatum de overeenkomst kosteloos op te zeggen (door af te lossen). De stelling van [appellant] c.s. dat hij geen reële mogelijkheid had om over te stappen naar een andere financier doet hieraan niet af. [appellant] c.s. voert in dit verband aan dat andere banken hem lange tijd niet wilden accepteren, maar deze gestelde omstandigheid lijkt vooral samen te hangen met de specifieke individuele positie van [appellant] c.s., waaronder – naar zijn eigen stelling – het gegeven dat hij ook zakelijk bij Van Lanschot zat (al stelt [appellant] c.s. niet, of maakt hij althans niet concreet, dat hij niet ook zakelijk bij Van Lanschot weg kon), niet met het ontbreken van een concurrerende markt voor het type leningen waar het hier om gaat, of anderszins omstandigheden die in de betreffende markt in algemene zin een belemmering vormden om over te stappen. 5.26. Alle argumenten van [appellant] c.s. die ertoe strekken dat de opslagen die Van Lanschot telkens heeft doorgevoerd exorbitant, niet onderbouwd en/of in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn, falen. Uitgangspunt is dat voor Van Lanschot contractueel geen belemmeringen bestonden om als bank nieuwe opslagen voor te stellen. Daarbij komt dat [appellant] c.s. op geen enkele wijze concreet heeft onderbouwd dat de voorstellen niet marktconform waren. Voor toewijzing van de subsidiaire vordering van [appellant] c.s. is om deze redenen evenmin plaats. Rekening-courant krediet 5.27. Met grief III komt [appellant] c.s. op tegen het oordeel van de rechtbank dat Van Lanschot op grond van de offerte van 21 augustus 2006, betreffende het rekening-courant krediet, het rentepercentage eenzijdig mocht aanpassen. 5.28. [appellant] c.s. voert daartoe het volgende aan. In de offerte van 21 augustus 2006 is vermeld: “voor uw rekening-courant krediet gelden tot herroep (onderstreping hof) de volgende condities”. De woorden ‘tot herroep’ verwijzen naar ‘uw rekening-courant krediet’ en niet naar ‘de volgende condities’. Van Lanschot kon het rekening-courant krediet intrekken. De bewoordingen houden echter geen recht in om de rente te herzien. Verder betekent het woord ‘herroepen’ volgens Van Dale ‘weer intrekken’. Het zou ook daarom onlogisch zijn als het woord ‘herroepen’ op de condities zou zien, aldus [appellant] c.s.. 5.29. Het hof is – evenals de rechtbank – van oordeel dat de bewoordingen van de offerte van 21 augustus 2006 geen andere uitleg toelaten dan dat het bedoelde rentepercentage zou gelden totdat Van Lanschot dit zou wijzigen. Uit de tekst van de betreffende offerte volgt dat ‘tot herroep’ betrekking heeft op de ‘geldende condities’ en dat een van die condities betreft een debetrente van 1% boven het 1-maands Euribor tarief. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de betreffende bepaling is opgenomen onder het kopje “Rentecondities”, zodat [appellant] c.s. (ook) daaruit moest begrijpen dat ‘tot herroep’ betrekking heeft op de rentecondities. Het standpunt van [appellant] c.s., dat de bepaling op verschillende wijzen kan worden uitgelegd, volgt het hof niet. De omstandigheid dat Van Lanschot in de offerte van 10 november 2011 (zie 2.9) de bewoordingen “tot nadere aankondiging” bezigt en niet langer de bewoordingen “tot herroep” is, anders dan [appellant] c.s. stelt, niet relevant. Van Lanschot voert in dit kader terecht aan dat de enkele omstandigheid dat andere (vergelijkbare) bewoordingen zijn gekozen, niet betekent dat daarmee inhoudelijke wijzigingen zijn beoogd. Dit heeft [appellant] c.s. overigens ook niet gesteld. Evenmin heeft hij andere feiten en omstandigheden aangevoerd die – aan de hand van de Haviltex-maatstaf – kunnen leiden tot een andere uitleg. 5.30. [appellant] c.s. stelt verder nog dat, voor zover ‘tot herroep’ betrekking heeft op de rentecondities, Van Lanschot de rentecondities kon beëindigen maar niet het recht had om nieuwe rentecondities op te leggen. Ter onderbouwing van zijn stelling vergelijkt [appellant] c.s. de onderhavige bepaling met het wettelijke herroepingsrecht van de consument. Dit kan [appellant] c.s. niet baten. Het enkele feit dat het wettelijke herroepingsrecht aan de consument (bij een online aankoop) de bevoegdheid verleent binnen 14 dagen de koop te annuleren, betekent niet dat [appellant] c.s. en Van Lanschot bij het aangaan van het rekening-courant krediet enkel “annulering” hebben beoogd. Tevens ziet het wettelijke herroepingsrecht op een geheel afwijkende situatie, namelijk op een consumentenkoop op afstand, terwijl het onderhavige geval een flexibel (bancair) product betreft waarbij ook verschillende condities gelden. 5.31. Het hof ziet geen aanknopingspunt om de hiervoor bedoelde mogelijkheid voor Van Lanschot om de geldende rentecondities te herroepen en in plaats daarvan nieuwe voor te stellen en uiteindelijk op te leggen, eventueel als onredelijk bezwarend beding aan te merken. Tussen partijen is niet in geschil dat de rekening-courantovereenkomst dagelijks opzegbaar was, ook voor Van Lanschot , en gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst als zodanig tussen partijen geen rechtskracht zou hebben. Als beide partijen steeds bevoegd zijn tot directe opzegging, strekt een eenzijdige bevoegdheid tot wijziging van de rente per definitie minder ver. 5.32. Met grief V betoogt [appellant] c.s. (meest subsidiair) dat Van Lanschot de opslagverhoging in het kader van de rekening-courant per 1 april 2009 in strijd met artikel 22 AV niet tien werkdagen daaraan voorafgaand heeft gecommuniceerd, zodat deze opslagverhoging ongeldig is. 5.33. Deze grief faalt. De grondslag voor deze opslagverhoging volgt uit hetgeen partijen zijn overeengekomen op basis van de offerte van 21 augustus 2006 (zie r.o.5.29) en is niet gebaseerd op artikel 22 AV. Slotsom; proceskosten 5.34. De grieven van [appellant] c.s. slagen slechts voor zover het de hiervoor in 5.20 besproken rente boven 2,35% over de periode 30 juni-20 augustus 2014 betreft. Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre vernietigen en de vordering van [appellant] c.s. in zoverre alsnog toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd. Bij deze uitkomst heeft [appellant] c.s. nog steeds te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Dit rechtvaardigt handhaving van de proceskostenveroordeling te zijnen laste in de eerste aanleg, en veroordeling van [appellant] c.s. in de kosten van het hoger beroep. Het hof begroot deze aan de zijde van Van Lanschot op € 5.382 voor het griffierecht en € 12.192 voor het salaris van de advocaat (3 punten x tarief VI hoger beroep), totaal € 17.574. De nakosten begroot het hof zoals het dictum vermeldt. 6Beslissing Het hof: vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarmee de vordering van [appellant] c.s. is afgewezen wat betreft de door hem over de periode 30 juni-20 augustus 2014 betaalde rente over de uitstaande lening boven 2,35% (vermeerderd met wettelijke rente); veroordeelt Van Lanschot tot terugbetaling aan [appellant] c.s. van de door hem over de periode 30 juni-20 augustus 2014 betaalde rente over de uitstaande lening boven 2,35%, vermeerderd met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over dit bedrag vanaf 29 februari 2016; bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige; veroordeelt [appellant] c.s. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Van Lanschot begroot op € 17.574 tot op heden en op € 163 aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 86 indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening hiervan heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 86, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van de betreffende termijn van 14 dagen; verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, J.W. Frieling en H. Wielhouwer, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.