← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2021:974

Rolnummer: 22-002136-20 Parketnummer: 10-691017-20 Datum uitspraak: 6 mei 2021 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 augustus 2020 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft blijkens de akte rechtsmiddel tegen het vonnis onbeperkt hoger beroep ingesteld. Uit de appelmemorie d.d. 28 augustus 2020 volgt dat het een strafmaatappel is dat zich niet richt tegen de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde. Omvang van het hoger beroep Nu geen grieven zijn gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak en derhalve in zoverre geen belang bestaat bij de behandeling van het hoger beroep, zal het hof het Openbaar Ministerie, gelet op artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover gericht is tegen het onder 1 tenlastegelegde. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep inhoudelijk aan de orde - tenlastegelegd dat: 2.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2020 tot en met 5 februari 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, twee, althans een of meer wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 2º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, geschikt om automatisch te vuren, - van het merk/type Orbis Mgv 176, kaliber .22lr en/of - van het merk/type Zastava M70 Ab2, kaliber 7.62 x 39 mm en/of een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk/type Glock 26, kaliber 9mm en/of munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten: - 101, althans een of meer kogelpatronen, kaliber 7.62 x 39mm en - 57, althans een of meer kogelpatronen, kaliber 9mm en - 22, althans een of meer kogelpattronen, kaliber .22lr en/of - 21, althans een of meer hulzen van verschoten kogelpatronen, kaliber 7.62 x 39mm en - 14, althans een of meer hulzen van verschoten kogelpatronen, kaliber 9mm en/of een onderdeel van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3º, gelet op artikel 2, lid 1 van Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een trommelmagazijn en/of een patroonhouder, zijnde (telkens) een hulpstuk en/of onderdeel dat van wezenlijke aard en specifiek bestemd is voor een pistool van het merk Glock 26 kaliber 9mm en/of een pistool van het merk CZ P10 S, kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad; 3.hij op of omstreeks 22 november 2019 te Rotterdam (een) goed(eren), te weten een kentekenplaat (MZLR62), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en dat, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest en met uitvaardiging van een bevel tot gevangenneming. Het vonnis waarvan beroep Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en de motivering daarvan. Het vonnis moet op dat onderdeel worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft twee automatische vuurwapens en een pistool, alsmede een onderdeel van een vuurwapen, voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt grote risico’s met zich voor de veiligheid van personen en vormt een enorme bedreiging voor een veilige samenleving. Het bezit van vuurwapens leidt immers maar al te vaak tot het gebruik daarvan, met alle mogelijke gevolgen van dien. Vuurwapens worden bovendien steeds vaker gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens vormt daarmee een groeiend, groot maatschappelijk probleem. Daarnaast heeft de verdachte een gestolen kentekenplaat voorhanden gehad en op een door hem gebruikt voertuig gebruikt. Daarmee heeft hij bijgedragen aan het in stand houden van de afzetmarkt voor gestolen goederen. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Voor Straftoemeting van de rechtspraak (LOVS). Hierin is als uitgangspunt onder meer bepaald dat voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden en voor het voorhanden hebben van een pistool een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend is. Volgens deze uitgangspunten zou een gevangenisstraf van minimaal 21 maanden derhalve geïndiceerd zijn voor de bewezenverklaarde feiten. Het hof overweegt dat deze uitgangspunten dateren van langere tijd geleden en dat de tijd heeft geleerd dat het gebruik van vuurwapens een steeds grotere rol is gaan spelen in de criminaliteit. Zo blijken steeds meer vuurwapens in omloop te zijn en worden deze steeds vaker gebruikt bij het plegen van zeer ernstige misdrijven, waarbij gewonden en doden vallen. Het hof is om die reden van oordeel dat de genoemde uitgangspunten onvoldoende recht doen aan de ernst van het bezit van vuurwapens en dat hogere straffen geïndiceerd zijn, omdat daar een meer afschrikwekkende werking van kan uitgaan. Strafverzwarend weegt het hof mee dat de verdachte met een van de wapens tijdens de jaarwisseling op de openbare weg heeft geschoten, juist op een moment waarop veel mensen buiten waren. Voorts weegt zwaar dat uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 april 2021 blijkt dat hij eerder (meerdere keren) onherroepelijk is veroordeeld voor het bezit van een vuurwapen en een geweldsmisdrijf. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden een passende en geboden reactie vormt. Vordering gevangenneming De advocaat-generaal heef ter terechtzitting de gevangenneming van verdachte gevorderd. Daartoe heeft zij aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de verdachte een aanzienlijk strafblad heeft en dat gelet daarop het herhalingsgevaar dient te worden aangenomen. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de recidivegrond aanwezig is; gelet op het strafblad van de verdachte dient voor herhaling te worden gevreesd. Het hof zal de vordering van de advocaat-generaal daarom toewijzen. Het hof beveelt de gevangenneming van verdachte met ingang van heden en bepaalt dat de tenuitvoerlegging zal geschieden in een huis van bewaring of in een andere wettige plaats van detentie in Nederland. Het hof heeft hierbij gelet op het bepaalde in de artikelen 66, 66a, 67, 67a en 75 van het Wetboek van Strafvordering. BESLISSING Het hof: Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige. Beveelt de gevangenneming van de verdachte. Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk, mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp en mr. F.P. Geelhoed, in bijzijn van de griffier mr. A.M. Grasman. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 mei 2021. Mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.