GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht zaaknummer : 200.281.910/01 rekestnummer rechtbank : FA RK 19-10072 zaaknummer rechtbank : C/09/586593 beschikking van de meervoudige kamer van 19 mei 2021 inzake [appellante] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. R.V. Paniagua te Rotterdam tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat voorheen: mr. M.N. Brands-van den Berg te Amsterdam, advocaat thans: mr. C. Boussidi te Amsterdam. Als belanghebbende is aangemerkt: [naam jongmeerderjarige] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [jongmeerderjarige] . 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 De moeder is op 14 augustus 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De vader heeft op 1 november 2020 een verweerschrift ingediend. 2.3 Bij het hof zijn voorts van de zijde van de vader de volgende stukken ingekomen: een journaalbericht van 26 maart 2021, ingekomen op diezelfde datum, waarbij mr. C. Boussidi zich heeft gesteld als advocaat; een brief van 26 maart 2021 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; een journaalbericht van 29 maart 2021, ingekomen op diezelfde datum, waarbij mr. M.N. Brands zich heeft onttrokken als advocaat. 2.4 De mondelinge behandeling heeft op 7 april 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader, bijgestaan door zijn advocaat; [jongmeerderjarige] . 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2 De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is – voor zover hier van belang – [jongmeerderjarige] geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , Suriname. 3.3 Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 17 december 2018 is de door de vader met ingang van 31 oktober 2017 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) van [jongmeerderjarige] bepaald op € 908,- per maand, maandelijks telkens bij voorruitbetaling aan de moeder te voldoen en jaarlijks wettelijk te indexeren, voor het eerst per 1 januari 2018. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, met wijziging van de beschikking van 17 december 2018, de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van 17 december 2018 op € 774,- per maand bepaald, vanaf de datum van de bestreden beschikking telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen. 4.2 De moeder is het niet eens met deze beslissing en verzoekt het hof: primair: de bestreden beschikking te vernietigen en de zaak voor inhoudelijke behandeling terug te verwijzen naar de rechtbank; subsidiair: de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken; meer subsidiair: de verzoeken van de vader in eerste aanleg af te wijzen. 4.3 [jongmeerderjarige] is het eens met het hoger beroep van de moeder. 4.4 De vader voert verweer en verzoekt het hof om, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, althans om die verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens. 5De motivering van de beslissing Terugverwijzen naar de rechtbank 5.1 De moeder stelt dat er twee redenen zijn voor terugverwijzing naar de rechtbank. Allereerst had er, op grond van artikel 801 lid 1 Rv, een mondelinge behandeling moeten plaatsvinden omdat [jongmeerderjarige] is gehoord door de rechtbank. Volgens de vader was, ook in dit geval, het gelasten van een mondelinge behandeling niet noodzakelijk. Daarnaast meent de moeder dat de rechtbank haar verweerschrift enkel op processuele gronden buiten beschouwing heeft gelaten. Hiermee doet zich een door de Hoge Raad geformuleerde uitzonderingsgrond op het verbod tot terugverwijzen voor. De vader betwist dat zich een uitzonderingsgrond voordoet. Het verzoek van de vader is door de rechtbank als niet weersproken en als op de wet gegrond toegewezen. Dit duidt erop dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk heeft beoordeeld. De vader voegt hier nog aan toe dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden nu de moeder in hoger beroep alsnog op het verzoek heeft kunnen reageren. 5.2 Het hof overweegt als volgt. Het hof volgt de moeder in haar stelling dat er een mondelinge behandeling plaats had moeten vinden nu [jongmeerderjarige] is gehoord door de rechtbank. Naar het oordeel van het hof is dit echter geen reden om de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank. Dit gebrek is in hoger beroep immers hersteld. De moeder heeft in hoger beroep alle gelegenheid gekregen om (alsnog) op het inleidende verzoek van de vader te reageren nu de zaak in volle omgang aan het hof is voorgelegd. Het beginsel van hoor en wederhoor is dan ook niet geschonden. Het feit dat het verweerschrift van de moeder in eerste aanleg buiten beschouwing is gelaten doet hier niet aan af. Uit de bestreden beschikking blijkt immers dat het verzoek inhoudelijk is beoordeeld. Hieruit volgt dat het verweerschrift van de moeder niet op louter processuele gronden buiten beschouwing is gelaten. Ook deze stelling van de moeder vormt dus geen grond voor terugverwijzing naar de rechtbank. Gelet op het voorgaande zal het hof de eerste twee grieven van de moeder verwerpen. Overleggen verweerschrift eerste aanleg 5.3 De vader heeft het hof ter zitting verzocht om het verweerschrift eerste aanleg uit het dossier te verwijderen nu dit verweerschrift ten onrechte als onderdeel van het procesdossier in eerste aanleg is overgelegd. Het verweerschrift is in eerste aanleg immers buiten beschouwing gelaten. Gelet hierop heeft de moeder de feiten niet naar waarheid aangevoerd en hiermee artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geschonden. Subsidiair betoogt de vader dat artikel 22b Rv is geschonden omdat de moeder op geen enkele wijze kenbaar heeft gemaakt ter toelichting waarvan zij het verweerschrift heeft overgelegd. 5.4 Naar het oordeel van het hof mocht de moeder het verweerschrift eerste aanleg overleggen als onderdeel van het procesdossier. De wet (artikel 282 Rv) gaat immers voor op het procesreglement (artikel 3.4 aanhef en sub b). Artikel 282 Rv bepaalt dat een verweerschrift tot de aanvang van de mondelinge behandeling kan worden ingediend. Het hof gaat er daarom vanuit dat, als er in eerste aanleg wel een mondelinge behandeling had plaatsgevonden, het verweerschrift dan was aangemerkt als pleitnota. Het verweerschrift was immers wel ingediend, alleen te laat. Daarnaast merkt het hof nog op dat de rechter grote vrijheid toekomt op het punt. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat er, onder deze omstandigheden, geen sprake is van strijdigheid met artikel 21 noch artikel 22b Rv. Het hof zal het verzoek van de vader tot verwijdering van het verweerschrift eerste aanleg uit het procesdossier dan ook afwijzen. Kinderalimentatie Wijziging van de kinderalimentatie 5.5 Op grond van artikel 1:401 lid 4 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd indien zij van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 5.6 In haar derde grief betoogt de moeder dat de vader niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in zijn wijzigingsverzoek. Volgens haar is het in dit specifieke geval redelijk om een uitzondering te maken op de hoofdregel dat het aanleveren van onjuiste of onvolledige gegevens door de alimentatieplichtige en het niet instellen van hoger beroep, niet in de weg staan aan een wijzigingsverzoek. Ondanks herhaalde verzoeken hiertoe van de rechtbank heeft de vader doelbewust nagelaten juiste en volledige gegevens te verstrekken en is hij niet in hoger beroep gegaan. Door bovendien pas ruim een jaar later een wijzigingsprocedure te starten is sprake van een uitdrukkelijk ingenomen processtrategie die de vader nu niet met terugwerkende kracht kan wijzigen. Dit wordt door de vader betwist. Volgens de vader blijkt dit (alleen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.