← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2022:1090

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummer BK-21/00433 Uitspraak van 11 mei 2022 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 15 juni 2021, nummer SGR 20/

  1. Procesverloop 1.
  2. Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.
  3. 1.
  4. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag afgewezen. 1.
  5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van €
  6. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.
  7. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van €
  8. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.
  9. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 april 2022, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.
  10. Belanghebbende is alleenstaand en ontving in 2018 een WAO-uitkering van € 20.
  11. 2.
  12. Op 11 juni 2019 heeft belanghebbende voor het jaar 2018 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.
  13. In de aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 1.649 als persoonsgebonden aftrek op zijn inkomen in mindering gebracht, bestaande uit uitgaven voor specifieke zorgkosten (€ 1.401), kwijtgescholden durfkapitaal (€ 40) en giften (€ 208). 2.
  14. Met dagtekening 30 juli 2020 heeft de Inspecteur, overeenkomstig de aangifte, de definitieve aanslag IB/PVV 2018 opgelegd waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 18.
  15. De definitieve aanslag is vastgesteld op een te ontvangen bedrag van €
  16. Na verrekening met de eerdere voorlopige aanslagen resteert een te betalen bedrag van nihil. 2.
  17. Nadat belanghebbende bij brief van 12 november 2019 bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2018, heeft de Inspecteur in zijn brief 5 augustus 2020 belanghebbende verzocht om zijn bezwaar nader toe te lichten. Bij e-mails van 8 en 9 augustus heeft belanghebbende hierop gereageerd. 2.
  18. Na diverse correspondentie heeft de Inspecteur bij e-mail van 10 augustus 2020 aan belanghebbende aangekondigd dat hij voornemens is om het bezwaar van belanghebbende af te wijzen, omdat belanghebbende niet heeft aangegeven dat de aanslag IB/PVV 2018 onjuist zou zijn opgelegd. Oordeel van de Rechtbank
  19. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: ”
  20. De rechtbank begrijpt het beroepschrift zo dat eiser de hoogte van de aanslag betwist en dat eiser meent recht te hebben op arbeidskorting en een hoger bedrag aan persoonsgebonden aftrek voor specifieke zorgkosten.
  21. Op grond van artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) geldt de arbeidskorting voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet. Ingevolge artikel 8.1, lid 1, van de Wet IB 2001 is arbeidsinkomen -v oor zover hier van belang -h et gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten. Daarvan is bij een WAO-uitkering geen sprake.
  22. Op grond van het tweede lid van artikel 8.1 van de Wet IB 2001 wordt -voor zover hier van belang -tevens tot het arbeidsinkomen gerekend loon wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid, als bedoeld in artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek. Daarvan is sprake indien de periode van arbeidsongeschiktheid niet langer duurt dan 2 jaren (104 weken). Uit de door verweerder overgelegde loongegevens volgt dat eiser ook in 2016 en 2017 een WAO-uitkering heeft genoten, waarmee niet gesproken kan worden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Nu eisers WAO-uitkering niet behoort tot het arbeidsinkomen in de zin van artikel 8.1, lid 1, onderdeel e, en lid 2 van de Wet IB 2001, heeft hij geen recht op toepassing van de arbeidskorting.
  23. Eiser heeft in zijn aangifte een bedrag van € 1.401 aangegeven als specifieke zorgkosten. Voor zover eiser stelt dat recht bestaat op een hoger bedrag aan aftrekbare kosten stelt de rechtbank voorop dat op eiser de bewijslast rust aannemelijk te maken dat hij daar recht op heeft. Eiser heeft dat evenwel nagelaten. De rechtbank acht hierbij van belang dat verweerder bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2018 de door eiser ingediende aangifte volledig heeft gevolgd. Eiser heeft desgevraagd ook geen gronden meer aangevoerd tegen de onderhavige aanslag. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat verweerder de opgelegde aanslag onjuist heeft vastgesteld.
  24. Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangevoerd over vakantiehuisjes merkt de rechtbank op dat noch uit de aangifte noch uit de overige stukken uit het dossier volgt dat dit betrekking heeft op de aanslag IB/PVV
  25. Verweerder heeft dit dan ook terecht niet in aanmerking genomen.
  26. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat verweerder in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, faalt het beroep eveneens. Uit de stukken van het dossier volgt dat verweerder telkens op de brieven en e-mails van eiser heeft gereageerd en aangegeven dat hij van plan is om het bezwaarschrift af te wijzen, waarbij hij eiser in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Niet gebleken is dat verweerder op enige wijze onzorgvuldig of in strijd met enig ander beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. De rechtbank wijst er voorts op dat verweerder ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij er bij de aanslagregeling vanuit is gegaan dat eiser zijn aangifte juist heeft ingevuld en dat hij deze daarom ook heeft gevolgd. Van het indienen van een valse aangifte of fraude is volgens verweerder in het geheel geen sprake.
  27. De geschillen die eiser lijkt te hebben met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het UWV vallen buiten de bevoegdheid van de belastingrechter en daarmee buiten het procesbelang van deze zaak.” Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.
  28. In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. 4.
  29. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag. 4.
  30. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep 5.
  31. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof toegelicht dat hij door de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, mevrouw Kaag, is ingelijfd en de opdracht kreeg om de correspondentie over het vredesproces in het Midden-Oosten met de Israëlische regering en het Israëlische leger te voeren. Belanghebbende wijst ook op het loonbesluit dat het UWV in 1988 heeft genomen. Hieruit zou blijken dat hij meer dan één werkgever heeft. Belanghebbende leidt hieruit af dat hij recht heeft op de arbeidskorting. Het Hof verwerpt dit standpunt. Hoewel in het dossier e-mails van belanghebbende zijn opgenomen die zijn gericht aan het kantoor van de premier van Israël, acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende in opdracht van de minister van Buitenlandse Zaken heeft gewerkt. Ook is geen opgave gedaan door het ministerie van Buitenlandse Zaken van aan belanghebbende uitbetaald loon. Ook andere bronnen van inkomen zijn niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft geen recht op de arbeidskorting. 5.
  32. Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat hij meer ziektekosten heeft gemaakt die voor aftrek in aanmerking komen. Belanghebbende heeft dit verder niet onderbouwd. Hetgeen belanghebbende heeft gesteld over zijn verleden als werknemer in de zeevaart en zijn ziekte in 1988 is niet voldoende om met succes aanspraak te maken op een hogere aftrek van specifieke zorgkosten. 5.
  33. De Inspecteur heeft de aanslag conform de aangifte van belanghebbende opgelegd. Het Hof ziet in hetgeen hiervoor is behandeld en de rest van het dossier geen aanleiding om de aanslag te verminderen. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof ook aangegeven dat hij met de Inspecteur geen geschil meer zou hebben. 5.
  34. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 11 mei 2022 in het openbaar uitgesproken. aangetekend aan partijen verzonden: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.