GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer hof : 200.294.960/01Zaaknummer rechtbank : 8458779\CV EXPL 20-1563 Arrest 5 juli 2022 in de zaak van [appellant] , wonend in [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. G.A. Soebhag uit Rotterdam, tegen 1 [verweerder 1] , wonend in [woonplaats] , advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens uit Breda, 2. [verweerder 2], wonend in [woonplaats] , niet verschenen, verweerders, Het hof zal partijen hierna noemen [appellant] , [verweerder 1] en [verweerder 2] .. 1De zaak in het kort In deze zaak gaat het om de vraag of [verweerder 1] als bestuurder aansprakelijk is voor het onbetaald laten van loon van [appellant] door World Energy Service B.V. (hierna: WES) dat failliet is gegaan op 20 april 2016. 2Procesverloop in hoger beroep Bij exploten van 11 mei 2021 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, kantonrechter zittinghoudend te Dordrecht (hierna: de kantonrechter) tussen partijen gewezen vonnis van 18 februari 2021. Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [verweerder 1] de grieven bestreden. Tegen [verweerder 2] is verstek verleend. Op 24 mei 2022 is een mondelinge behandeling gehouden. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. [appellant] heeft bij het verzoek voor een mondelinge behandeling de stukken overlegd. Vervolgens is arrest bepaald. 3Beoordeling van het geschil 3.1 Geen grieven zijn gericht tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten. Ook het hof zal in hoger beroep van deze feiten uitgaan. 3.2. [appellant] heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat [verweerder 1] en [verweerder 2] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld en gevorderd hen te veroordelen de schade die hij daardoor lijdt te vergoeden, op te maken bij te staat en te vereffenen volgens de wet, met een voorschot van € 1.000,--, proceskosten rechtens. 3.3. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. De aansprakelijkheid van [verweerder 1] en [verweerder 2] op grond van art. 2:248 BW 3.4. Grief 1 richt zich tegen de overweging van de kantonrechter dat het door [appellant] aan zijn vordering ten grondslag gelegde art. 2:248 BW ziet op de aansprakelijkheid van bestuurders jegens de boedel en dat die hier niet aan de orde is zodat [appellant] hier niet met succes een beroep op kan doen. [verweerder 1] heeft de grief bestreden. 3.5. De grief faalt. [appellant] heeft gesteld dat [verweerder 1] feitelijk beleidsbepaler was van WES. Vast staat dat [verweerder 2] bestuurder was. [appellant] heeft gesteld dat sprake is van onbehoorlijk bestuur omdat de boekhoudplicht en de publicatieplicht (van de jaarrekeningen) zijn geschonden. 3.6 Ook als juist zou zijn dat [verweerder 1] als feitelijk beleidsbepaler van WES is opgetreden, dan nog beperkt art. 2:248, lid 1 BW zijn aansprakelijkheid in die hoedanigheid tot een hoofdelijke aansprakelijkheid alleen jegens de boedel voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. Deze wetsbepaling kan geen basis vormen voor de aansprakelijkheid van bestuurders jegens individuele schuldeisers van een besloten vennootschap zoals – in dit geval – WES. Dat geldt ook voor [verweerder 2] als bestuurder. Dat betekent overigens niet dat de omstandigheid dat (mogelijk) sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur geen rol kan spelen bij de vraag of [verweerder 1] en [verweerder 2] als feitelijk beleidsbepaler en bestuurder onrechtmatig hebben gehandeld jegens een schuldeiser van de vennootschap. In de rovv. 3.10 e.v. komt dit nader aan de orde. De aansprakelijkheid van [verweerder 1] en [verweerder 2] op grond van onrechtmatige daad 3.7. Grief 2 bestrijdt de overweging van de kantonrechter dat [appellant] niet voldoende heeft gesteld om tot het oordeel te komen dat [verweerder 2] en [verweerder 1] jegens Massone onrechtmatig hebben gehandeld. [verweerder 1] heeft de grief bestreden. 3.8. Ook in hoger beroep concentreert het betoog van [appellant] zich met name op de niet naleving door [verweerder 2] en [verweerder 1] van de boekhoudplicht (waarbij onder andere geen loonspecificaties werden verstrekt) en de publicatieplicht (van de jaarrekeningen). 3.9. Het hof stelt voorop dat de verplichting het loon van [appellant] te betalen rustte op WES als werkgever. [appellant] dient daarom ook allereerst WES aan te spreken. Voor aansprakelijkheid van een feitelijk beleidsbepaler of een bestuurder van een vennootschap wegens het niet nakomen van verplichtingen of het plegen van een onrechtmatige daad door die vennootschap, is alleen plaats indien hem een voldoende ernstig verwijt treft om hem persoonlijk aansprakelijk te houden. Zoals de kantonrechter ook heeft overwogen kan van een voldoende ernstig verwijt sprake zijn als (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.