ECLI:NL:GHDHA:2022:1326
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.290.154/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/502484 / HA ZA 16-522, C/10/503456 / HA ZA 16-559 en C/10/513480 / HA ZA 16-1079 ECLI-nummer op rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBROT:2020:4400 Arrest van 5 juli 2022 (bij vervroeging) in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van: [appellant] q.q., in hoedanigheid van curator in de faillissementen van de besloten vennootschappen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V., kantoorhoudende te Rotterdam, appellant, hierna te noemen: de curator, advocaat: [appellant] te Rotterdam, tegen 1. Hooge Raedt Groep B.V., gevestigd te Baarn, geïntimeerde, hierna te noemen: HRG, advocaat: mr. E. Poelenije te Enschede, 2. BB Capital Investments I B.V., gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: BBC, niet verschenen, 3. Ankervast B.V., gevestigd te Deventer, geïntimeerde, hierna te noemen: Ankervast, advocaat: mr. L.M. Graal te Amsterdam, 4. BB Capital Management B.V., gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: BBC Management, advocaat: mr. I.J.A. Tax te Rotterdam, 5. [geïntimeerde 5], wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde 5] , advocaat: mr. I.J.A. Tax te Rotterdam.
HRG, Ankervast, BBC Management en [geïntimeerde 5] hierna gezamenlijk ook wel aangeduid als: Geïntimeerden.
Waar de zaak over gaat De curator heeft verschillende vorderingen ingesteld tegen de (voormalige) bestuurders en aandeelhouders van twee failliete vennootschappen en tegen de externe accountant die de jaarrekeningen van die vennootschappen over de jaren 2008 t/m 2012 heeft voorzien van een goedkeurende verklaring. De vorderingen hebben betrekking op een drietal door de holdingvennootschap (enige jaren vóór het faillissement) gedane uitkeringen (i) van preferent dividend, (ii) ten laste van de reserves ten titel van terugbetaling van agio aan de cumulatief preferente aandeelhouders en (iii) ten laste van de reserves aan een gewone aandeelhouder in verband met de inkoop van eigen aandelen door de vennootschap. De rechtbank heeft de vorderingen van de curator jegens alle aangesprokenen afgewezen. Dit hoger beroep van de curator richt zich nog enkel tegen de bij de uitkeringen betrokken aandeelhouders. Ook het hof zal de vorderingen van de curator integraal afwijzen.
Het verloop van de procedure in hoger beroep 1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken. Het hof heeft hiervan kennisgenomen: het procesdossier van de eerste aanleg, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2020 (hierna: het bestreden vonnis); de dagvaarding in hoger beroep van 12 augustus 2020; de memorie van grieven van de curator, met daarin opgenomen zes grieven (met producties 1 t/m 6); de memorie van antwoord van HRG, met producties 30 t/m 35; de memorie van antwoord van Ankervast, met producties 1 t/m 3; de memorie van antwoord van BBC Management en [geïntimeerde 5] , met producties 25 t/m 29; de producties 30 en 31 van de zijde van HRG, BBC Management en [geïntimeerde 5] ; productie 7 van de zijde van de curator.
Op 13 mei 2022 is de zaak mondeling voor het hof behandeld ter zitting. De curator en ieder van de Geïntimeerden (al dan niet gezamenlijk) hebben een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Aan het eind van de zitting is arrest bepaald.
De feiten 2. De rechtbank is in het bestreden vonnis onder 4.1 tot en met 4.34 van een aantal feiten uitgegaan. Deze feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten tot uitgangspunt zal nemen (voor zover relevant aangevuld met feiten die evenmin ter discussie staan).
Het gaat in deze zaak – voor zover in hoger beroep (nog) van belang – om het volgende:
2.1 [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) zijn in maart 2014 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator als zodanig.
2.2 Hooge Raedt Groep Holding B.V. (hierna: HRGH) hield tot oktober 2008 alle aandelen in [bedrijf 2] . [bedrijf 2] hield alle aandelen in een tiental werkmaatschappijen. De werkmaatschappijen dreven aannemingsbedrijven, die voor het overgrote deel werkzaam waren op de (nationale) renovatie- en onderhoudsmarkt.
2.3 HRGH hield daarnaast 50% van de aandelen in BBC. Bestuurder van BBC was BBC Management. Bestuurder van BBC Management was [geïntimeerde 5] .
2.4 In 2008 heeft HRGH met BBC overeenstemming bereikt over het participeren van BBC in [bedrijf 2] . Ook de toenmalige bestuurder ( [bestuurder] ) en een voor de commerciële activiteiten van [bedrijf 2] belangrijke manager ( [naam manager] ; hierna: [naam manager] ) zouden een indirect aandelenbelang in [bedrijf 2] verkrijgen. Dat zou worden gerealiseerd via hun respectieve managementvennootschappen Haanom en Ankervast.
2.5 De transactie is als volgt vormgegeven.
2.6 Begin oktober 2008 heeft BBC alle 18.000 aandelen in het kapitaal van [bedrijf 1] (destijds geheten [bedrijf 2] Holding B.V.), een op dat moment nog inactieve vennootschap, verworven.
2.7 Op 31 oktober 2008 heeft [bedrijf 1] 17.000 gewone aandelen (tegen nominale waarde van € 1 per aandeel) en twee cumulatief preferente aandelen uitgegeven aan de hierna te noemen partijen:
2.8 Aan de aan BBC en HRGH uitgegeven cumulatief preferente aandelen was een eerste recht op dividend verbonden. Bij uitgifte van deze aandelen is bedongen dat door BBC en HRGH een bedrag van € 1.949.999 respectievelijk € 1.799.999 als agio zou worden gestort. In totaal derhalve € 3.749.998.
2.9 Op 31 oktober 2008 heeft [bedrijf 1] , als koper, van HRGH, als verkoper, 99% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van [bedrijf 2] verworven. BBC verwierf 1%.
2.10 Na de transactie hield BBC 52% van de gewone aandelen in [bedrijf 1] , HRGH 20%, Haanom 14% en Ankervast ook 14%. BBC en HRGH hielden voorts ieder één cumulatief preferent aandeel in het kapitaal van [bedrijf 1] . Aangezien HRGH 50% van de aandelen in BBC hield, was HRGH na de transactie derhalve 46% (indirect) aandeelhouder in [bedrijf 1] .
2.11 De (voorlopige) koopprijs voor de door [bedrijf 1] van HRGH gekochte aandelen bedroeg € 14.250.000. Inclusief nabetalingen (earn-out regeling) kwam de koopprijs uiteindelijk uit op € 16.319.208.
2.12 De (voorlopige) koopprijs is als volgt gefinancierd:
2.13 In 2008, 2009 en 2010 heeft [bedrijf 2] dividend uitgekeerd aan [bedrijf 1] .
Respectievelijk € 1.802.863 in 2008, € 2.744.521 in 2009 en € 1.489.722 in 2010.
2.14 [bedrijf 1] heeft in 2008, 2009 en 2010 besloten dividend uit te keren aan de aandeelhouders. Respectievelijk in 2008: € 2.000.000 op de gewone aandelen en € 300.000 op de cumulatief preferente aandelen, in 2009: € 881.122 op de gewone aandelen en € 300.000 op de cumulatief preferente aandelen en in 2010: € 300.000 op de cumulatief preferente aandelen. In 2011 is het besluit tot uitkering van dividend over 2009 (gedeeltelijk) teruggedraaid. Het bedrag van € 881.122 aan dividend over 2009 op de gewone aandelen is niet uitbetaald.
2.15 In 2010 heeft HRGH haar aandelenbelang in [bedrijf 1] overgedragen aan haar dochtervennootschap HRG.
2.16 Na 2010 is geen dividend meer uitgekeerd.
2.17 In de jaarrekeningen van [bedrijf 1] is per ultimo 2008 onder de post "Goodwill [bedrijf 2] B.V. " een bedrag van € 8.623.710 aan goodwill gepresenteerd. Uit de toelichting blijkt dat een afschrijvingstermijn van vijf jaar wordt gehanteerd. Vanaf boekjaar 2010 is de afschrijvingstermijn verlengd van vijf naar tien jaar. Deze wijziging is doorgevoerd in de jaarrekening 2010, welke op 26 augustus 2011 is vastgesteld. Een gevolg van het verlengen van de afschrijvingstermijn was dat het oorspronkelijk voorziene netto resultaat van [bedrijf 1] over 2010 ad € 757.190 negatief werd omgezet in een positief resultaat van € 107.821.
2.18 In 2011 heeft [bedrijf 1] € 1.000.000 terugbetaald aan agio die bij de uitgifte van de cumulatief preferente aandelen was geboekt. Daarvan is € 520.000 betaald aan BBC en € 480.000 aan HRG. Dit gebeurde met medeweten en instemming van de externe financier, inmiddels Rabobank.
2.19 Op 30 juni 2011 heeft [bedrijf 1] , naar aanleiding van in mei 2011 bereikte overeenstemming, alle 4.900 door Ankervast gehouden gewone aandelen in het kapitaal van [bedrijf 1] ingekocht voor een koopprijs van € 1.150.000. Deze inkoop werd gefinancierd door een door HRG (of HRGH) verstrekte, (jegens Rabobank) achtergestelde geldlening van € 1.150.000. De achtergrond van deze inkoop was de beëindiging van het (verlengde) dienstverband van [naam manager] in welk kader hij zijn aandelen diende aan te bieden aan HRG en BBC.
2.20 In 2012 is na externe advisering een ingrijpende reorganisatie doorgevoerd binnen [bedrijf 2] . Daardoor werden de algemene kosten verlaagd tot 6%.
2.21 Per eind 2012 had [bedrijf 1] een negatief eigen vermogen van € 3.386.863. Het operationele resultaat over 2012 was positief.
2.22 De jaarrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over de jaren 2008 tot en met 2012 zijn voorzien van goedkeurende accountantsverklaringen door de externe accountant [de externe accountant] , in de persoon van de heer [de accountant] RA (hierna: [de accountant] ).
2.23 Op 1 februari 2013 hebben BBC en HRG een kortlopende lening verstrekt aan [bedrijf 1] ter grootte van € 1,5 miljoen. Daarvan is € 1.151.162 betaald door BBC en € 348.838 door HRG. Bij overeenkomst van 25 april 2013 is deze geldlening omgezet in eigen vermogen (agio).
2.24 Omstreeks 22 mei 2013 hebben BBC en HRG nogmaals een aanvullende agiostorting gedaan van € 2 miljoen. Daarvan is € 1.040.000 betaald door BBC en € 960.000 door HRG.
2.25 Op 28 juni 2013 heeft HRG de door BBC gehouden aandelen in [bedrijf 1] gekocht en overgedragen gekregen voor een bedrag van € 3.181.162. Daarmee is HRG enig aandeelhouder geworden van [bedrijf 1] .
2.26 Omstreeks 17 oktober 2013 heeft HRG nog een aanvullende agiostorting gedaan van € 3 miljoen.
2.27 Bij besluit van 17 januari 2014 is besloten tot ontbinding van BBC. Dit betrof een zogenoemde turboliquidatie.
De procedure bij de rechtbank 3. De curator heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd dat de rechtbank:
Naast bovengenoemde vorderingen heeft de curator vorderingen ingesteld tegen de (voormalige) bestuurders van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en tegen [de externe accountant] , de externe accountant die de jaarrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over de jaren 2008 t/m 2012 heeft voorzien van goedkeurende accountantsverklaringen.
De grieven en de vorderingen in hoger beroep 5. De curator kan zich niet verenigen met deze beslissing van de rechtbank en is van het vonnis – voor zover het betreft de afwijzing van de vorderingen jegens geïntimeerden – in hoger beroep gekomen. Hij heeft zes grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis.
De curator heeft zijn eis gewijzigd en vordert in hoger beroep – samengevat weergegeven –dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair:
De grieven 1 en 6 hangen daarmee samen. Grief 1 betreft de bewijswaardering van de door partijen overgelegde deskundigenrapportages en grief 6 ziet op de vordering uit hoofde van onrechtmatige daad jegens BBC Management en [geïntimeerde 5] als (indirect) bestuurders van BBC in verband met de turbo-liquidatie van laatstgenoemde.
De beoordeling van het hoger beroep 8. In zijn grieven betoogt de curator kort gezegd dat de hiervoor onder 6. genoemde uitkeringen zijn gedaan terwijl daar onvoldoende financiële ruimte voor bestond. Daarmee zijn de uitkeringen volgens de curator in strijd met de wet en de statuten van [bedrijf 1] en daarom nietig, althans onrechtmatig. De curator stelt zich daarbij (ook in hoger beroep) op het standpunt, thans gesteund door een door hem overgelegde opinie van registeraccountant drs. [naam RA] (hierna: [naam RA] ), dat de jaarrekeningen van [bedrijf 1] niet voldoen aan de eisen die de wet en de Richtlijnen voor de Jaarverslaglegging daaraan stellen, dat de jaarrekeningen als gevolg daarvan het eigen vermogen en de vrije reserves van [bedrijf 1] onjuist (want: te hoog) weergeven en dat er bij [bedrijf 1] onvoldoende winst en vrije reserves aanwezig waren om de uitkeringen te doen zoals deze in 2010 en 2011 aan de aandeelhouders hebben plaatsgevonden.
Nergens in de Faillissementswet is aan de curator een bevoegdheid tot wijziging van een jaarrekening stilzwijgend of uitdrukkelijk verleend. Al met al moeten we uitgaan van de getallen in de jaarrekeningen, zoals die zijn vastgesteld door de aandeelhoudersvergadering in haar vergaderingen van 30 augustus 2011 en van 29 juni 2012”. Volgens Geïntimeerden laten de in dit kader relevante vastgestelde jaarrekeningen 2009 en 2010 voldoende vrije reserves zien. Zij wijzen voorts op een ander deel van de opinie van [naam professor] , waarin hij – samengevat – oordeelt dat de bestreden uitkeringen in overeenstemming zijn met de wet en de statuten en dus rechtsgeldig zijn en dat er geen vordering van de curator bestaat tot terugbetaling van het dividend 2010, of tot terugbetaling van het uitgekeerde agio, of terzake de inkoop van aandelen op 30 juni 2011 (producties 1, 25 en 31 bij memorie van antwoord van Ankervast, BBC Management/ [geïntimeerde 5] respectievelijk HRG).
De vaststelling van een jaarrekening is een besluit van de aandeelhoudersvergadering met rechtsgevolg. Alleen de aandeelhoudersvergadering van de failliete vennootschap is daartoe bevoegd. Het intreden van het faillissement brengt hierin geen verandering. In de Faillissementswet is aan de curator niet de bevoegdheid tot aanpassing van een (reeds vastgestelde) jaarrekening verleend. Uitsluitend de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam is door de wetgever exclusief aangewezen om bevelen te geven tot correctie van een jaarrekening op de voet van artikel 2:447 e.v. BW. Een verzoek daartoe aan de Ondernemingskamer dient – op straffe van verval van die bevoegdheid – binnen een termijn van twee maanden na vaststelling van de jaarrekening te worden ingediend (artikel 2:449 lid 1 BW).
Behoudens deze gelimiteerde mogelijkheid tot wijziging komt door de vaststelling van de jaarrekening de omvang van het resultaat en van het voor uitkering beschikbare vermogen van de vennootschap vast te staan. Een andere opvatting zou onder meer leiden tot grote rechtsonzekerheid voor aandeelhouders in een besloten vennootschap die een (dividend)uitkering hebben ontvangen, indien deze uitkeringen door middel van aanpassingen in de jaarrekeningen achteraf nietig zouden kunnen zijn. Zij zouden dan altijd het risico lopen geconfronteerd te worden met een vordering uit onverschuldigde betaling van de vennootschap, ongeacht of zij van de gebreken in de jaarrekening wisten of behoorden te weten.
Het hof merkt daarbij nog op dat de wet aan de vastgestelde jaarrekening ook andere rechtsgevolgen verbindt, waaronder fiscale verplichtingen, verplichtingen op grond van de medezeggenschap etc. Ook in die verhoudingen zou een bevoegdheid tot herziening van de vastgestelde jaarrekening, zoals de curator die voorstaat, tot grote rechtsonzekerheid leiden.
Grief 1: Rapportages van partij-deskundigen 13. Grief 1 betreft het oordeel van de rechtbank over de rapportages van de partij-deskundigen en de bewijskracht die daaraan moet worden toegekend (rov. 8.9, 8.10 en 8.15).
De curator stelt zich op het standpunt dat de rechtbank zelf een deskundige had behoren te benoemen om een oordeel te vragen over de onderwerpen waar de partijen en de deskundigen elkaar tegenspreken en die relevant zijn voor de te nemen beslissing. De rechtbank had zich volgens de curator (ook) niet zonder nadere motivering mogen baseren op de conclusies uit het rapport Joling.
Grief 2: Uitkering van preferent dividend over 2010 nietig?
Evenmin bepaalt artikel 31 lid 6 van de statuten van [bedrijf 1] , anders dan de curator betoogt, dat uitkeringen ten laste van de overige vrije reserves ‘uitsluitend’ kunnen worden gedaan op de gewone aandelen. Dat in deze statutaire bepaling niet expliciet staat opgenomen dat een uitkering ten laste van de overige vrije reserves (ook) op de cumulatief preferente aandelen kan worden gedaan, betekent niet dat dit niet zou zijn toegestaan. Het is aan de aandeelhoudersvergadering om te beschikken over de algemene reserves. Het staat haar dan ook vrij te besluiten om een uitkering ten laste van de vrije reserves te doen aan de cumulatief preferente aandeelhouders. De statuten van [bedrijf 1] noch de wet bevatten een verbod daartoe.
Niet is gesteld dat [bedrijf 1] over onvoldoende vrije reserves beschikte om de uitkering van € 192.179 te doen. De conclusie is dan ook dat deze uitkering niet in strijd is met (het bepaalde in artikel 31 lid 2 van) de statuten van [bedrijf 1] .
Grief 3: Uitkering ten laste van de agioreserves nietig?
Daarbij dienen de vastgestelde jaarrekeningen van de vennootschap tot uitgangspunt (zie HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2172, Kelderman Techniek). Met inachtneming hiervan is het in het onderhavige geval – gelet op het uitkeringsbesluit van 24 december 2010 en de daadwerkelijke uitkering op 6 en 7 januari 2011 – aangewezen om voor de berekening van de uitkeringsruimte op het moment van het doen van de uitkering aan te knopen bij de vastgestelde jaarrekening over het boekjaar 2010. Uit de vastgestelde jaarrekening over het boekjaar 2010 blijkt dat [bedrijf 1] per 31 december 2010 een eigen vermogen had van € 3.592.821. Het geplaatste kapitaal bedroeg € 35.002. Dit betekent dat er voldoende uitkeringsruimte was om de terugbetaling van agio te doen op het moment waarop het uitkeringsbesluit in december 2010 werd genomen.
Nu niet is gesteld dat zich in de periode tussen 31 december 2010 en 7 januari 2011 noemenswaardige wijzigingen in het eigen vermogen van [bedrijf 1] hebben voorgedaan, biedt de per ultimo 2010 bepaalde uitkeringsruimte eveneens voldoende basis voor het daadwerkelijk terugbetalen van de agio op 7 januari 2011. Het hof merkt daarbij nog op dat artikel 2:216 lid 4 (oud) BW ook niet een tussentijdse vermogensopstelling vereiste (vgl. artikel 2:105 BW voor de NV). De conclusie van het voorgaande is dat de terugbetaling van agio aan HRG en BBC van € 1 miljoen niet in strijd is met het bepaalde in artikel 2:216 lid 2 en lid 4 (oud) BW.
Grief 4: Inkoop van eigen aandelen nietig?
Volgens de curator kan het eigen vermogen van [bedrijf 1] per 30 juni 2011 (de datum van de inkoop) op basis daarvan als volgt berekend worden: het eigen vermogen van [bedrijf 1] per 31 december 2010, verminderd met de uitkering van € 1.000.000 ten laste van de reserves begin 2011 en verminderd met de per 30 juni 2011 door [bedrijf 1] geleden verliezen. Op grond hiervan komt de curator tot de conclusie dat het uitkeerbare deel van het eigen vermogen van [bedrijf 1] per de relevante toetsmomenten (ultimo 2009 én 30 juni 2011) niet ten minste gelijk is aan de verkrijgingsprijs van € 1.150.000, terwijl de wet (artikel 2:207 lid 4 BW) in combinatie met de statuten (artikel 9 lid 2) dat wel voorschrijft.
De inkoop van eigen aandelen voor een verkrijgingsprijs van € 1.150.000 is daarmee in strijd met de wet en de statuten en dus nietig zodat de koopprijs onverschuldigd aan Ankervast is betaald, aldus de curator.
Daarop strekken conform het bepaalde in artikel 9 lid 3 van de statuten (en artikel 2:207 lid 3 (oud) BW) in mindering ‘uitkeringen uit winst of reserves aan anderen, die zij en haar dochtermaatschappijen na de balansdatum verschuldigd werden’. Niet in geschil is dat de nadien door [bedrijf 1] verschuldigde uitkeringen uit winst of reserves betreffen de uitkering van preferent dividend van € 300.000 over het boekjaar 2010 (bij wijze van voorschot) en een uitkering ten laste van de agioreserve begin 2011 van € 1.000.000 (zie rov. 2.14 en 2.18 hiervoor). Daarbij tekent het hof nog aan dat de in de jaarrekening van [bedrijf 1] over het boekjaar 2009 verwerkte uitkering van winst ad € 881.122 op de gewone aandelen niet is uitbetaald aan de aandeelhouders (zie rov. 2.14 hiervoor).
De conclusie van het voorgaande is dat op het moment van de inkoop van eigen aandelen door [bedrijf 1] op 30 juni 2011 het uitkeerbare deel van het eigen vermogen van [bedrijf 1] voldoende was om de verkrijgingsprijs van de aandelen van € 1.150.000 te voldoen. De inkoop heeft daarmee conform de regeling in artikel 9 lid 2 van de statuten van [bedrijf 1] en artikel 2:207 lid 2 (oud) BW plaatsgevonden.
Grief 5: Uitkeringen onrechtmatig jegens [bedrijf 1] en gezamenlijke schuldeisers?
Met de aflossing van agio werd aldus een lastenverlaging voor [bedrijf 1] beoogd en bewerkstelligd. Verder hebben Geïntimeerden erop gewezen dat de inkoop van eigen aandelen volledig werd gefinancierd met een (achtergestelde) lening die HRG aan [bedrijf 1] heeft verstrekt. Deze lening was achtergesteld bij de vordering van Rabobank en kon pas worden afgelost indien de bank volledig was voldaan en er voldoende vrije liquide middelen waren om aflossingen te doen. Ten tijde van het faillissement was op deze lening nog niets afgelost, zodat van nadelige gevolgen voor de continuïteit van [bedrijf 1] of de schuldeisers van [bedrijf 1] geen sprake was. Door de curator zijn de hiervoor geschetste, door Geïntimeerden aangevoerde omstandigheden niet (voldoende) weersproken, zodat ook het hof hiervan uitgaat.
Tegen deze achtergrond is niet aannemelijk geworden dat de aandeelhouders ten tijde van de bestreden uitkeringen in 2010 en 2011 wisten of behoorden te begrijpen dat als gevolg van de uitkeringen de schuldeisers van [bedrijf 1] zouden worden benadeeld omdat zij niet meer (volledig) zouden kunnen worden voldaan. Dat de aandeelhouders bij de besluitvorming omtrent die uitkeringen te goeder trouw handelden, blijkt reeds uit het feit dat zij daarvoor afgegaan zijn op de door het bestuur van [bedrijf 1] opgestelde en door [de externe accountant] , de externe accountant van [bedrijf 1] , van een goedkeurende verklaring voorziene jaarrekeningen van de vennootschap, waaruit – zoals hiervoor is overwogen – voldoende uitkeringsruimte voor de betreffende uitkeringen bleek.
De door de curator aangevoerde omstandigheden (voor zover al relevant omdat zij ook zien op feiten na de laatst gedane uitkering in juni 2011) kunnen – mede gelet op de gemotiveerde betwisting van Geïntimeerden – niet tot een andersluidende conclusie leiden. Dit geldt temeer nu de laatste uitkering heeft plaatsgevonden in juni 2011 en [bedrijf 1] pas in maart 2014 failleerde (twee jaar en acht maanden later). Dat het faillissement van [bedrijf 1] voor de individuele aandeelhouders ten tijde van de uitkeringen voorzienbaar was, is niet gesteld of gebleken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat HRG en BBC na de bestreden uitkeringen nog aanvullende agiostortingen hebben gedaan ten bedrage van € 6.500.000, hetgeen niet logisch te verklaren zou zijn indien de aandeelhouders wisten dat een insolventieprocedure van [bedrijf 1] aanstaande was.
Het door de curator gemaakte verwijt aan ieder van de aandeelhouders ontbeert dan ook een deugdelijke grond.
Grief 6: Onrechtmatig handelen BBC Management en [geïntimeerde 5] ?
Conclusie en proceskosten 38. De slotsom is dat het hoger beroep faalt en het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van ieder van (i) HRG, (ii) Ankervast en (iii) BBC Management en [geïntimeerde 5] tot op heden begroot op € 17.887,-, bestaande uit griffierecht ter hoogte van € 772,- en salariskosten advocaat ter hoogte van € 17.115,- (3 punten à € 5.705,- (tarief VIII)).
Beslissing Het hof: bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2020, gewezen tussen de curator als eiser en geïntimeerden als gedaagden; veroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van HRG tot op heden begroot op € 17.887,- en bepaalt dat dit bedrag binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen; veroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Ankervast tot op heden begroot op € 17.887,- en bepaalt dat dit bedrag binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen; veroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van BBC Management en [geïntimeerde 5] tot op heden begroot op € 17.887,- en bepaalt dat dit bedrag binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. de Heer, F.J. Verbeek en A.J. Berends en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2022 in aanwezigheid van de griffier.