GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht zaaknummer : 200.238.920/01 zaaknummer rechtbank : C/09/520035 rekestnummer rechtbank : FA RK 16-7840 beschikking van de meervoudige kamer van 20 juli 2022 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. P. Vellekoop te Honselersdijk, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. A.A.M. Zeeman te Voorburg. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De man is op 9 mei 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De vrouw heeft op 19 juni 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.3 De man heeft op 30 augustus 2018 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.4 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: een journaalbericht van 11 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; van de zijde van de vrouw: een journaalbericht van 9 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum. 2.5 De mondelinge behandeling heeft op 12 oktober 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 2.6 Nadien heeft de advocaat van de man bij journaalbericht van 16 november 2018 het hof het volgende bericht: “Partijen gaan in mediation bij mevrouw [naam] en verzoeken om aanhouding van de procedure/beschikking van uw hof. Verder kiezen partijen voor prorogatie van de procedure bij de rechtbank die aldaar bekend is onder nummer C/09/554424, een en ander voor het geval de mediation niet tot overeenstemming leidt.” 2.7 Het hof heeft vervolgens meerdere malen op verzoek van partijen de behandeling van de zaak pro forma aangehouden in afwachting van de resultaten van de mediation. 2.8 Op het laatstelijk door partijen ingediende verzoek om pro forma aanhouding van de zaak voor de duur van drie maanden in afwachting van een minnelijke regeling (van de zijde van de man ingediend bij journaalbericht van 11 oktober 2021 en van de zijde van de vrouw ingediend op diezelfde datum), heeft het hof bij brief van 29 oktober 2021 negatief beslist. Het hof heeft partijen verzocht om binnen 14 dagen recente financiële gegevens over te leggen alsmede verhinderdata voor de komende maanden, zodat het hof een nieuwe mondelinge behandeling kan bepalen. 2.9 Naar aanleiding van de verhinderdata van partijen is de voortgezette mondelinge behandeling bepaald op 17 februari 2022. 2.10 Vervolgens zijn bij het hof ingekomen: van de zijde van de man: - een journaalbericht van 7 februari 2022 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; van de zijde van de vrouw: - een journaalbericht van 12 november 2021 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; - een journaalbericht van 7 februari 2022 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; - een journaalbericht van 8 februari 2022 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum. 2.11 Voorafgaand aan de geplande voortgezette mondelinge behandeling van 17 februari 2022 heeft het hof per e-mailbericht van 11 februari 2022 het volgende aan partijen bericht: “Geachte heer, mevrouw, Op 17 februari vindt de voortzetting van de mondelinge behandeling in bovengemelde zaak plaats. In het kader van de plicht van het hof ter bewaking van de voortgang van de procedure heeft het hof deze mondelinge behandeling gepland. Voorafgaand daaraan zou het hof graag schriftelijk op de hoogte worden gesteld over de huidige stand van zaken met betrekking tot nog tussen partijen bestaande geschilpunten. Ter zitting wenst het hof te bespreken: de eventuele mogelijkheid van onderlinge overeenstemming over deze geschilpunten onder regie van het hof; zonodig een bespreking van de financiële positie van partijen en de toedeling van de voormalige echtelijke woning (peildatum waardering, waarde woning, mogelijkheden financiering).” 2.12 De geplande mondelinge behandeling van 17 februari 2022 heeft wegens omstandigheden aan de zijde van het hof gelegen niet kunnen plaatsvinden. 2.13 Vervolgens is de voortgezette mondelinge behandeling bepaald op 22 april 2022. 2.14 Van de zijde van de man is nog ingekomen: - een journaalbericht van 11 april 2022 met bijlagen, ingekomen op 12 april 2022; - een journaalbericht van 21 april 2022 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; - een journaalbericht van 21 april 2022 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum. Van de zijde van de vrouw is nog ingekomen: - een e-mailbericht van 14 april 2022, ingekomen op diezelfde datum; - op 21 april 2022 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen. 2.15 De mondelinge behandeling is vervolgens op 22 april 2022 voortgezet. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De advocaat van de man heeft pleitnotities overgelegd. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2 Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2008 te [plaats] in de wettelijke gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. 3.3 Bij beschikking van 29 oktober 2015 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Verder zijn partijen, uitvoerbaar bij voorraad, bevolen over te gaan tot verdeling van hun huwelijksgemeenschap. 3.4 De echtscheidingsbeschikking is op 11 maart 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4De omvang van het geschil Procedure partneralimentatie 4.1 Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 14 oktober 2016, heeft de vrouw verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man met ingang van 1 juli 2016, dan wel per een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, een bijdrage zal leveren in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 1.882,- netto per maand. 4.2 De man heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd. 4.3 Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man met ingang van 1 november 2016 bepaald op € 871,- per maand. Het meer of anders verzochte is afgewezen. 4.4 In hoger beroep verzoekt de man bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de vrouw af te wijzen. 4.5. De vrouw verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, althans het hoger beroep van de man ongegrond te verklaren. In incidenteel appel verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het door de vrouw meer of anders verzochte daarin is afgewezen en, opnieuw rechtdoende, de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 november 2016 vast te stellen op € 1.951,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met veroordeling van de man in de kosten van het geding zowel in het principaal als in het incidenteel appel. Bij brief van 21 april 2022 heeft de vrouw haar incidenteel appel aldus gewijzigd dat zij thans verzoekt dat het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover het door de vrouw meer of anders verzochte daarin is afgewezen en, opnieuw rechtdoende, de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 november 2016 tot 1 januari 2018 vast te stellen op minimaal € 1.951,- per maand, en met ingang van 1 januari 2018 vast te stellen op minimaal € 3.749,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met veroordeling van de man in de kosten van het geding zowel in het principaal als in het incidenteel appel. 4.6 De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel appel van de vrouw ongegrond te verklaren. Procedure verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap (voor zover hier van belang) 4.7 Uit het proces-verbaal van 4 januari 2018 van de mondelinge behandeling van de rechtbank Den Haag (productie 40 bij het journaalbericht van 7 februari 2022 zijdens de vrouw) blijkt dat partijen ter beëindiging van hun geschil inzake de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap een overeenkomst hebben gesloten en dat de rechtbank de verdelingszaak per die datum heeft doorgehaald. 4.8 Vervolgens heeft de vrouw de rechtbank op 23 mei 2018 verzocht de doorgehaalde zaak opnieuw op te brengen (productie 41 bij het journaalbericht van 7 februari 2022 zijdens de vrouw). De man heeft zich daarmee bij e-mailbericht van 1 juni 2018 aan de rechtbank akkoord verklaard en verzocht om voortzetting van de comparitie van partijen (productie 42 bij het journaalbericht van 7 februari 2022 zijdens de vrouw). 4.9 In hoger beroep stelt de vrouw dat partijen zijn overeengekomen de verdelingskwestie per prorogatie aan het hof voor te leggen. 4.10 De man heeft in hoger beroep bij voormeld journaalbericht van 11 april 2022 als productie 32 nog een ter zitting in kort geding op 31 maart 2022 tussen partijen gesloten overeenkomst inzake de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap overgelegd. 5De motivering van de beslissing Procesrechtelijk 5.1 De vrouw heeft het hof bij brief 7 februari 2021 meegedeeld dat partijen zijn overeengekomen dat de verdelingskwestie door middel van prorogatie eveneens aan het hof zal worden voorgelegd en gezamenlijk met de alimentatiezaak zal worden behandeld, gelet op de grote verwevenheid tussen beide zaken. 5.2 Het hof overweegt ten aanzien van de prorogatie inzake de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen als volgt. Op grond van artikel 329 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kunnen partijen in alle voor hoger beroep bij het gerechtshof vatbare geschillen over zaken die ter vrije bepaling van de partijen staan, overeenkomen die geschillen bij de aanvang van het geding dadelijk ter kennis te brengen van het gerechtshof dat in hoger beroep bevoegd zou zijn. 5.3 Echter, zoals het hof ter terechtzitting met de advocaten van partijen heeft besproken en ook door de advocaten van partijen is erkend, betreft de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen een zaak die met een dagvaarding moet worden ingeleid. Nu partijen de verdelingszaak niet op de juiste wijze conform artikel 3.6 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven hebben aangebracht, kan het hof daarover niet bij wijze van prorogatie een beslissing nemen. 5.4 Daarbij komt dat partijen ook niet concreet hebben aangegeven wat hun vordering is wat de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap betreft. Evenmin is duidelijk of ter zake nog procedures bij de rechtbank lopen. Het hof zal partijen dan ook niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen voor zover die zien op de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. 5.5 Gelet op het vorenstaande ligt in dit hoger beroep enkel de partneralimentatie ter beoordeling voor. De vrouw heeft haar verzoek inzake de partneralimentatie bij brief van 21 april 2022 in hoger beroep nog gewijzigd. Nu de man geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze wijziging, zal het hof uitgaan van het gewijzigde verzoek van de vrouw. Partneralimentatie Behoefte van de vrouw 5.6. Geen van partijen heeft een grief gericht tegen de door de rechtbank volgens de Hofnorm bepaalde behoefte van € 3.282,- netto per maand en aanvullende behoefte van € 1.882,- netto per maand van de vrouw. Volgens de vrouw bedraagt haar geïndexeerde behoefte thans € 3.601,- netto per maand en haar aanvullende behoefte € 1.970,- netto/€ 3.749,- bruto per maand (wijziging incidenteel hoger beroep van 21 april 2022, randnummer 4). Nu de man de door de vrouw gestelde behoefte en aanvullende behoefte niet heeft weersproken, neemt het hof deze tot uitgangspunt. Fiscaal aspect alimentatie 5.7 Het hof wijst beide partijen erop dat in fiscale zin de alimentatieplichtige slechts de alimentatie in mindering kan brengen op zijn belastbaar inkomen wanneer de verplichting in het betreffende belastingjaar ook daadwerkelijk op zijn inkomen heeft gedrukt, bij de alimentatiegerechtigde wordt de alimentatie belast in het jaar dat zij de alimentatie feitelijk heeft ontvangen. Draagkracht van de man met ingang van 1 november 2016 tot 1 januari 2018 5.8 De man exploiteerde tot 1 januari 2022 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De man was dus tot 1 januari 2022 IB-ondernemer. Het inkomen dat de man aldus genereert, is winst uit onderneming. 5.9 Partijen en de rechtbank zijn ter bepaling van de draagkracht van de man uitgegaan van de gemiddelde winst berekend over drie jaar. De rechtbank is uitgegaan van de jaren 2014 tot en met 2016. De vrouw wenst eveneens uit te gaan van de jaren 2014 tot en met 2016. De man wenst uit te gaan van de jaren 2015, 2016 en 2017. Qua systematiek hanteren beide partijen hetzelfde systeem, het verschil bestaat slechts daaruit dat: de man van andere jaren uitgaat; de vrouw de cijfers van de man ter discussie stelt. Het hof begrijpt dat de vrouw de door de man gepresenteerde cijfers niet betrouwbaar vindt. 5.10 In bovenvermelde periode is slechts aan de orde het inkomen dat de man genereerde uit zijn eenmanszaak, dus winst uit onderneming. 5.11 De man wenst zijn gemiddelde winst te baseren op de jaren 2015, 2016 en 2017. Hij komt dan uit op een bedrag van € 29.794,-. 5.12 De vrouw wenst dat de gemiddelde winst wordt gebaseerd op de jaren 2014, 2015 en 2016. Voorts wenst de vrouw dat rekening wordt gehouden met de kasstroom die de man met zijn onderneming genereert. Ook volgt uit het betoog van de vrouw dat de door de man aangeleverde financiële gegevens niet betrouwbaar zijn. De cijfers uit de jaarstukken dienen op de door haar in het incidenteel appel aangegeven wijze te worden gecorrigeerd. 5.13 Het hof stelt vast dat de jaarstukken van de man zijn samengesteld door een accountant, in overeenstemming met de voor accountants geldende standaard 4410. Deze strekt er toe om in overeenstemming met de in deze standaard opgenomen vereisten te rapporteren over de administratieve en financiële verslaglegging, zodat de jaarrekeningen dienen te voldoen aan de in Nederland aanvaarde grondslagen voor de financiële verslaglegging. Gelet hierop gaat het hof in beginsel uit van de juistheid van de jaarstukken. 5.14 De vrouw geeft in randnummer 3.3. van haar verweerschrift tevens incidenteel appel aan dat de man inzage dient te geven in de kasstromen. De vrouw geeft echter niet aan welke kasstroom zij bedoelt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.