Rolnummer: 22-000655-21 Parketnummer: 10-325982-20 Datum uitspraak: 3 augustus 2022 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2021, voor zover daarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, adres: [adres]. ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging. De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging 1.hij in of omstreeks de periode van 25 maart 2020 tot en met 17 juni 2020 te Rotterdam, althans in Nederland opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 893 hennepplanten, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2.hij in of omstreeks de periode van 25 maart 2020 tot en met 17 juni 2020 te Rotterdam, althans in Nederland een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Stedin Netbeheer B.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging, kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging Standpunt van de advocaat-generaal Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich, overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde requisitoir, op het standpunt gesteld dat de politierechter het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de strafvervolging. Daartoe is aangevoerd, kort weergegeven, dat geen sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel, nu er geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft, overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota, aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe is aangevoerd, kort weergegeven, dat door de combinatie van het strafrechtelijk vervolgen van de onderhavige feiten en de opgelegde bestuurlijke boete wegens het onttrekken van de woning aan de bestemming tot bewoning, in strijd is gehandeld met het ne bis in idem beginsel. De raadsvrouw heeft desgevraagd verzocht om de zaak terug te wijzen naar de rechter die het vonnis waarvan beroep heeft gewezen, indien het hof zal oordelen dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging. Oordeel van het hof Voor de verhouding tussen bestuurlijke boeten en strafrechtelijke sancties dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van de Hoge Raad over de toepassing van artikel 68 Sr, zoals hieronder nader weergegeven. Bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’, moet de rechter in de situatie waarop artikel 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten vergelijken. Bij die toetsing moeten de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken. (A) De juridische aard van de feiten. Als de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.