GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.294.849/01 Arrest van 13 september 2022 in de zaak van: Brodogradevna Industrija Split, Dionicko Drustvo, gevestigd Split, Kroatië, eiseres, advocaat: mr. E.C.G. Klinkhamer te Rotterdam, tegen: Star Clippers Ltd., gevestigd te Nassau, Bahama’s, gedaagde, advocaat: mr. T.S.T.C. Flapper te Amsterdam. Partijen zullen hierna Brodosplit en Star Clippers worden genoemd. 1De zaak in het kort 1.1 In deze procedure vordert Brodosplit vernietiging van arbitrale vonnissen omdat deze volgens haar in strijd zijn met de openbare orde. Volgens haar heeft het scheidsgerecht ten onrechte het Nederlands conflictenrecht niet toegepast. Het hof verwerpt dit betoog: het scheidsgerecht was helemaal niet gehouden om het Nederlands conflictenrecht toe te passen (artikel 1054 lid 2 Rv), terwijl bovendien de door Brodosplit ingeroepen regels van Nederlands conflictenrecht niet van openbare orde zijn. Overigens heeft Brodosplit onvoldoende onderbouwing gegeven aan haar stelling dat het scheidsgerecht (mede) ander recht had moeten toepassen dan het heeft gedaan. 1.2 Brodosplit voert ook nog aan dat het scheidsgerecht een essentiële stelling van haar onbesproken heeft gelaten, waardoor het zich niet aan de opdracht heeft gehouden en het eindvonnis niet met redenen is omkleed. Ook dit betoog verwerpt het hof: de volgens Brodosplit essentiële stelling was irrelevant binnen de beoordeling van het scheidsgerecht, en deze beoordeling heeft Brodosplit in deze procedure niet concreet aangevallen. 2Procesverloop 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 17 mei 2021 de akte overlegging producties, met producties 1-11 van Brodosplit de conclusie van antwoord, met productie 1 de conclusie van repliek, met productie 12 de conclusie van dupliek het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 juli 2022, de daarbij door Brodosplit overgelegde akte met productie, en de daarbij voorgedragen pleitnota’s. 2.2 Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen hebben niet binnen de daarvoor de gestelde termijn opmerkingen hierover gemaakt. Het hof heeft nader bepaald dat heden arrest wordt gewezen. 3Feitelijke achtergrond 3.1 Bij overeenkomst van 2 oktober 2014 (hierna: de overeenkomst) heeft Star Clippers Brodosplit opdracht gegeven voor de bouw van een schip (hierna: het schip). In de overeenkomst is een keuze gemaakt voor toepasselijkheid van Nederlands recht (“This Contract shall be governed by and shall be construed in accordance with the laws of The Netherlands.”). 3.2 Vanwege vertraging in de bouw heeft Star Clippers bij brief van 29 maart 2019 beëindiging (termination) van de overeenkomst ingeroepen. 3.3 Vanwege door haar gestelde aanspraken uit hoofde van de overeenkomst heeft Brodosplit ten laste van Star Clippers bewarende beslagen doen leggen op bankrekeningen van Star Clippers in Nederland. Brodosplit heeft daarnaast toestemming gekregen van een Franse rechtbank voor het leggen van bewarend beslag (in Frankrijk) op de Royal Clipper, een (ander) schip van Star Clippers. Op verzoek van Brodosplit heeft op 19 juli 2019 een Franse deurwaarder zich gemeld bij de Royal Clipper, die op dat moment lag afgemeerd in Saint-Tropez (Frankrijk), teneinde deze in beslag nemen. 3.4 In een daaropvolgende in Rotterdam gevoerde arbitrageprocedure tussen partijen (hierna: de arbitrage) heeft het scheidsgerecht, voor zover van belang, bij tussenvonnissen van 28 oktober 2019 en 30 januari 2020 (hierna: de tussenvonnissen) bij wege van voorlopige voorzieningen aan Brodosplit verboden om het schip te bezwaren of te vervreemden. Bij eindvonnis van 15 februari 2021 (hierna: het eindvonnis) heeft het scheidsgerecht, voor zover van belang, alle vorderingen van Brodosplit tegen Star Clippers afgewezen, Brodosplit veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan Star Clippers wegens de gelegde bankbeslagen en het geïnitieerde (attempted) scheepsbeslag (hiervoor, 3.3), en Brodosplit op verbeurte van een dwangsom verboden om, samengevat, het ontwerp en de specificaties van het schip aan derden ter beschikking te stellen of zelf nog een schip conform dat ontwerp en die specificaties te bouwen. Aan deze beslissingen legde het scheidsgerecht mede het oordeel ten grondslag dat Brodosplit een niet-geoorloofde vertraging had opgelopen in de bouw van het schip en dat Star Clippers daarom de overeenkomst rechtsgeldig had beëindigd (hiervoor, 3.2). 4De vordering en het verweer 4.1 Brodosplit vordert vernietiging van de tussenvonnissen en het eindvonnis. 4.2 Aan deze vordering legt zij het volgende ten grondslag: de tussenvonnissen en het eindvonnis zijn in strijd zijn met de openbare orde (artikel 1065 lid 1 sub e Rv) (hierna, i-ii); bij het eindvonnis heeft het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht gehouden (artikel 1065 lid 1 sub c Rv) en het eindvonnis is niet met redenen omkleed (artikel 1065 lid 1 sub d Rv) (hierna, iii):i. Het scheidsgerecht heeft nagelaten om op grond van artikel 10:2 BW in verbinding met artikel 3 lid 3 Rome I de vorderingen en verweren uit hoofde van de overeenkomst mede te beoordelen naar Kroatisch dwingend recht. Artikel 10:2 BW houdt in dat regels van internationaal privaatrecht ambtshalve worden toegepast. Artikel 3 lid 3 Rome I houdt voor het geval van een rechtskeuze in het kader van een overeenkomst in dat als alle overige op het tijdstip van die keuze bestaande aanknopingspunten zich bevinden in een ander land dan het land waarvan het recht is gekozen, deze keuze de rechtsregels van dat andere land waarvan niet bij overeenkomst mag worden afgeweken (dwingend recht) onverlet laat. Alle aanknopingspunten met betrekking tot de overeenkomst liggen in feite in Kroatië. Zo is het schip in Kroatië gebouwd, zijn de betalingen door Star Clippers in Kroatië gedaan en heeft Brodosplit in Kroatië zekerheid gesteld voor de eerste vier termijnbetalingen door middel van een bankgarantie. Met inachtneming van Kroatisch dwingend recht zou het scheidsgerecht in zijn eindvonnis niet tot het oordeel zijn gekomen dat Star Clippers rechtsgeldig beëindiging van de overeenkomst heeft ingeroepen, en zou het geen dwangsom hebben verbonden aan het door hem aan Brodosplit opgelegde verbod met betrekking tot het ontwerp en de specificaties van het schip. Als het scheidsgerecht de regels van internationaal privaatrecht juist zou hebben toegepast, en dus rekening zou hebben gehouden met dwingendrechtelijke regels van Kroatisch recht, dan zouden ook de uitkomsten van de tussenvonnissen anders zijn geweest. ii. Het scheidsgerecht heeft de vordering van Star Clippers tot schadevergoeding vanwege het geïnitieerde scheepsbeslag in Frankrijk ten onrechte beoordeeld naar Frans recht; het had op grond van artikel 10:2 BW in verbinding met artikel 4 Rome II Nederlands recht of Kroatisch moeten toepassen. Naar Nederlands recht en/of Kroatisch recht zou het scheidsgerecht de vordering hebben afgewezen.iii. Het scheidsgerecht heeft geen acht geslagen op een essentiële stelling van Brodosplit, te weten het door haar gedane beroep op de door haar in de arbitrage ingebrachte productie B-92 en de door haar daaraan verbonden rechtsgevolgen. Het gaat om een rapport van een door het commercial court van Split aangewezen beëdigde deskundige, dat tot de conclusie komt dat de door Star Clippers ten behoeve van het schip aan te leveren masten en tuigage niet gereed waren om te worden geïnstalleerd. Er was daarom sprake van een toegelaten vertraging (permissible delay) aan de zijde van Brodosplit. Met inachtneming van deze (onderbouwde) stelling zou het scheidsgerecht niet tot de conclusie zijn komen dat Star Clippers de overeenkomst rechtsgeldig had opgezegd: dit geldt naar Kroatisch recht zowel als naar Nederlands recht. 4.3 Star Clippers betwist de vordering met onder meer de volgende argumenten:Ad i-ii (openbare orde)a. Het scheidsgerecht was helemaal niet gehouden om (Nederlands) conflictenrecht toe te passen. Op grond van artikel 1054 lid 2 Rv was het verplicht om een materiële rechtskeuze van partijen te respecteren, voor zover van toepassing (te weten: Nederlands recht voor de overeenkomst), en verder diende het te beslissen “volgens de regelen des rechts die het in aanmerking acht te komen”. Daarmee is bedoeld – volgens de parlementaire geschiedenis van (de voorloper van) deze bepaling en diverse juridische literatuur – dat het scheidsgerecht het toepasselijke recht bepaalt zonder gebonden te zijn aan het (Nederlands) conflictenrecht (de zogenaamde voie directe).b. De door Brodosplit aangehaalde regels van (Nederlands) conflictenrecht zijn niet van openbare orde; schending daarvan in arbitrage levert dan ook geen strijd op met de openbare orde.c. De door Brodosplit aangehaalde regels van Nederlands conflictenrecht kwamen in dit geval niet voor toepassing in aanmerking.- Wat betreft het op de overeenkomst toepasselijke recht: er was geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 3 lid 3 Rome I, te weten dat alle overige op het tijdstip van de keuze bestaande aanknopingspunten zich bevinden in een ander land dan het land waarvan het recht is gekozen. Er zijn namelijk aanknopingspunten met andere landen dan Kroatië:* partijen zijn gevestigd in verschillende jurisdicties;* Brodosplit heeft zekerheid doen stellen door een Oostenrijkse bank, niet in Kroatië;* het schip zou geregistreerd worden in Malta en varen onder Maltese vlag;* de indirect aandeelhouder van Star Clippers heeft Zweedse nationaliteit en woont in Monaco;* onderhandelingen over het contract hebben buiten Kroatië plaatsgevonden, ondertekening was in Hamburg.- Wat betreft het op het geïnitieerde scheepsbeslag in Frankrijk toepasselijke recht: het scheidsgerecht hééft, ten overvloede, het Nederlands conflictenrecht toegepast en is daarbij terecht uitgekomen, via het Beslagverdrag (artikel 6), bij Frans recht. Toepassing van Rome II zou niet tot een andere uitkomst hebben geleid: partijen waren het er in de arbitrage met elkaar over eens dat Frans recht van toepassing was en dat moet worden uitgelegd als een keuze voor Frans recht (artikel 14 lid 1 Rome II). Afgezien daarvan zou niet de uitzondering van artikel 4 lid 3 Rome II maar de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Rome II het toepasselijk recht aanwijzen: het recht van het land waar de schade zich heeft voorgedaan. Dit was in dit geval Frankrijk. Brodosplit heeft in de arbitrage geen beroep gedaan op artikel 4 lid 3 Rome II, laat staan aannemelijk gemaakt dat deze uitzonderingsregel in dit geval toepassing claimde omdat een nauwere band met Nederland (of Kroatië) bestond.Ad iii (opdracht, motivering)d. Het scheidsgerecht heeft in het eindvonnis
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.