GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.274.607/01 Rolnummer rechtbank : 7854497 CV EXPL 19-27452 arrest van 6 september 2022 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. R.F. [appellant] te Schiedam, tegen Stichting STC-Group, handelend onder de naam Scheepvaart en Transport College, gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: STC, advocaat: mr. J.C. Brökling te Rotterdam. 1Waar deze zaak over gaat De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt niet verlengd. Volgens de werkgever heeft de werknemer niet voldaan aan de toelatingseisen voor het volgen van een PDG-opleiding waarmee hij als zij-instromer zijn lesbevoegdheid kan behalen. Volgens de werknemer is er sprake van wanprestatie omdat de werkgever hem niet heeft gecoacht en hem niet heeft gefaciliteerd in tijd en budget, wat hem belet heeft in de succesvolle afronding van de opleiding. Ook vindt de werknemer dat de werkgever ten onrechte als eis heeft gesteld dat de werknemer 50 punten moest halen op een capaciteitentest voor een PDG-opleiding. De werknemer houdt de werkgever aansprakelijk voor de schade die hij daardoor lijdt. 2Het procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de appeldagvaarding van 10 februari 2020, waarbij [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter Rotterdam van 17 januari 2020 (hierna: het vonnis); het arrest van 24 maart 2020, waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast. Deze mondelinge behandeling is niet doorgegaan; de memorie van grieven houdende twee producties en een wijziging van eis; e memorie van antwoord, met producties; de ingekorte akte houdende nova en producties en vermeerdering van grief c.q. grond, met 1 productie van [appellant] ; de antwoordakte van STC. 2.2 Ten slotte is arrest gevraagd. 3De feiten 3.1 De kantonrechter heeft in het vonnis onder 2 (2.1 t/m 2.8) een aantal feiten vermeld. Deze feiten dienen ook in hoger beroep tot uitgangspunt. Zij worden voor zover relevant aangevuld met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan. 3.2 STC is een onderwijs- en kennisinstelling voor scheepvaart, transport en havenindustrie. STC verzorgt onder andere middelbare beroepsopleidingen. 3.3 [appellant] , geboren op [geboortedatum] , is op [dag] 2017 voltijds in dienst getreden bij STC in de functie van docent LB op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar tegen een bruto salaris van € 4.019,- per maand. De CAO MBO 2016-2017 (de cao) is op de arbeidsovereenkomst van toepassing. 3.4 [appellant] is een zogenoemde zij-instromer. Hij beschikte bij indiensttreding bij STC noch over een afgeronde HBO-lerarenopleiding, noch over een Pedagogisch Didactisch Getuigschrift (PDG). In de aanstellingsbrief van 21 april 2017 heeft STC daarover geschreven: “(…) Zoals met u besproken dient u zo snel mogelijk een HBO Bachelor Pedagogiek tweedegraads te gaan volgen. Indien u niet wordt toegelaten zal uw contract van[uit] rechtswege beëindigd worden”. 3.5 Partijen zijn in september 2017 een scholingsovereenkomst overeengekomen. In deze overeenkomst was afgesproken dat [appellant] de HBO-lerarenopleiding 2e graad Omgangskunde zou gaan volgen, waarvoor STC de studiekosten zou betalen. 3.6 [appellant] is in augustus 2017 met deze HBO-opleiding gestart. Hij is in maart 2018 tussentijds met de opleiding gestopt. Hij heeft de propedeuse niet gehaald. 3.7 STC heeft per brief van 30 april 2018 de arbeidsovereenkomst met [appellant] voor één jaar, tot [dag] 2019, verlengd. 3.8 In verband met het afbreken van de HBO-lerarenopleiding hebben partijen gesproken over het behalen door [appellant] van een PDG. Voor toelating tot de PDG-opleiding is ingevolge het toepasselijke Landelijk Raamwerk Pedagogisch Didactisch Getuigschrift (het Raamwerk) vereist dat de deelnemer aantoont dat hij beschikt over een HBO-werk- en denkniveau. Bij gebreke van een HBO-bachelor diploma, kan dit door het afleggen van een capaciteitentest. Deze test moet aan de eisen van de Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN) van het NIP (Nederlands Instituut van Psychologen) voldoen. Indien uit de capaciteitentest blijkt dat de zij-instromer beschikt over een HBO-werk- en denkniveau, en aan de overige voorwaarden is voldaan, verstrekt STC een geschiktheidsverklaring die vereist is voor de aanmelding voor de PDG-opleiding bij Fontys. 3.9 In een e-mail van 7 september 2018 heeft [leidinggevende] (hierna: [leidinggevende] ),de (nieuwe) leidinggevende van [appellant] , aan de afdeling HRM van STC geschreven: “Dhr [appellant] is in januari gestopt met de HBO opleiding omgangskunde in overleg met zijn toenmalige leidinggevende [… 1] en [… 2] . De afspraak is dat hij dit jaar zou starten met de PDG opleiding. Echter nu blijkt dit niet te zijn doorgevoerd en is dhr [appellant] niet aangemeld voor de intake. Als nieuwe leidinggevende van dhr [appellant] wil ik jullie vragen dit alsnog in gang te zetten”. 3.10 [appellant] heeft op 9 oktober 2018 een capaciteitentest, in de vorm van een Connector Ability+ test, bij PiCompany afgelegd en een score van 48 punten behaald. [appellant] heeft hierover in een e-mail aan STC van 31 oktober 2018 het volgende geschreven: “(…). Ik weet inmiddels wat er fout is gegaan met de assessment. (…). Ik doe de test wel over; nu ik weet wat er fout ging, denk ik dat het geen probleem meer zal worden. (…)” 3.11 Op 13 november 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [leidinggevende] (tevens onderwijsmanager), [adviseur HR] (adviseur HR) en [appellant] . Van dit gesprek is een verslag opgemaakt, dat alleen door [leidinggevende] is ondertekend. Hierin staat, voor zover relevant, het volgende: “(…). Op de vraag van [adviseur HR] of [appellant] [hof: [appellant] ] coaching heeft, geeft hij aan van niet. We willen met [appellant] afspraken maken over zijn functioneren, maar daar ook passende coaching bij aanbieden. [appellant] geeft aan daarvoor open te staan. [adviseur HR] zal op zoek gaan naar een passende coach. Natuurlijk staat of valt het vervolgen van [appellant] in zijn functie met het behalen van het assessment voor de opleiding PDG. [appellant] mag maandagochtend 19-11-18 het assessment herkansen. Zonder het behalen van het assessment kan [appellant] niet deelnemen aan de opleiding. Dat heeft dan wel de consequentie dat we niet met [appellant] verder kunnen in de functie van docent. (…)” 3.12 In november 2018 heeft [appellant] de Connector Ability+ test voor een tweede keer gemaakt. Dit keer heeft hij een score van 47 punten behaald. 3.13 Op 4 december 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] en de directie van STC waarin aan [appellant] is meegedeeld dat zijn contract niet wordt verlengd. 3.14 De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op [dag] 2019 van rechtswege geëindigd. 4De procedure bij de kantonrechter 4.1 In de procedure bij de kantonrechter heeft [appellant] een verklaring voor recht gevorderd dat STC aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden en nog te lijden materiële schade, als gevolg van de tekortkoming in de nakoming zoals bedoeld in artikel 6:74 BW, alsmede te bepalen dat de schade nader wordt opgemaakt bij staat en vereffend wordt volgens de wet, met veroordeling van STC in de proceskosten. STC heeft verweer gevoerd. 4.2 De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten. 5Het hoger beroep 5.1 In hoger beroep vordert [appellant] het vonnis te vernietigen, en – kort gezegd – zijn vordering van de eerste aanleg alsnog toe te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep. 5.2 STC heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep. 6De beoordeling van het hoger beroep 6.1 [appellant] heeft 21 grieven tegen het vonnis aangevoerd, waarbij iedere grief uit een of meer onderdelen is opgebouwd. Met de grieven betoogt [appellant] , kort gezegd, dat zijn vordering alsnog moet worden toegewezen. Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk per onderwerp behandelen. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat STC hem niet heeft gecoacht en niet heeft gefaciliteerd, in tijd en budget, conform artikel 4.2 lid 1 van de cao en het Raamwerk. STC heeft [appellant] verder actief belet de vereiste PDG-opleiding c.q. de HBO-lerarenopleiding voort te zetten. STC had het behalen van een score van 50 punten op de af te leggen capaciteitentest niet als toelatingseis voor de PDG-opleiding mogen stellen. In hoger beroep heeft [appellant] in dat verband nog aangevoerd dat hij op die capaciteitentest tot twee keer toe als resultaat heeft behaald: “UW SCORE │ NIVEAU BACHELOR”. Dit betekent volgens hem dat STC heeft miskend dat [appellant] aantoonbaar voldeed aan de voorwaarde over een HBO-werk- en denkniveau te beschikken. Bij akte (zie onder 2.1.d.) heeft [appellant] ten slotte nog aangevoerd dat de Connector Ability+ test niet voldoet aan de criteria die het Raamwerk aan de capaciteitentest stelt. Door haar handelwijze heeft STC het hem onmogelijk gemaakt de opleiding met succes af te ronden waardoor de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ten onrechte niet is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, aldus [appellant] . Scholingstraject 6.2 Het hof overweegt als volgt. [appellant] heeft niet gegriefd tegen r.o. 5.2 en 5.3 van het vonnis. Ook het hof neemt daarom als uitgangspunt dat STC met [appellant] een arbeidsovereenkomst als docent is aangegaan, terwijl [appellant] nog niet voldeed aan de wettelijke bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 4.2.1. lid 2 sub b j˚ 4.2.3. WEB of artikel 33 lid 1 sub b j˚ 36 WVO. [appellant] moest daarom een HBO-lerarenopleiding volgen dan wel een opleiding gericht op het behalen van een PDG. Op grond van artikel 2.3a lid 2 cao moest STC daartoe met [appellant] een scholingstraject overeenkomen. Een studieplan – waarin coaching en facilitering in tijd en budget conform artikel 4.2 lid 1 cao is vastgelegd - maakt deel uit van zo’n scholingstraject. Coaching en facilitering 6.3 [appellant] stelt dat STC hem coaching dan wel (actievere) begeleiding had moeten aanbieden tijdens de HBO-lerarenopleiding op grond van artikel 4.2 lid 1 cao en ook op grond van het Raamwerk. Naar het oordeel van het hof volgt de verplichting tot de door [appellant] bedoelde coaching niet uit het door hem aangehaalde artikel uit de cao. Dit artikel ziet op het vergoeden van de kosten van de opleiding en het verlenen van betaald studieverlof. STC heeft [appellant] vrijgesteld in tijd, door hem vanaf het moment dat hij met de HBO-lerarenopleiding is begonnen, voor vierdagen in te roosteren zodat hij de vijfde dag aan de studie kon besteden. STC heeft hem deze dag ook doorbetaald. Deze faciliteit is ongewijzigd gebleven nadat hij in maart 2018 met de HBO-lerarenopleiding is gestopt en heeft zelfs voortgeduurd tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast heeft STC de kosten van de HBO-lerarenopleiding (collegegeld en boeken van in totaal € 2.017,-) op zich genomen. STC heeft daarmee [appellant] zowel in tijd als budget gefaciliteerd. 6.4 Verder blijkt niet dat de bepalingen inzake begeleiding en coaching van het Raamwerk, waar [appellant] zich op beroept (onder kopje 7. Leren op de werkplek), van toepassing zijn op de zij-instromer tijdens het volgen van de HBO-opleiding. Deze bepalingen verwijzen namelijk expliciet naar de PDG-opleiding: “De MBO-instelling zorgt ervoor dat de zij-instromer tijdens het volgen van de PDG-opleiding [cursivering hof] door een ervaren MBO-docent wordt begeleid. (…) De MBO-instelling stelt per zij-instromer tenminste 2 klokuren per week beschikbaar voor begeleiding en coaching gedurende het PDG-traject [cursivering hof]”. 6.5 STC heeft onweersproken gesteld dat er voor werknemers die een scholingstraject volgen, een onderwijsmanager voorhanden is die beschikbaar is voor vragen en begeleiding. Van [appellant] had dan ook verwacht mogen worden dat hij, indien hij (extra) behoefte had aan coaching ten aanzien van scholing, daarom gevraagd zou hebben. [appellant] heeft STC niet, althans naar het oordeel van het hof niet voldoende duidelijk, om coaching of begeleiding ten aanzien van zijn scholing verzocht of geklaagd over een gebrek aan begeleiding ten aanzien van de scholing gedurende de periode dat hij de HBO-lerarenopleiding volgde. In ieder geval blijkt dat niet uit zijn e-mail van 18 november 2017. Hoewel hij in die e-mail wel een aantal klachten uitte, schreef [appellant] juist dat het goed ging met de studie Omgangskunde, hetgeen geen aanleiding voor STC had hoeven zijn om extra coaching of begeleiding voor scholing aan te bieden. Tevens biedt de e-mail onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat [appellant] de HBO-lerarenopleiding niet heeft gehaald omdat hij te veel moest werken naast zijn studie, zeker tegen de achtergrond dat hij een volle dag betaald studieverlof per week genoot. [appellant] verwijt STC dat er geen separaat studieplan is opgesteld maar heeft onvoldoende onderbouwd dat hij met een uitgebreid(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.