← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2022:1770

datum beschikking: 1 september 2022 GERECHTSHOF DEN HAAG meervoudige raadkamer BESCHIKKING gegeven naar aanleiding van het hoger beroep in de zaak van de verdachte, genaamd: [verdachte] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) thans gedetineerd in PI Rijnmond – HvB De IJssel. Procesgang De rechtbank Rotterdam heeft in raadkamer bij beschikking van 7 juli 2022 de gevangenhouding van de verdachte bevolen voor de duur van 90 dagen. Blijkens de akte rechtsmiddel is op 7 juli 2022 namens de verdachte hoger beroep tegen die beslissing ingesteld. Het hof heeft dit hoger beroep op 1 september 2022 in raadkamer behandeld. In raadkamer zijn gehoord de verdachte, de advocaat mr. O. Saki en de advocaat-generaal mr. I.J.E.H.C. Degeling. Het hof heeft in raadkamer kennisgenomen van de beslissing waarvan beroep en van de stukken die betrekking hebben op de voorlopige hechtenis van de verdachte. In raadkamer is namens de verdachte bij gelegenheid van de behandeling van het hiervoor bedoelde hoger beroep tevens verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis. De beoordeling van het hoger beroep Namens de verdachte is primair betoogd dat het hoger beroep gegrond dient te worden verklaard omdat het niet binnen 30 dagen is behandeld, gelet op het arrest van het hof Den Bosch van 31 augustus 2022. Het hof stelt voorop dat er geen wettelijke bepaling is die dwingt tot het hanteren van een dergelijke termijn. Wel dient een appel zo spoedig mogelijk behandeld te worden. Wat hier ook van zij, de raadsvrouw heeft in een email van 29 juli 2022 zelf verzocht de zaak op 1 september 2022 te behandelen, aan welk verzoek is voldaan. Voorts is namens de verdachte aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de vordering gevangenhouding heeft toegewezen omdat de ernstige bezwaren ontbreken ten aanzien van de Opiumwetfeiten en omdat voor de voorlopige hechtenis een wettelijke grond ontbreekt. Het hof is op basis van het huidige dossier van oordeel dat de ernstige bezwaren ontbreken ten aanzien van feit 1 nu de verdachte geen beschikkingsmacht heeft gehad over de verdovende middelen die zich in de auto van de medeverdachte bevonden. Het hof is verder van oordeel dat de rechtbank op 7 juli 2022 op juiste wijze heeft beslist ten aanzien van de ernstige bezwaren voor de feiten 2 en 3 en de grond. Ook met de motivering die daaraan ten grondslag is gelegd kan het hof zich verenigen en het maakt deze tot de zijne. Het hof heeft daarbij mede acht geslagen op de omstandigheid dat het handelen van de verdachte lijkt te wijzen op een overdracht tussen de verdachte en de medeverdachte waarbij de verdachte het geld zou aanleveren en de medeverdachte de verdovende middelen. Daar waar grote hoeveelheden crimineel vermogen worden verdiend, bestaat vrijwel automatisch de noodzaak dit vermogen wit te wassen. Het vervoeren van deze geldbedragen is daarmee een onmisbare schakel voor de georganiseerde criminaliteit en is een vast bestanddeel van de handel in verdovende middelen. De lucratieve aard en de hiermee gepaarde noodzaak tot witwassen op grote schaal maakt dan ook dat herhaling van het plegen van dergelijke feiten in de rede ligt, waardoor het aannemelijk is dat verdachte dergelijke feiten in vrijheid zal voortzetten. De beoordeling van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis In raadkamer is namens de verdachte bij gelegenheid van de behandeling van het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank om schorsing van zijn voorlopige hechtenis verzocht. Daartoe is onder meer aangevoerd dat hij de zorg voor zijn (zieke) familie op zich wenst te nemen. Ten aanzien van dit verzoek overweegt het hof dat het belang van strafvordering bij het voortduren van de voorlopige hechtenis dient te prevaleren boven het belang van de verdachte bij schorsing van zijn voorlopige hechtenis, waarbij mede acht is geslagen op de ernst van de feiten. Dit brengt mee dat het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis moet worden afgewezen. Beslissing Het hof: Wijst het hoger beroep af. Wijst het verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte af. Deze beschikking is gegeven op 1 september 2022 door mr. G. Knobbout, voorzitter, mr. O.E.M. Leinarts en mr. J. Eisses, leden, in bijzijn van F. Abassi, griffier. Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier. ………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………… De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte. Den Haag, 1 september 2022 de advocaat-generaal

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.