PROMIS Rolnummer: 22-000160-21 Parketnummer: 09-235628-20 en 09-241009-20 Datum uitspraak: 7 februari 2022 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 januari 2021 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [plaats] op [datum] 1984, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten op de dagvaardingen 09-235628-20 en 09-241009-20 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest. Tevens is het inbeslaggenomen geldbedrag van € 356,50 verbeurdverklaard. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat: Zaak met parketnummer 09-235628-20 (dagvaarding I): 1.hij in of omstreeks de periode van 1 april 2020 tot en met 18 september 2020 te 's-Gravenhage en/of Voorburg en/of Wateringen meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2.hij op of omstreeks 18 september 2020 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3.hij op of omstreeks 18 september 2020, te 's-Gravenhage, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een of meer geldbedrag(en), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf; Zaak met parketnummer 09-241009-20 (dagvaarding II): 1.hij, op of omstreeks 22 september 2019 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden aanvullingen en verbeteringen aanbrengt. Bewijsoverwegingen Bewijsoverweging dagvaarding I, feit 3 Het hof verbetert de bewijsoverweging en de bewijsmiddelen van de rechtbank aangaande het derde tenlastegelegde feit. Specifiek verbetert het hof het vonnis aldus dat op pagina 3 van het vonnis de laatste alinea onder het kopje Feit 3 (‘Op 18 september (...) met drugshandel.’) wordt geschrapt en dat op pagina 4 in plaats van de tweede alinea onder het kopje Overwegingen (‘Voorts overweegt de rechtbank (...) heeft witgewassen, geen bespreking.’) het hof als volgt overweegt. Het hof stelt voorop dat het toetsingskader van de Hoge Raad ten aanzien van het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf” zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen, ook van belang is in de gevallen waarin de rechter aan de omstandigheden waaronder een voorwerp wordt aangetroffen, het vermoeden ontleent dat dit voorwerp “onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf” als bedoeld in artikel 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht (vgl. Hoge Raad 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:36). Het hof stelt vast dat de verdachte op 18 september 2020 in Den Haag is aangehouden. In de auto van de verdachte werd een heuptasje aangetroffen met daarin een hoeveelheid contant geld. In het tasje is een geldbedrag van € 356,50 aangetroffen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in de periode van 1 april tot 18 september 2020 cocaïne heeft gedeald en dat een deel van het aangetroffen geld de opbrengst was van de drugshandel. Getuige [getuige1] heeft tegen de politie verklaard dat zij en haar vriend in de periode voorafgaande aan de aanhouding van de verdachte ongeveer drie keer in de week één gram cocaïne bestelden bij de verdachte en dat ze € 50,00 per gram betalen. Getuige [getuige2] heeft verklaard dat ook hij € 50,00 per gram cocaïne betaalde, en dat hij soms drie gram per keer bestelde. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij op 18 september 2020 cocaïne heeft verkocht, waaronder meerdere transacties van 1,5 gram per klant, en dat de opbrengst daarvan in het heuptasje zat. Bij de aanhouding van de verdachte werden 8 grotere en 9 kleinere zogenoemde ponypacks met cocaïne aangetroffen. Gelet op de hoeveelheid cocaïne die de verdachte bij zich had en de prijs waarvoor en regelmaat waarmee hij de cocaïne verkocht, waaronder op de dag van zijn aanhouding, is het hof van oordeel dat deze feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de verdachte een geldbedrag van € 356,50 voorhanden heeft gehad dat onmiddellijk uit enig eigen misdrijf afkomstig is, zodat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het (gehele) geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat slechts € 100,- van het aangetroffen geldbedrag afkomstig was van zijn drugsdeals en dat de rest van het geldbedrag van zijn toenmalige werkzaamheden als glazenwasser afkomstig was. Naar het oordeel van het hof is met de stelling van de verdachte dat ten minste € 256,50 niet van enig misdrijf afkomstig was, geen sprake van een niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van voornoemd overig deel van het geldbedrag. Het hof komt tot dit oordeel in het bijzonder in het licht van hetgeen is vastgesteld ten aanzien van de drugstransacties op de dag waarop de verdachte is aangehouden en de ponypacks die hij ten tijde van zijn aanhouding aanwezig had. Bewijsoverweging dagvaarding II Het hof verbetert en vult aan het vonnis op pagina’s 4 en 5 onder het kopje 4.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.