GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer hof : 200.312.297/01Zaaknummer rechtbank : 9780756 MV EXPL 22-48 PM/45352 Arrest in kort geding van 20 september 2022 in de zaak van 1Residence Amsterdam B.V., gevestigd in Almere, 2. [appellant 2], thans zonder vaste woon- en verblijfplaats, appellanten, advocaat: mr. S.N. Peijnenburg, kantoorhoudend in Purmerend, tegen mr. H.H. Kreikamp q.q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Nieuwendijk Monumenten B.V., kantoorhoudend in Amsterdam, verweerder in hoger beroep, advocaat: mr. M.P. Doorten, kantoorhoudend in Amsterdam. Het hof zal appellanten hierna noemen Residence, [appellant 2], en tezamen [appellanten] (mannelijk enkelvoud). Verweerder in hoger beroep wordt hierna aangeduid als de curator. 1De zaak in het kort 1.1 [appellanten] huurde een pand dat in de faillissementsboedel van Nieuwendijk valt. In een eerdere procedure zijn de huurovereenkomsten met [appellanten] ontbonden omdat er sprake is van huurachterstanden en is bepaald dat [appellanten] het pand moeten ontruimen. In deze kortgedingprocedure probeert [appellanten] te bereiken dat ontruiming van het pand wordt voorkomen, althans (nu ontruiming inmiddels heeft plaatsgevonden) wordt teruggedraaid. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 25 mei 2022 (met grieven), waarmee [appellanten] bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep is gekomen van het kortgedingvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 29 april 2022; deze dagvaarding houdt ook een verzoek in tot verwijzing naar het gerechtshof Den Haag; de memorie van antwoord in incident ex artikel 220 Rv waarin ook is opgenomen een incident tot zekerheidsstelling van proceskosten op grond van artikel 224 Rv van de curator, met bijlagen; het arrest in kort geding van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juni 2022, waarin de zaak ter verdere behandeling wordt verwezen naar het gerechtshof Den Haag; de dagvaarding van 20 juni 2022 waarmee [appellanten] de zaak aanhangig heeft gemaakt bij het gerechtshof Den Haag; de memorie van antwoord van de curator van 12 juli 2022, met bijlagen; de memorie van antwoord in het incident tot zekerheidstelling van proceskosten tevens houdende wijziging van eis van [appellanten] in de hoofdzaak, eveneens van 12 juli 2022, met bijlagen; productie 3 die [appellanten] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd. 2.2 Op 19 augustus 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3Feitelijke achtergrond 3.1 [appellant 2] is bestuurder van Residence. 3.2 [appellant 2] was ook bestuurder van Nieuwendijk Monumenten B.V. (hierna: Nieuwendijk). In oktober 2014 is [appellant 2] door de Ondernemingskamer als bestuurder geschorst. Op 2 februari 2017 is [appellant 2] door de Ondernemingskamer ontslagen als bestuurder van Nieuwendijk vanwege wanbeleid. 3.3 [appellant 2] en zijn ex-echtgenote, mw. [ex-echtgenote], zijn gemeenschappelijk eigenaar van de aandelen in Nieuwendijk. 3.4 Het pand [adres] (hierna: het pand) was eigendom van [appellant 2]. Hij heeft het verkocht en in maart 2012 geleverd aan Nieuwendijk. 3.5 [appellant 2] is daarna in het pand blijven wonen op grond van een huurovereenkomst die hij op 10 april 2012 met Nieuwendijk heeft gesloten. [appellant 2] huurde de woonruimte op de tweede en derde verdieping van het pand. 3.6 Residence huurde op grond van een huurovereenkomst van 1 juni 2013 van Nieuwendijk kantoorruimte op de begane grond van het pand. 3.7 Nieuwendijk is op 27 februari 2018 failliet verklaard met benoeming van mr. Kreikamp tot curator. Het pand valt in de faillissementsboedel. 3.8 Vanaf de ingangsdata van de huurovereenkomsten heeft [appellanten] geen huur aan Nieuwendijk betaald. In april 2018 heeft de curator [appellanten] gesommeerd om de achterstallige huur te voldoen. [appellanten] heeft niet aan deze sommatie voldaan. 3.9 In mei 2018 heeft de curator [appellanten] gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland. Hij vorderde betaling van alle huurtermijnen vanaf de ingangsdata van de huurovereenkomsten, ontbinding van de huurovereenkomsten en ontruiming van het pand. 3.10 De kantonrechter heeft bij vonnis van 31 juli 2019 als volgt geoordeeld: [appellant 2] is veroordeeld tot betaling van € 37.000,-- aan achterstallige huur, de huurovereenkomst met [appellant 2] is ontbonden en [appellant 2] is veroordeeld tot ontruiming van de woonruimte in het pand. Residence is veroordeeld tot betaling van € 54.000,-- aan achterstallige huur. De kantonrechter heeft daarnaast voor recht verklaard dat de huurovereenkomst (van rechtswege) is geëindigd op 31 mei 2018 en heeft Residence veroordeeld tot ontruiming van de kantoor- en opslagruimte in het pand. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.11 Het gerechtshof Den Haag heeft deze zaak in hoger beroep beoordeeld. In het arrest van 15 maart 2022 heeft het hof als volgt beslist: Ten aanzien van [appellant 2] heeft het hof het vonnis bekrachtigd. Ten aanzien van Residence heeft het hof het vonnis vernietigd voor zover het de verklaring voor recht betreft en in plaats daarvan de huurovereenkomst ontbonden per 15 maart 2022. De termijn van ontruiming is bepaald op twee weken na betekening van het arrest. Voor het overige is het vonnis bekrachtigd. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.12 In beide procedures heeft [appellanten] een beroep gedaan op verrekening van de huurachterstanden met drie tegenvorderingen die hij stelt te hebben op Nieuwendijk (hierna ook: de drie tegenvorderingen). Zowel de kantonrechter als het hof heeft het beroep op verrekening met deze gestelde tegenvorderingen afgewezen. 3.13 De termijn voor het instellen van cassatie tegen het arrest van het hof van 15 maart 2022 was nog niet verstreken toen het kortgedingvonnis waartegen dit hoger beroep is ingesteld werd gewezen. Nadat de appeldagvaarding was uitgebracht is die termijn alsnog - ongebruikt - verstreken. [appellanten] heeft geen cassatie ingesteld. 3.14 Op 1 juli 2022 heeft mr. F. Linders (de door [appellanten] ingeschakelde insolventie-advocaat) een verzoek ex artikel 69 van de Faillissementswet ingediend bij de rechter-commissaris in het faillissement van Nieuwendijk om de voorgenomen ontruiming van het pand op 5 juli 2022 te voorkomen. Hij heeft de rechter-commissaris verzocht de curator gelasten de ontruiming van het pand op te schorten totdat onherroepelijk is beslist op een door de bestuurder van Nieuwendijk voorgenomen aanbod voor een faillissementsakkoord en de curator te gelasten daar objectief en welwillend over te adviseren. 3.15 Bij brief van 4 juli 2022 heeft de rechter-commissaris laten weten dat hij dit verzoek van [appellanten] niet honoreert. 3.16 Op 5 juli 2022 (nadat het arrest van het hof Den Haag van 15 maart 2022 in kracht van gewijsde was gegaan) is het pand ontruimd. 4Procedure bij de rechtbank 4.1 Op 30 maart 2022 heeft [appellanten] de curator in kort geding gedagvaard (de cassatietermijn was toen nog niet verstreken en het pand was nog niet ontruimd). [appellanten] vorderde, samengevat: - primair: de curator te verbieden het vonnis van 31 juli 2019 en het arrest van 15 maart 2022 ten uitvoer te leggen totdat onherroepelijk is beslist in de huurkwestie alsmede ten aanzien van de drie tegenvorderingen van [appellanten]; - subsidiair: de curator te verbieden het vonnis van 31 juli 2019 en het arrest van 15 maart 2022 ten uitvoer te leggen totdat onherroepelijk is beslist in de huurkwestie. 4.2 [appellanten] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het belang van [appellanten] bij het behoud van de bestaande situatie, totdat de Hoge Raad een uitspraak doet over de vraag of de huur verrekend mocht worden met de drie tegenvorderingen, zwaarder weegt dan het belang van de curator om al tot ontruiming over te gaan. 4.3 Op 1 april 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Blijkens het door Residence en de curator ondertekende proces-verbaal is toen het volgende overeengekomen: “Partijen verzoeken gezamenlijk om de zaak voor twee weken, tot 15 april 2022, aan te houden voor schikkingsonderhandelingen over de mogelijkheid om de woning te blijven bewonen. Partijen komen het volgende overeen: 1. [appellant 2] en [betrokkene] doen hierbij in hun hoedanigheid van bestuurders van Residence Amsterdam B.V. onherroepelijk afstand van het pandrecht op het saldo van de derdenrekening van notaris Pieltjes in het faillissement van Nieuwendijk Monumenten B.V. en geven de notaris hierbij opdracht dat saldo, na aftrek van de kosten van de notaris, over te boeken naar de faillissementsrekening van Nieuwendijk Monumenten B.V., welk rekeningnummer door de curator aan notaris Pieltjes zal worden doorgegeven. 2. Gedurende de schikkingsonderhandelingen zal de curator niet overgaan tot ontruiming van de woning. 3. De curator doet de toezegging geen procedure tegen Residence Amsterdam B.V. omtrent wanbeleid te zullen starten vanwege het afstand doen van het pandrecht.” 4.4 Partijen hebben na de zitting geen overeenstemming weten te bereiken over een mogelijkheid voor [appellanten] om in het pand te kunnen blijven. Zij hebben de kantonrechter gevraagd om vonnis te wijzen. 4.5 De kantonrechter heeft in het vonnis van 29 april 2022 (hierna: het kortgedingvonnis) de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Hij heeft daartoe overwogen dat [appellanten] onvoldoende heeft aangevoerd om af te wijken van het uitgangspunt dat een veroordeling hangende een hogere voorziening uitvoerbaar moet zijn. Het belang van [appellanten] om in de woning te mogen blijven in afwachting van het cassatieberoep, weegt niet op tegen het belang van de curator om tot afwikkeling van het faillissement te kunnen komen en daarbij niet te hoeven wachten op nieuwe procedures die door [appellanten] worden aangespannen. Het vonnis van 31 juli 2019 en het arrest van 15 maart 2022 berusten ook niet op een kennelijke misslag, aldus de kantonrechter. 5Vorderingen in hoger beroep 5.1 [appellanten] is op 25 mei 2022 in hoger beroep gekomen omdat hij het niet eens is met het kortgedingvonnis. [appellanten] wil dat het hof dit vonnis vernietigt en vorderde aanvankelijk dat het hof de in 4.1 weergegeven vordering alsnog zou toewijzen en de curator in de proceskosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep zal veroordelen. 5.2 De curator heeft op zijn beurt in zijn memorie van 13 juni 2022 een incident tot zekerheidsstelling proceskosten ex artikel 224 Rv opgeworpen. 5.3 Tijdens de procedure in hoger beroep is komen vast te staan dat [appellanten] binnen de cassatietermijn geen cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het hof Den Haag van 15 maart 2022. Dat betekent dat dit arrest inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan. Daarnaast is het pand op 5 juli 2022 ontruimd. Naar aanleiding van het voorgaande heeft [appellanten] op 12 juli 2022 zijn eis gewijzigd. [appellanten] vordert nu dat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.