GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.312.615/01 Rekestnummer rechtbank : C/10/636417 / FT EA 22/328 arrest van 27 september 2022 inzake [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. P.A. Visser te Rotterdam. tegen 1. DSW Zorgverzekeraar, gevestigd te Schiedam, advocaat: mr. M.F. Lameris, 2. CZ Zorgkantoor in behandeling bij Flanderijn & Van Eck) gevestigd te Tilburg, geïntimeerden, hierna te noemen: DSW en CZ. Het geding Bij beroepschriften (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 30 juni 2022, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2022, waarbij haar (primaire) verzoek om DSW en CZ te bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling en haar (subsidiaire) verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn afgewezen. Zij verzoekt het hof deze vonnissen te vernietigen en alsnog DSW en CZ te bevelen in te stemmen met de schuldregeling dan wel haar toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Het hof heeft naast de beroepschriften kennisgenomen van producties 2 t/m 20 en de stukken van de eerste aanleg, toegestuurd door [appellante], een e-mail van 9 september 2022 van DSW met daarbij als bijlage een brief van 30 augustus 2022, een verweerschrift (met producties) van DSW en een verweerschrift (met producties) van Flanderijn Legal namens CZ. Verder heeft het hof op 19 september 2022 een e-mail (met bijlagen) ontvangen van mr. Visser waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het eventueel honoreren van het bewijsaanbod gedaan door DSW in haar verweerschrift. Bij e-mail (met bijlage) van diezelfde datum heeft mr. Visser voorts gewezen op een verschrijving in het petitum van het beroepschrift inzake het dwangakkoord. Namens DSW heeft mr. Lameris het hof bij e-mail van 19 september 2022 medegedeeld dat hij wegens ziekte niet ter zitting aanwezig kan zijn en heeft hij verzocht om via een videoverbinding de zitting te kunnen bijwonen. Het hof heeft dat verzoek gehonoreerd. Verder heeft het hof kennisgenomen van de beslissing van 28 mei 2018 van dit hof betreffende het door [appellante] ingestelde hoger beroep tegen de afwijzing van haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (ECLI:NL:GHDHA:2019:1327), aan welke eerdere afwijzing bij de behandeling van de verzoeken in de eerste aanleg is gerefereerd. De mondelinge behandeling van beide zaken heeft plaatsgevonden op 20 september 2022, waarbij voor het hoger beroep inzake het dwangakkoord zijn verschenen: [appellante], bijgestaan door haar advocaat; mevrouw N.J. Eckhard, werkzaam bij CKN Bewindvoering, de beschermingsbewindvoerder van [appellante]; mevrouw [medewerker DSW 1] en de heer [medewerker DSW 2], namens DSW. Mr. Lameris is gehoord via een videoverbinding. Mr. Visser heeft het hoger beroep van beide verzoeken toegelicht aan de hand van door hem overgelegde spreekaantekeningen, waarbij hij vooraf heeft medegedeeld dat hij één pleitnota heeft, die op beide zaken betrekking heeft en dat wat hem en [appellante] betreft beide zaken tegelijk worden behandeld. Tegen de aanwezigheid van de vertegenwoordigers van DSW bij de behandeling van het schuldsaneringsverzoek is daarbij geen bezwaar gemaakt. Het hof heeft hiermee ingestemd. Het hof wijst wel in beide zaken afzonderlijk arrest. Het onderhavige arrest heeft betrekking op het verzoek tot het bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Beoordeling van het hoger beroep 1. [appellante] heeft op 30 juni 2022, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, bij de rechtbank een verzoek ingediend om DSW en CZ te bevelen in te stemmen met de door haar aangeboden schuldregeling. Volgens een bij de stukken gevoegd schuldenoverzicht van 21 december 2021 zijn er tien schuldeisers en beloopt de totale schuldenlast € 484.284,60. De in omvang grootste schulden zijn die aan DSW (€ 171.265,32), CZ (€ 160.287,17), NZa (€ 72.500,-) en UWV (€ 68.756,63). Aan DSW en CZ is aangeboden om tegen betaling van respectievelijk € 786,36 (DSW) en € 737,32 (CZ) finale kwijting te verlenen. Zij hebben dit betalingsvoorstel afgewezen. NZa heeft laten weten af te zien van finale kwijting en haar deel in het te verstrekken gemeentelijke saneringskrediet beschikbaar te stellen aan de andere schuldeisers. UWV is wel akkoord gegaan met een aan hem op 24 december 2021 gedaan voorstel. 2. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen omdat niet aannemelijk is geworden dat het voorstel van [appellante] het uiterste is waartoe zij in staat moet worden geacht. Daarbij heeft de rechtbank het volgende overwogen. Het voorstel van [appellante] is gebaseerd op de NVVK-norm, waarbij de afloscapaciteit van [appellante] is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering (hierna: Pw-uitkering). Het aan de schuldeisers aangeboden percentage wordt, door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. De rechtbank acht onvoldoende aannemelijk dat [appellante] de komende drie jaar geen (hogere) aflossingscapaciteit kan genereren voor haar schuldeisers. Ten aanzien van de stelling dat [appellante] psychische klachten heeft en daarom niet in staat is geweest om een baan te vinden, overweegt de rechtbank dat er geen verklaringen zijn overgelegd van (voormalig) behandelend artsen die dit ondersteunen. Daarnaast neemt de rechtbank dat wat is vermeld in het proces-verbaal van aangifte van 29 september 2018 van [betrokkene], bestuurder van GGZ in Balans (hierna: de aangifte), in overweging. Uit de aangifte blijkt dat [appellante] een stichting heeft opgericht die (opnieuw) actief is geweest in de zorg en dat zij ook werkzaamheden voor die stichting heeft verricht. Dat strookt niet met de stelling van [appellante] dat zij vanwege psychische klachten niet in staat is tot het verrichten van arbeid. Voorts levert de aangifte het vermoeden op dat [appellante] naast haar uitkering (aanzienlijke) inkomsten heeft genoten, die niet zijn aangewend om de schulden aan DSW en CZ af te lossen. Gelet hierop is voldoende aannemelijk dat [appellante] de vorderingen van DSW en CZ niet te goeder trouw onbetaald heeft gelaten. Verder is niet gebleken dat [appellante] de afgelopen jaren in behandeling is geweest voor haar psychische klachten of dat zij anderszins aan haar problemen heeft gewerkt en op die manier aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. De rechtbank heeft het aanbod beoordeeld tegen de achtergrond dat geen schuldsaneringsregeling tot stand is gekomen. De conclusie luidt dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe [appellante] in staat is, omdat zij in staat moet worden geacht om ook na 36 maanden (de termijn van de schuldsaneringsregeling, toevoeging hof) nog aflossingen te doen aan haar schuldeisers. Ten overvloede heeft de rechtbank nog overwogen dat het verzoek onvoldoende onderbouwd, althans onbetrouwbaar gedocumenteerd is, nu uit de e-mail van schuldeiser NZa niet ondubbelzinnig blijkt dat zij haar vordering heeft afgeschreven en kwijting heeft verleend, zoals [appellante] heeft gesteld. Op grond van het voorgaande is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de belangen van DSW en CZ als weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van [appellante] of de schuldeisers die wel met het verzoek hebben ingestemd. 3. [appellante] heeft – samengevat – aangevoerd dat het aanbod wel het uiterste is waartoe zij in staat is, gelet op haar langdurige psychische dispositie (grief 1). Zij is door de gemeente vrijgesteld van de arbeidsverplichting tot 22 oktober 2022. De omvang van de vorderingen van de schuldeisers is in de context van de wettelijke regeling niet van belang. Het aanbod is verder ook goed gedocumenteerd en is opgesteld door een onafhankelijke en deskundige partij. De schuldsaneringsregeling of een faillissement biedt geen uitzicht op een beter resultaat voor de schuldeisers, vanwege de kosten van de bewindvoerder respectievelijk de curator. Verder stelt [appellante] zich op het standpunt dat zij genoegzaam heeft aangetoond dat sinds 2017 sprake is van een dusdanige psychische problematiek, dat zij continu in behandeling en therapie is geweest. Op dit moment is de status zo, dat [appellante] de facto is uitbehandeld, zonder dat er enige significante verbetering is opgetreden. Gelet hierop en de arbeidsparticipatie-adviezen in aanmerking nemende, kan er met een zekere mate van waarschijnlijkheid van worden uitgegaan dat zij de komende jaren evenmin in staat zal zijn om te werken, laat staan dat zij een hoger inkomen zal kunnen genereren. Bovendien dient het bij de beoordeling van het dwangakkoord te gaan om de huidige situatie en niet de situatie over de komende drie jaar (grief 2). Met betrekking tot de overweging van de rechtbank dat uit de aangifte blijkt dat [appellante] in 2017/2018 werkzaamheden heeft verricht en dat dat niet strookt met haar standpunt dat zij niet in staat is om te werken, heeft [appellante] aangevoerd dat de rechtbank een volstrekt hypothetische situatie tot uitgangspunt neemt en dat de stellingen in de aangifte van iedere grond zijn ontbloot. [appellante] heeft in dat kader verwezen naar de door haar overgelegde handelsregistergeschiedenis van de stichting GGZ in Balans, waaruit volgens haar blijkt dat zij nimmer bestuurder van die stichting is geweest en geen vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft gehad. [appellante] wijst erop dat zij voorafgaande aan de aangifte zelf al aangifte had gedaan van mishandeling door [betrokkene]. Verder zijn er volgens [appellante] meerdere intakegesprekken geweest over de behandeling van haar ziektebeeld, maar is haar daarbij verteld dat behandeling geen zin heeft als er geen oplossing is voor haar schuldenlast. [appellante] volgt nu alleen een medicamenteuze behandeling. 4. DSW en CZ menen dat geen sprake is van een situatie waarin zij hun instemming met het betalingsvoorstel in redelijkheid niet mogen weigeren. Onder meer vinden zij dat niet aannemelijk is gemaakt dat het betalingsvoorstel inderdaad het uiterste is waartoe [appellante] in staat moet worden geacht. [appellante] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij voor haar psychische problematiek onder behandeling is geweest en dat zij uitbehandeld is. Zij wijzen er in dit verband op dat [appellante], blijkens een door hen geciteerde verklaring, haar ziektebeeld in het verleden al eens eerder heeft aangedikt. Het standpunt van DSW is ter zitting nader toegelicht door mr. Lameris, mevrouw [medewerker DSW 1] en de heer [medewerker DSW 2]. 5. Ingevolge art. 287a lid 5 Fw kan een verzoek tot vaststelling van een schuldregeling worden toegewezen indien de schuldeiser(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.