GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.253.246/02 Zaaknummer rechtbank : C/10/517961 / HA ZA 17-11 ECLI-nummer op rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBROT:2018/10857 arrest van 29 november 2022 in de zaak van de rechtspersoon naar het recht van Curaçao, United International Bank N.V., gevestigd te Willemstad, appellante, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen
(2011)drie proefzendingen naar VFI zijn gestuurd. Het is dus overigens ook niet zo dat EBT/ [procuratiehouder EBT] en UIB, die zoals UIB stelt vanaf januari 2012 intensief contact te hebben gehad met EBT/VFI (dagvaarding onder 10), niet in de gelegenheid zijn geweest om zich een beeld te vormen van [X] voordat het mis ging. Vergelijk in dit verband ook de door ZZC c.s. als productie G overgelegde brief van [procuratiehouder EBT] aan [geïntimeerde 2] , voor zover inhoudende: ‘[…] Mijn vergissing is geweest dat ik geen backgound check heb laten verrichten zoals ik bijna altijd heb gedaan. Ik ben toen zelf ook nog zo naïef geweest om geen bedenkingen te hebben omdat ik de vader kende […].’ En dat de aanbeveling van de verkoopkwaliteiten [X] niet uit de lucht was gegrepen kan worden afgeleid uit het hiervoor onder 3.2 xvii geciteerde e-mailbericht van [directeur UIB] . 6.32. De tussenconclusie na al het voorgaande is dat de vordering van UIB niet toewijsbaar is op de primaire grondslag. 6.33. Het hof voegt ten overvloede nog toe dat, ook indien [geïntimeerde 2] /ZZC wel zou kunnen worden verweten dat hij/zij de (verdere) handel met EBT/VFI niet (eerder) heeft gestaakt, of althans EBT en/of haar (nog te achterhalen) ketenpartners niet heeft ingelicht over het vermoeden dat de handel in bananen een dekmantel vormde voor cocaïnesmokkel, de primaire vordering van UIB niet toewijsbaar zou zijn geweest, en wel vanwege het ontbreken van een voldoende causaal verband tussen het door UIB gewraakte handelen/nalaten van [geïntimeerde 2] /ZZC en de schade die UIB in deze procedure vordert. Het hof overweegt ter toelichting als volgt. 6.34. Krachtens het bepaalde in artikel 6:98 BW komt voor vergoeding in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust (in dit geval door UIB gestelde normschending), dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (het causaal verband). 6.35. Het verwijt dat UIB [geïntimeerde 2] /ZZC maakt komt erop neer dat indien [geïntimeerde 2] /ZZC nu maar eerder/tijdig zijn/haar medewerking aan VFI en/of EBT had gestaakt (direct nadat bij [geïntimeerde 2] /ZZC het vermoeden was ontstaan dat de handel in bananen een dekmantel vormde voor cocaïnesmokkel) en/of de mogelijke financier van EBT, na deze te hebben achterhaald, over zijn/haar wetenschap dat de bananenhandel van EBT/VFI ‘niet pluis was’ had geïnformeerd, daarmee ook ander onrechtmatig handelen van VFI jegens UIB (de factoringfraude) was voorkomen. Het hof is van oordeel dat, zelfs indien het bestaan van een dergelijk condicio sine qua non-verband (hierna ook: c.s.q.n.-verband) als uitgangspunt zou moeten worden aanvaard, dan nog steeds geen sprake is van een zodanig (in artikel 6:98 BW bedoeld) causaal verband tussen het door UIB gewraakte handelen/nalaten van [geïntimeerde 2] en/of ZZC en de door UIB geleden schade dat deze schade, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, nog ‘als een gevolg van deze gebeurtenis’ aan ZZC c.s. kan worden toegerekend. Ter toelichting overweegt het hof als volgt. 6.36. De schade die UIB heeft geleden is, naar wordt aangenomen, het gevolg van door [X] /VFI gepleegde factoringfraude; VFI is – ook na het sluiten van de factoringovereenkomst – de afnemers van de bananen van EBT blijven factureren onder vermelding van haar eigen bankrekeningnummer. Dit terwijl VFI aan EBT/UIB heeft doen voorkomen – door het fabriceren van valse facturen – dat werd gefactureerd conform de wijze zoals voorzien in de factoringovereenkomst. 6.37. Daarnaast is – althans UIB gaat daarvan uit – [X] /VFI betrokken geweest bij (pogingen tot) cocaïnesmokkel. De omstandigheid dat beide gedragingen zijn verricht door [X] /VFI (en beide gedragingen ook zijn verricht in verband met de betrokkenheid van [X] /VFI bij de bananenhandel van EBT) maakt evenwel nog niet dat voor zover ZZC betrokkenheid zou kunnen worden verweten bij de ene gedraging (de cocaïnesmokkel – in de vorm van bepaalde wetenschap/het niet aan UIB melden/het faciliteren daarvan), ZZC ook aansprakelijk geacht kan worden voor schade die het gevolg is van de andere (onrechtmatige) gedraging (de door VFI/ [X] gepleegde factoringfraude), te minder nu een direct verband tussen beide gedragingen ontbreekt. De stelling van UIB dat, indien ZZC tijdig aan de bel had getrokken (bij haar ketenpartners) over haar verdenkingen (jegens EBT) voor cocaïnesmokkel, dan wel haar medewerking aan de handel van EBT/VFI niet had gecontinueerd, daarmee ook het intreden van de schade vanwege de factoringfraude bij UIB had kunnen worden voorkomen, is daartoe onvoldoende. Bij dit oordeel heeft het hof betrokken dat door UIB niet nader is onderbouwd dat voor ZZC c.s. redelijkerwijze voorzienbaar moest zijn geweest dat [X] /VFI ook factoringfraude zou plegen. 6.38. Concluderend: niet wordt voldaan aan het vereiste van ‘redelijke toerekening’, zoals dat naast het vereiste van het bestaan van c.s.q.n.-verband in artikel 6:98 BW besloten ligt. 6.39. Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat de vordering van UIB niet toewijsbaar is op grond van haar primaire grondslag (art. 6:162 jo 6:102 BW). Niet alleen UIB heeft haar stelling dat sprake is geweest van een schending van een zorgplicht/maatschappelijke betamelijkheidsnorm door [geïntimeerde 2] en/of ZZC jegens UIB en/of EBT onvoldoende onderbouwd, er is ook geen sprake van een voldoende causaal verband. - aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 jo 6:102 BW? 6.40. Subsidiair verwijt UIB [geïntimeerde 2] en/of ZZC onrechtmatig jegens haar en/of EBT gehandeld te hebben in groepsverband met VFI, met de hoofdelijke aansprakelijkheid van ZZC c.s. tot gevolg. 6.41. Het door UIB in hoger beroep gestelde (ter onderbouwing van haar vordering op grond van artikel 6:166 BW) komt erop neer dat ZZC met VFI afspraken heeft gemaakt en/of heeft samengewerkt om te bewerkstelligen dat VFI steeds op eigen naam en voor zichzelf factureerde en incasseerde, met het oogmerk te verhinderen dat UIB enig pandrecht (effectief) zou kunnen uitoefenen op aan UIB verpande vorderingen op koopsommen uit hoofde van de verkoop van de eigendommen van EBT en om te bewerkstelligen dat VFI ook andere vorderingen – waarmee naar het hof begrijpt wordt gedoeld op nog openstaande vorderingen uit verleden – aan ZZC zou betalen, die niets van doen hadden met EBT (voornoemde afspraak c.q. samenwerking tussen ZZC en VFI hierna: de VFI/ZZC-afspraak). Aldus handelend heeft ZZC de kans aanvaard dat VFI, als gevolg van die afspraken en afgestemde gedragingen, de eigendommen en koopsommen die EBT/UIB toekwamen kon verduisteren en, voor ZZC zichtbaar, overigens zodanig onzorgvuldig kon handelen dat ZZC begreep dat EBT/UIB daardoor grote schade zouden lijden. Minst genomen kan ZZC met voornoemde met VFI afgestemde gedragingen gevaarzetting worden verweten, aldus UIB, die vindt dat ZZC c.s. hiervoor hoofdelijk aansprakelijk zijn. 6.42. Ter onderbouwing van het bestaan van de gestelde VFI/ZZC-afspraak wijst UIB op een aantal omstandigheden, die ook bij de primaire grondslag aan de orde kwamen, althans voor toewijzing op die grondslag onvoldoende zijn. Samengevat weergegeven voert UIB aan dat: (
- i)[geïntimeerde 2] /ZZC [X] /VFI aan [procuratiehouder EBT] /EBT heeft voorgesteld en als geschikte agent heeft geïntroduceerd. [geïntimeerde 2] /ZZC heeft daarbij verzwegen dat [X] /VFI nog een schuld aan ZZC had in verband met een eerder faillissement en dat [X] in dat verband ook persoonlijk was gedagvaard door ING Bank en door de rechter is veroordeeld wegens, kort gezegd, factoringfraude. Dit volgt ook uit een e-mail van 25 juli 2012 van [geïntimeerde 2] aan [X] . Verder wist [geïntimeerde 2] dat [X] eerder was ontslagen door zijn voormalige werkgever […] in verband met deze fraude. (
- ii)ZZC de facturering van de afnemers van de bananen van EBT door VFI op eigen naam heeft gefaciliteerd door bij uitlevering van de bananen voor transport naar de afnemers CMR-vrachtbrieven uit te geven ten name van VFI en met vermelding van zichzelf als agent. [geïntimeerde 2] /ZZC heeft daarbij op verzoek van VFI informatie weggelaten – zoals scheepsnamen, categorieaanduidingen en containernummers – om zo het traceren van de herkomst van de bananen te bemoeilijken. (iii) [geïntimeerde 2] /ZZC wist dat de bananenhandel (van EBT) niet deugde, omdat in de ladingen met regelmaat cocaïne werd aangetroffen en de bananen van slechte kwaliteit waren en onder de kostprijs werden verkocht (ten minste vanaf juli 2021), alsmede dat werd gehandeld met kredietonwaardige partijen, over welke gang van zaken ZZC EBT niet heeft geïnformeerd, hetgeen wel op haar weg heeft gelegen, temeer omdat ZZC wist dat EBT haar materiële opdrachtgever was. Daarbij komt dat ZZC ook actief heeft meegewerkt aan deze handel door het doorverkopen van bananen slechts als dekmantel aan dubieuze partijen, zoals de Green Grocer. (
- iv)het bestaan van de VFI/ZZC-afspraak ook bevestiging vindt in verklaringen van ZZC c.s. tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg. Zo verklaarde [geïntimeerde 2] : “Vooraf heeft [procuratiehouder EBT] bij ZZC c.s. aangegeven dat hij gebruik zou maken van factoring ten aanzien van de bananen. ZZC c.s. zouden een bankgarantie krijgen van € 500.000,-, ten behoeve van de invoerrechten. [procuratiehouder EBT] heeft dat echter niet kunnen regelen met de bank. ZZC c.s. hebben nooit een bankgarantie gehad, dus is er nooit een officiële factoringovereenkomst tot stand gekomen. Daarnaast heb ik een afnemer benaderd en gevraagd of de factuur juist was. De afnemer gaf aan dat de factuur klopte. Achteraf bleek dat de facturen met betrekking tot de invoerrechten, die ZZC c.s. voorfinancierden, bij de bank ter factoring waren aangeboden. Dat was niet de afspraak. Hier kan mij geen verwijt van worden gemaakt.” (
- v)uit voornoemde verklaring van [geïntimeerde 2] tevens blijkt dat ZZC ook verifieerde of VFI zich aan de ZZC/VFI-afspraak hield, door zonder toestemming van EBT en UIB zelf contact op te nemen met afnemers om zich ervan te vergewissen dat zij alleen facturen van VFI ontvingen en aan VFI betaalden. (
- vi)ZZC vanaf medio september 2012 VFI bovendien rugdekking is gaan geven om het voor VFI mogelijk te maken te blijven incasseren op eigen naam en voor zichzelf. 6.43. ZZC c.s. betwisten het door UIB gestelde, in het bijzonder ook het bestaan van voornoemde afspraak, en ook dat zij hun gedragingen met VFI op een zodanige wijze hebben afgestemd dat de kans op het ontstaan van schade voor een derde hen daarvan had behoren te weerhouden. ZZC c.s. voeren aan dat zij tot september 2012 niet wisten hoe/door wie de bananenhanden van EBT werd gefinancierd. De vraag hoe/wie EBT financierde regardeerde ZZC ook verder niet, aldus ZZC c.s. ZZC had slechts een overeenkomst met VFI voor het verlenen van logistieke diensten aan VFI. ZZC was ermee bekend dat VFI als collecting agent de vorderingen van EBT op haar afnemers mocht incasseren. ZZC is nooit geïnformeerd dat dit vanaf medio 2012 niet langer geoorloofd was. Van het bestaan van de factoringovereenkomst is zij eerst in september 2012 op de hoogte geraakt, toen zij een e-mail van EBT ontving met informatie daarover. [geïntimeerde 2] /ZZC heeft verklaard dat toen [geïntimeerde 2] [X] als mogelijke verkoper voorstelde aan [procuratiehouder EBT] /EBT VFI inderdaad nog een schuld (van € 68.000) aan ZZC had en dat hij toen wel wist dat er eerder een vennootschap van [X] failliet was gegaan en dat de administratie van VFI een chaos was, maar dat hij niet bekend was met eerdere betrokkenheid van [X] bij factoringfraude. Hij wist wel van het conflict van [X] met […], maar wist niet wie de schuldige daaraan was. [geïntimeerde 2] heeft [X] aan [procuratiehouder EBT] voorgesteld omdat hij een goede verkoper is. De tenaamstelling in de CMR-vrachtbrieven heeft slechts betrekking op de vervoerovereenkomst en geen betrekking op de vraag wie eigenaar is van de bananen. Van enige poging de werkelijke eigendom van de bananen te verhullen is dan ook geen sprake geweest. Op verzoek van VFI heeft ZZC bepaalde aanduidingen niet opgenomen in de CMR-vrachtbrieven om het voor potentiële kopers van de bananen te bemoeilijken om de aankomstdatum van de bananen te achterhalen, hetgeen VFI een sterkere onderhandelingspositie verschafte. Wat het aantreffen van de cocaïne betreft, voeren ZZC c.s. aan dat er inderdaad vanaf juni 2012 een ‘niet pluis’-gevoel was bij de handel van EBT, maar dat [geïntimeerde 2] EBT zelf (dan wel haar leverancier) verdacht van drugssmokkel. Dat de bananen voor bodemprijzen werden verkocht is haar overigens eerst later duidelijk geworden daar zij geen inzage had in de verkoopprijzen van VFI. Van het mede door ZZC doorverkopen van bananen als dekmantel is geen sprake geweest. ZZC heeft nimmer zelf bananen van EBT verkocht aan derden. ZZC is door VFI ingeschakeld ter uitvoering van door VFI verrichte verkopen. Hoe die verkoop van de bananen precies verliep, was een zaak van VFI en EBT, waar ZZC geheel buiten stond. The Green Grocer nam daarbij ongeveer dezelfde positie in m.b.t. de invoer van bananen in Europa als VFI dat deed. ZZC bracht dan ook The Green Grocer in rekening de door haar aan The Green Grocer verleende diensten, zoals ook ZZC VFI belastte voor de aan VFI geleverde diensten. ZZC voert aan dat zij nauwelijks met afnemers heeft gecorrespondeerd en overigens slechts ‘op uitvoeringsniveau’ (laadvermogen vrachtwagen, koeling, etc.). De contacten met Tesco hadden betrekking op een geschil over de vraag aan wie ZZC de door haar voorgeschoten invoerrechten diende te factureren. Eerst in september 2012 – nadat ZZC bericht had ontvangen van UIB over het in strijd handelen van VFI met een tussen EBT en UIB gesloten factoringovereenkomst – heeft ZZC enige afnemers van EBT benaderd in een poging dat zij nog betaald zou krijgen voor de door haar reeds betaalde invoerrechten. 6.44. Bij de beoordeling van een en ander stelt het hof het volgende voorop. Art. 6:166 lid 1 BW bepaalt dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de tot een groep behorende personen die deze bepaling in het leven roept, leidt ertoe dat de benadeelde die ten gevolge van een gedraging in groepsverband schade heeft geleden ter verkrijging van volledige vergoeding daarvan ermee kan volstaan één van de tot de desbetreffende groep behorende personen aan te spreken (zie HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914, ECLI:NL:HR:2015:2914, NJ 2016/194). In de wetgeschiedenis (in een passage aangehaald in voornoemd arrest) is overwogen dat het bepaalde in art. 6:166 BW impliceert dat alleen hij aansprakelijk kan zijn, die wist of behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar schiep voor schade als die in concreto is toegebracht. 6.45. Het hof is van oordeel dat uit het door UIB gestelde onvoldoende volgt dat sprake is geweest van een afspraak of althans een afstemmen van gedragingen tussen ZZC en VFI op een zodanige wijze dat de kans op het toebrengen van schade aan UIB als externe financier van EBT (zijnde UIB) ten gevolge van factoringfraude ZZC had behoren te weerhouden van haar gedragingen in groepsverband. De door UIB in dit verband aangevoerde stellingen zijn ZZC c.s. bovendien gemotiveerd betwist en tegenover die betwisting niet zijn voorzien van een voldoende onderbouwing, reden waarom eraan voorbij wordt gegaan. Ter toelichting overweegt het hof als volgt. 6.46. In de eerste plaats volgt het hof UIB niet in haar stelling dat reeds de eigen verklaring van [geïntimeerde 2] erop wijst dat ZZC met VFI een afspraak had gemaakt die erop was gericht – kort gezegd – de pandhouder(
- s)(van de vorderingen van EBT op haar afnemers) te benadelen. Tussen partijen is niet in geschil dat ZZC als logistiek dienstverlener verantwoordelijk was voor het inklaren van de bananen van EBT bij de douane. ZZC diende ook de daarbij verschuldigde invoerrechten te betalen. ZZC factureerde deze door haar voorgeschoten invoerrechten aan VFI, aan wie EBT de verkoopkant had gedelegeerd. In zoverre bestond bij ZZC ook een legitiem belang dat zij van VFI de voor VFI voorgeschoten invoerrechten weer van VFI vergoed zou krijgen. Gelet daarop wilde ZZC – zo is door [geïntimeerde 2] toegelicht – dat VFI ofwel op eigen naam de vorderingen op de afnemers van EBT zou incasseren voor EBT, ofwel een bankgarantie zou stellen. Met VFI was in eerste instantie overeengekomen dat VFI een bankgarantie zou stellen. Deze is evenwel niet afgegeven. ZZC heeft de zaak vervolgens op zijn beloop gelaten, mede omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat de situatie waarin VFI op eigen naam als collecting agent voor EBT de vorderingen op de afnemers van EBT mocht incasseren is blijven voortduren. Voor zover UIB stelt dat ZZC al voor september van het bestaan van de factoringovereenkomst op de hoogte is geraakt, of althans dat ZZC reeds voor september wist dat VFI niet langer gerechtigd was om als collecting agent de vorderingen van EBT op haar afnemers te incasseren, volgt het hof UIB niet in haar stelling. UIB heeft haar stelling dat ZZC weliswaar ‘officieel’ niet is geïnformeerd door EBT/UIB, maar in werkelijkheid wel degelijk geacht moet worden van het voorgaande op de hoogte te zijn, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door ZZC c.s., onvoldoende onderbouwd. Het voorgaande geldt ook voor de stelling van UIB dat ZZC ervan op de hoogte was dat VFI de EBT-bananen slechts op naam van EBT mocht verkopen en niet in eigen naam en aldus in strijd handelde met hetgeen VFI met EBT was overeengekomen. 6.47. Tegen voormelde achtergrond kan de zinsnede ‘dat was niet de afspraak’ uit de hiervoor geciteerde verklaring van [geïntimeerde 2] tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg bezwaarlijk anders worden opgevat dan dat ZZC – indien zij had geweten dat EBT een factoringovereenkomst had gesloten; iets waarvan ZZC eerst in september 2012 op de hoogte is geraakt – die (nieuwe) situatie niet had geaccepteerd zonder dat door VFI nadere zekerheden zouden zijn verschaft. Dit gelet op de risico’s die ZZC liep dat zij de door haar voorgeschoten invoerrechten etc. niet vergoed zou krijgen. Vergelijk in dit verband nogmaals de eigen stelling van UIB dat VFI voor EBT sommige betalingen mocht blijven incasseren, met name kosten van ZZC, die ook de invoerrechten voorfinancierde. 6.48. Anders dan UIB stelt valt uit voornoemde verklaring van [geïntimeerde 2] ook niet af te leiden dat [geïntimeerde 2] het naleven door VFI van de gestelde VFI/ZZC-afspraak controleerde door zelf afnemers te benaderen. Uit de verklaring volgt niet meer dan dat [geïntimeerde 2] zich ervan heeft vergewist bij een afnemer dat VFI nog steeds als collecting agent de vorderingen van EBT op haar afnemers incasseerde. 6.49. Over het verwijt dat UIB ZZC c.s. maakt van de ‘tenaamstelling’ van de CMR-vrachtbrieven overweegt het hof als volgt. UIB miskent dat de vermelding van de namen in CMR-vrachtbrieven in de eerste plaats van belang is voor het antwoord op de vraag wie partij zijn bij de aan de desbetreffende CMR-vrachtbrief ten grondslag liggende vervoerovereenkomst (onder de in art. 6 CMR vermelde aanduidingen die de vrachtbrief moet bevatten komt de eigenaar van de te vervoeren lading niet voor). De omstandigheid dat VFI als afzender wordt vermeldt in de CMR-vrachtbrieven impliceert derhalve niet dat ZZC heeft willen doen voorkomen dat VFI ook de eigenaar was van de onder de desbetreffende CMR-vrachtbrief vervoerde lading (bananen) en/of heeft willen verhullen dat EBT de eigenaar was van de bananen. Ook het op naam van VFI zetten in de administratie van de bananen door ZZC vormt daarvoor geen voldoende aanwijzing. 6.50. Ter zijde wordt nog toegevoegd dat uit de stellingen van UIB niet blijkt dat ZZC in strijd heeft gehandeld met voor haar kenbare instructies van UIB/EBT ten aanzien van het invullen van transport- en andere documenten en evenmin dat UIB/EBT belangstelling heeft getoond voor die documenten en meer in het bijzonder de wijze van invulling ervan en erop heeft gewezen dat die niet goed was. 6.51. Het hof is, zoals reeds gezegd, verder van oordeel dat niet onbegrijpelijk is dat ZZC EBT niet heeft geïnformeerd over haar ‘niet pluis’ gevoel bij de handel in bananen van EBT; de vermoedens van [geïntimeerde 2] /ZZC waren immers dat het EBT zelf was die erachter zat. Het hof brengt in herinnering dat onvoldoende weersproken is gebleven dat bij ZZC eerst nadat de samenwerking tussen EBT en VFI was geëindigd het vermoeden is gerezen dat niet EBT maar VFI betrokken was bij de (pogingen tot) cocaïnesmokkel. De stelling van UIB dat ZZC zelf actief heeft meegewerkt aan deze handel, door het (als dekmantel) doorverkopen van bananen aan dubieuze partijen, althans deze drugshandel te faciliteren is – zoals hiervoor reeds toegelicht – zonder voldoende onderbouwing gebleven. 6.52. Zoals ook reeds hiervoor toegelicht is het hof van oordeel dat UIB ook haar stelling dat [geïntimeerde 2] wist – toen hij [X] als mogelijke verkoper voorstelde aan [procuratiehouder EBT] /EBT – dat [X] een oplichter was/eerder betrokken was geweest bij (en is veroordeeld voor het plegen van) factoringfraude onvoldoende gemotiveerd/onderbouwd. - bestuurdersaansprakelijk 6.53. Uit het voorgaande volgt dat voor zover de stellingen van UIB al een ernstige verwijtbare gedraging aan de zijde ZZC c.s. omvatten, die stellingen gemotiveerd zijn betwist en tegenover die betwisting niet zijn voorzien van een voldoende onderbouwing, reden waarom eraan voorbij wordt gegaan. Voor zover de vordering is gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid is zij daarom eveneens ongegrond. - beroep op art. 21 RV 6.54. UIB beroept zich tot slot erop dat ZZC c.s. in deze procedure eerder niet naar waarheid heeft verklaard op punten die van belang zijn voor de beoordeling van dit geschil. Volgens UIB dient de ernst van de schending van de waarheidsplicht ertoe te leiden dat de stellingen en betwistingen van ZZC c.s. in deze procedure in beide instanties als onverifieerbaar, en daarmee als ontoereikend gemotiveerd onderbouwd, gepasseerd moeten worden. UIB onderbouwt dit door erop te wijzen dat uit hetgeen [geïntimeerde 2] heeft verklaard in zijn gesprekken met [directeur Utd Int. Holdings] en [voorzitter RvC UIB] volgt dat: (
- i)[geïntimeerde 2] /ZZC wel degelijk contact heeft gezocht met de afnemers van de bananen van EBT, ook nadat hij begin september 2012 door EBT was geïnformeerd dat EBT/UIB de gerechtigde was tot de bananen/betaling van de facturen. [geïntimeerde 2] heeft bij diverse afnemers nog getracht hen te bewegen de nog openstaande facturen te betalen, en (
- ii)[geïntimeerde 2] heeft gelogen over documenten die ZZC in deze procedure heeft overgelegd door in strijd met de waarheid te verklaren dat hij de volledige voorhanden zijnde e-mailcorrespondentie heeft (doen) overleggen, terwijl hij deze heeft laten schonen op e-mails die refereren aan drugs. 6.55. Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat door ( [geïntimeerde 2] voor) ZZC c.s. eerder in deze procedure op voornoemde punten niet volledig naar waarheid is verklaard, althans geen volledige openheid van zaken is verschaft. 6.56. Het hof oordeelt dat de door UIB aangevoerde hiervoor genoemde punten in beginsel van belang zouden kunnen worden gevonden voor de beoordeling van dit geschil. Het is aan het hof om vervolgens te beoordelen welke gevolgtrekking daaraan te verbinden. Daarbij dient het hof acht te slaan op de aard en ernst van de schending van waarheids- en volledigheidsplicht en de overige omstandigheden van het geval (HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144, rov. 3.3) 6.57. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een zodanige (ernstige) schending door ZZC c.s. van artikel 21 Rv dat deze de vergaande gevolgtrekking kan rechtvaardigen die UIB voorstaat. Ter toelichting overweegt het hof als volgt. 6.58. ZZC heeft op de zitting van 23 maart 2017 bij de voorzieningenrechter te Amsterdam, aan UIB toegezegd binnen drie weken de correspondentie met VFI en derden over de bananentransacties vanaf 2012, voor zover (nog) in haar bezit, aan UIB te zullen verschaffen. In haar memorie van antwoord (onder 17) geeft ZZC aan dat zij zich aan haar belofte heeft gehouden en alle relevante correspondentie (e-mails) heeft overgelegd. [geïntimeerde 2] heeft in zijn gesprekken met [directeur Utd Int. Holdings] en [voorzitter RvC UIB] erkend dat hij de e-mailberichten met VFI evenwel eerst heeft doen schonen van e-mails met verwijzingen naar drugs. 6.59. Op zichzelf beschouwd vormt het voorgaande een inbreuk op het bepaalde in artikel 21 Rv. Het hof stelt evenwel ook vast dat [geïntimeerde 2] , gehoord als getuige op 19 september 2013, reeds als slotopmerking heeft verklaard: “Ik wil ook graag nog het volgende vertellen. In de periode dat de bananen van EBT binnenkwamen barstte het van de cocaïne die met die bananen meekwam.” Verder heeft [geïntimeerde 2] ter toelichting op het schonen van de e-mails aangegeven dat hij zijn personeel wilde beschermen. Hoewel dit geen rechtvaardiging vormt van zijn niet correcte mededeling over de volledigheid van de verstrekking – waarover [geïntimeerde 2] ook (uit eigen beweging) nadien jegens UIB zijn spijt heeft betuigd, zo begrijpt het hof – weegt het hof wel mee dat de handelwijze van [geïntimeerde 2] niet (primair) gericht erop lijkt te zijn geweest om de waarheidsvinding te belemmeren in dit geding. 6.60. De overige punten waarop [geïntimeerde 2] in zijn gesprekken met [directeur Utd Int. Holdings] en [voorzitter RvC UIB] anders heeft verklaard dan in het verleden betreffen naar het oordeel van het hof punten die van minder belang zijn voor de beoordeling van dit geschil, of althans punten die daarvoor van geringer gewicht zijn. Een sanctie daarvoor, laat staan een sanctie als door UIB gewenst, is daarvoor niet op zijn plaats. Slotsom 6.61. De stellingen van UIB zijn door ZZC c.s. gemotiveerd betwist en vanwege een gebrek aan onderbouwing verworpen. Het hof komt aan bewijslevering niet toe. Een bewijsaanbod dat in voldoende mate is toegespitst op de wetenschap van [geïntimeerde 2] /ZZC in de periode mei/juni/juli 2012 van de factoringfraude van [X] , is bovendien niet gedaan. 6.62. Uit het voorgaande volgt dat er geen gronden zijn voor vernietiging van het vonnis. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd. Proceskosten 6.63. UIB zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in het hoger beroep, aan de zijde van ZZC c.s. tot op heden begroot op € 22.385,00 bestaande uit griffierecht ter hoogte van € 5.270,- en salariskosten advocaat ter hoogte van € 17.115,- (3 punten à € 5.705,- (tarief VIII)). 7De beslissing Het hof: bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 7 november 2018, veroordeelt UIB in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ZZC c.s. begroot op € 22.385,00, en verklaart de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.P. Schild, J.M. van der Klooster en J.W. Frieling, en getekend is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 november 2022 in aanwezigheid van de griffier.