GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer hof : 200.292.255/01Zaaknummer rechtbank : C/09/564258 / HA ZA 18-1210 Arrest van 8 november 2022 in de zaak van [appellante] , in de hoedanigheid van curator van haar zoon [zoon] , wonende te [woonplaats] , appellante in principaal hoger beroep, verweerster in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: [appellante] , en haar zoon: [zoon] , advocaat: mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven, tegen 1 [verweerster] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [verweerster] , en 2. [verweerder] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [verweerder] , verweerders in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. E. Wytema te Haarlem. 1De zaak in het kort In deze zaak moet beoordeeld worden of [appellante] aansprakelijk is voor de letselschade die [zoon] in Griekenland heeft toegebracht aan [verweerder] . Het hof komt, anders dan de rechtbank, tot het oordeel dat [appellante] op grond van het toepasselijke Griekse recht daarvoor niet aansprakelijk is. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 4 maart 2021, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2021; de akte rectificatie van [appellante] ; de memorie van grieven van [appellante] ; de akte incidentele vordering ex artikel 351 Rv van [appellante] ; de conclusie van antwoord in het incident van [verweerster] en [verweerder] (hierna samen ook [verweerster] c.s.); het tussenarrest van dit hof van 1 maart 2022 waarin het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2021 is toegewezen; de memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel appel van [verweerster] c.s., met bijlagen; de memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel appel van [appellante] , met een bijlage. 2.2 Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd. 3Feitelijke achtergrond De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 22 januari 2020 onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Beide partijen hebben in hoger beroep aanvullende feiten gesteld, maar beide partijen hebben de door de andere partij gestelde aanvullende feiten ook gemotiveerd weersproken. Omdat partijen geen grieven hebben aangevoerd tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten, zijn deze in hoger beroep niet in geschil en dienen zij derhalve ook voor het hof als uitgangspunt. Samengevat komen de feiten neer op het volgende. 3.1 [appellante] is de moeder van [zoon] , die geboren is op [geboortedatum] . [zoon] is bij beschikking van 26 mei 2011 door de kantonrechter in de rechtbank Arnhem onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis. [appellante] is daarbij benoemd tot curator. 3.2 In de periode tussen ongeveer 28 april 2013 en 5 mei 2013 waren [appellante] en [zoon] samen met andere familieleden met vakantie op Kreta. Rond 5 mei 2013 is [appellante] met de andere familieleden teruggekeerd naar Nederland. [zoon] is op eigen initiatief op Kreta achtergebleven om te werken in het animatieteam van het hotel waar de familie tijdens hun vakantie had gelogeerd. 3.3 Op 5 mei 2013 is [verweerster] met haar zoons [verweerder] en [zoon 2] (toen 11 en 5 jaar oud) met vakantie gegaan naar Kreta. 3.4 In de avond van 14 mei 2013 heeft [zoon] , die op dat moment werkte in het animatieteam van het hotel waar [verweerster] en haar zoons verbleven, [verweerder] zwaar mishandeld. [zoon] heeft hem verschillende keren met een mes gestoken in zijn romp, borst, ledematen en hoofd. [verweerder] heeft daarbij zeer ernstig en deels onherstelbaar letsel opgelopen. 3.5 [verweerster] heeft [appellante] bij exploot van 12 april 2018 aansprakelijk gesteld voor de kosten en schade die [verweerster] en [verweerder] hebben geleden, lijden en nog zullen lijden als gevolg van de mishandeling en, voor zover nodig, de verjaring van haar vordering gestuit. 4Procedure bij de rechtbank 4.1 [verweerster] , zowel pro se als in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van - de toen nog minderjarige - [verweerder] , heeft, voor zover in hoger beroep van belang, [appellante] gedagvaard en gevorderd, kort samengevat, dat de rechtbank zal verklaren voor recht dat [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verweerster] en [verweerder] en gehouden is de door hen geleden en nog te lijden schade te vergoeden, en [appellante] , uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen tot vergoeding van die schade, waarbij de schade, vermeerderd met wettelijke rente, nader moet worden opgemaakt bij staat, een en ander met veroordeling van [appellante] tot betaling van de proceskosten. [appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen van [verweerster] . 4.2 De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, voor recht verklaard dat [appellante] in haar hoedanigheid van curator van [zoon] jegens [verweerster] aansprakelijk is voor de schade die [verweerder] en [verweerster] hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de mishandeling van [verweerder] door [zoon] omdat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verweerder] door [zoon] in Griekenland achter te laten zonder begeleiding en steun en zonder voldoende medicatie, en heeft [appellante] veroordeeld tot vergoeding aan [verweerster] van die schade met wettelijke rente, op te maken bij staat, en tot betaling van de proceskosten. 5Vorderingen in hoger beroep 5.1 [appellante] is in hoger beroep gekomen en heeft verschillende grieven tegen het vonnis aangevoerd. [appellante] wil dat het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en de vorderingen van [verweerster] c.s. alsnog afwijst, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [verweerster] c.s. tot restitutie van hetgeen krachtens het eindvonnis in eerste aanleg is betaald, vermeerderd met rente, en tot betaling van de proceskosten in beide instanties, inclusief de nakosten in hoger beroep. 5.2 Kort samengevat zien de bezwaren van [appellante] tegen het vonnis op het volgende. De vorderingen tegen [appellante] zijn volgens haar verjaard. De aansprakelijkheid van [appellante] kan niet beoordeeld worden in haar rol van curator van [zoon] omdat naar Grieks recht de rechtspositie van een door een Nederlandse rechter benoemde curator niet wordt erkend. [appellante] is niet nalatig geweest en heeft de zorg betracht die in de concrete omstandigheden van het geval redelijkerwijs van haar kon worden verlangd. Omdat de ondercuratelestelling van de meerderjarige [zoon] rechtens in Griekenland niet bestond, had [appellante] geen mogelijkheden om [zoon] te dwingen met haar terug te keren naar Nederland. En als [appellante] met [zoon] in Griekenland zou zijn gebleven, had zij de mishandeling ook niet kunnen voorkomen. De rechtbank heeft ten onrechte causaal verband aangenomen tussen de gestelde nalatigheid van [appellante] en de mishandeling en schade van [verweerder] , en heeft [appellante] bovendien ten onrechte niet toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, aldus nog steeds [appellante] . 5.3 [verweerster] c.s. hebben de grieven bestreden, geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot (gedeeltelijke) uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de veroordeling van [appellante] tot betaling van schadevergoeding. 5.4 Daarnaast hebben [verweerster] c.s. “voor zover nodig” voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld “met betrekking tot de feiten”. Daarin bepleiten [verweerster] c.s. vaststelling en aanvulling van de feiten zoals in hun memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel appel gesteld, en vernietiging van de door de rechtbank in het bestreden vonnis “in r.o. 2.6 vastgestelde feiten ten aanzien van het moment van bekendheid van de ouders van [zoon] ”, een en ander met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in beide instanties. 5.5 [appellante] heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidentele hoger beroep en veroordeling van [verweerster] c.s. tot betaling van de kosten daarvan. 6Beoordeling in hoger beroep De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht 6.1 Omdat [verweerster] en [verweerder] in het buitenland woonachtig zijn, en het achterlaten van [zoon] en de daarop gevolgde mishandeling van [verweerder] hebben plaatsgevonden in het buitenland, draagt de vordering een internationaal karakter en dient ambtshalve te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De vordering valt onder het materiële toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke handelszaken (Brussel Ibis-Verordening), omdat het gaat om een burgerlijke of handelszaak als bedoeld in artikel 1 van die verordening. De vordering is aanhangig gemaakt na 10 januari 2015 zodat de verordening op grond van artikel 66 lid 1 ervan ook in temporeel opzicht van toepassing is. Hoofdregel van de verordening (artikel 4 lid 1) is dat de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een EU-lidstaat, ongeacht zijn nationaliteit, wordt opgeroepen voor de rechter van die lidstaat. De Nederlandse rechter komt daarom bevoegdheid toe om kennis te nemen van het onderhavige geschil tussen partijen, nu [appellante] woonplaats heeft in Nederland. De rechtbank heeft zich dan ook terecht bevoegd geacht om van de vordering kennis te nemen; de juistheid van dat oordeel staat tussen partijen overigens niet ter discussie. 6.2 De rechtbank heeft vervolgens op grond van de artikelen 4 lid 1 en artikel 15 van Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-Verordening) geoordeeld dat de vordering beoordeeld moet worden naar Grieks recht. Tegen dat oordeel is door partijen evenmin bezwaar gemaakt. Ook het hof zal Grieks recht toepassen. Het beroep op verjaring 6.3 Volgens de rapportage van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) van 15 april 2020 verjaart naar Grieks recht (artikel 937 van het Grieks Burgerlijk Wetboek (GBW) de vordering in een zaak als deze na vijf jaar. Deze termijn begint te lopen vanaf het moment dat het slachtoffer bekend is met de schade en de aansprakelijke persoon. Daarbij geldt de in de rechtspraak en literatuur ontwikkelde voorwaarde dat de eiser in redelijkheid niet belemmerd moet zijn geweest om een vordering in rechte in te stellen. De verjaring kan op verschillende manieren worden gestuit, onder meer - en voor zover van belang in deze zaak - door de aanvang van een juridische procedure ten aanzien van de vordering (artikel 261 GBW). 6.4 [appellante] heeft in eerste aanleg een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [verweerster] , gericht tegen [appellante] zowel als moeder van [zoon] als in haar hoedanigheid van curator van [zoon] . De rechtbank heeft in r.o. 2.6 van het bestreden vonnis overwogen, voor zover in hoger beroep van belang, dat [verweerster] kort na de mishandeling – en dus kort na 14 mei 2013 – ermee bekend was dat zij mogelijkerwijs [appellante] als moeder van [zoon] zou kunnen aanspreken wegens de gestelde nalatigheid en dat de verjaringstermijn in zoverre medio mei 2013 is gaan lopen. 6.5 In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep hebben [verweerster] c.s. zich op het standpunt gesteld dat zij pas in 2018 hebben vernomen dat de rol van [appellante] ter discussie zou kunnen worden gesteld. [verweerster] c.s. hebben gesteld dat zij vóór 2018 niets wisten over de feitelijke achtergronden van de zaak. Tijdens de zitting op 4 (het hof leest: 2) mei 2014 in de strafzaak op Kreta was geen tolk aanwezig. Zij werden niet of nauwelijks op de hoogte gehouden van de afwikkeling van de strafzaak en voor vertaling van de strafvonnissen was geen geld beschikbaar. [appellante] is gedagvaard op 27 november 2018 dus ruim vóór het verstrijken van de verjaringstermijn, aldus [verweerster] c.s. 6.6 [appellante] heeft een en ander gemotiveerd weersproken met verwijzing naar de door [verweerster] c.s. zelf overgelegde vertaling van de uitspraak van de Griekse rechtbank van 2 mei 2014. In principaal hoger beroep heeft zij betoogd dat de vordering, voor zover gericht tegen haar in hoedanigheid van curator van [zoon] , eveneens is verjaard, anders dan de rechtbank in r.o. 2.10 tot en met 2.13 van het bestreden vonnis heeft overwogen. 6.7 Het hof overweegt met betrekking tot het beroep op verjaring het volgende. Vooropgesteld wordt dat [appellante] in persoon geen partij is in dit hoger beroep. [appellante] heeft uitsluitend in haar hoedanigheid van curator van [zoon] hoger beroep ingesteld, en uit niets blijkt dat [verweerster] c.s. bedoeld hebben om [appellante] in persoon in hun incidentele hoger beroep te betrekken; [verweerster] c.s. hebben dat ook niet gesteld. Tegen de constatering door de rechtbank dat de vordering tegen de vader, als andere ouder van [zoon] , was verjaard hebben zij evenmin hoger beroep ingesteld. Hun hoger beroep is, als gezegd, voorwaardelijk ingesteld met betrekking tot de feiten (memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel appel, 2.4). Gelet hierop behoeft geen bespreking, het oordeel van de rechtbank dat hun vordering tegen [appellante] als moeder van [zoon] , dus in persoon, is verjaard. 6.8 Het beroep van [appellante] op verjaring van de vordering voor zover die is gericht tegen [appellante] in haar hoedanigheid van curator van [zoon] gaat niet op, gelet op wat het hof hierover hierna zal overwegen. 6.9 Uit de overgelegde vertaling van de uitspraak van 2 mei 2014 valt af te leiden dat [verweerster] - met bijstand van een advocaat - de zitting van de Griekse rechtbank op 2 mei 2014 heeft bijgewoond. Ook was volgens deze vertaling tijdens deze zitting een tolk Russisch aanwezig, mevrouw [tolk] . Aangenomen moet worden dat zij ten behoeve van [verweerster] als tolk heeft opgetreden tijdens de zitting. [appellante] heeft tijdens bedoelde zitting als getuige een verklaring afgelegd waarin zij onder meer heeft verklaard dat zij de moeder is van [zoon] , en dat zij destijds ook zijn curator was, en waarin zij heeft toegelicht onder welke omstandigheden zij [zoon] destijds alleen heeft achtergelaten in Griekenland. Ook zijn medewerkers van het animatieteam van het hotel tijdens de zitting als getuige gehoord. Zij hebben eveneens verklaard dat [zoon] alleen achterbleef in Griekenland. In de motivering van de uitspraak is vervolgens uitvoerig ingegaan op de feitelijke omstandigheden waaronder [zoon] alleen is achtergebleven in Griekenland en de rol die [appellante] daarbij heeft gehad. Daaruit volgt dat [verweerster] in ieder geval tijdens de zitting op 2 mei 2014 bekend moet zijn geraakt met de feitelijke omstandigheden waaronder [zoon] alleen is achtergebleven in Griekenland en de rol die [appellante] als moeder en curator van [zoon] daarbij heeft gehad. 6.10 [verweerster] is de procedure in eerste aanleg tegen [appellante] gestart door het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 27 november 2018, dat is binnen vijf jaar na 2 mei 2014 en dus vóór het verstrijken van de verjaringstermijn. 6.11 Dat [verweerster] al op een eerder moment dan vijf jaar vóór 27 november 2018, dus uiterlijk op 27 november 2013, heeft geweten dat zij [appellante] aansprakelijk zou kunnen stellen, heeft [appellante] niet of onvoldoende onderbouwd gesteld. [appellante] heeft er weliswaar op gewezen dat de mishandeling destijds veel aandacht heeft gekregen in zowel de Griekse als de Russische pers en dat daarbij ook de rol van [appellante] werd belicht, maar zij heeft niet onderbouwd gesteld dat [verweerster] van die berichten vóór of uiterlijk op 27 november 2013 heeft kennisgenomen. 6.12 Dat de ondercuratelestelling bekend wordt verondersteld omdat deze staat ingeschreven in een daartoe bestemd (Nederlands) openbaar register zoals [appellante] heeft aangevoerd - wat daarvan zij in een internationale zaak als de onderhavige - maakt niet dat [verweerster] c.s. geacht moeten worden uiterlijk op 27 november 2013 bekend te zijn geweest met [appellante] in de hoedanigheid van curator van [zoon] als aansprakelijke persoon in verband met de schade van [verweerder] . [verweerster] c.s. kan naar het oordeel van het hof niet worden tegengeworpen dat zij niet tijdig het Nederlandse curatele- en bewindregister heeft geraadpleegd om vast te stellen of [zoon] onder curatele stond en zo ja, wie zijn curator was. 6.13 Gezien het vorenstaande slaagt het beroep op verjaring van [appellante] met betrekking tot de vordering gericht tegen [appellante] in haar hoedanigheid van curator van [zoon] niet. Grief 1 in principaal hoger beroep faalt in zoverre. Het incidentele hoger beroep faalt, gelet op r.o. 6.7, in zoverre eveneens; het kan niet tot vernietiging van het vonnis leiden. Is [appellante] in haar hoedanigheid van curator van [zoon] aansprakelijk op grond van artikel 923 GBW? 6.14 Uit de rapportage van het IJI blijkt dat artikel 923 GBW het volgende bepaalt: “Whoever has the supervision of a person under age or of a person placed under judicial assistance is liable for the damage that such persons unlawfully cause to a third party, unless he proves that he has exercised properly the duty of supervision or that the damage could not have been avoided. (…)”. Beoordeeld dient te worden of [appellante] in haar hoedanigheid van curator van [zoon] op basis van dit artikel aansprakelijk is. 6.15 Het hof acht voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van [appellante] op grond van artikel 923 GBW niet bepalend of de rechtspositie van een door een Nederlandse rechter benoemde curator (ten tijde hier van belang) al dan niet in Griekenland werd erkend, zoals door [appellante] aan de orde is gesteld. Ingevolge het artikel is, voor zover voor deze zaak van belang, een plicht vereist om toezicht te houden en daarvan zou in dit geval sprake kunnen zijn aangezien door de kantonrechter te Tiel een - naar Nederlands recht - rechtsgeldige beslissing is genomen om [zoon] onder curatele te stellen, met benoeming van [appellante] als curator. In dit verband wordt het volgende overwogen. 6.16 Ingevolge artikel 1:378 lid 1 BW kan een meerderjarige onder curatele worden gesteld wanneer hij tijdelijk of blijvend zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.