GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Zaaknummer hof : 200.300.812/01 Zaaknummer rechtbank : C/10/576227 / HA ZA 19-561345 Arrest van 8 november 2022 in de zaak van 1 [appellant 1] , en 2. [appellant 2], beiden wonende te [woonplaats] , appellanten, advocaat: mr. L.A. Jansen te Oud-Beijerland, tegen 1 [geïntimeerde 1] , en 2. [geïntimeerde 2], beiden wonende te [woonplaats] , verweerders, advocaat: mr. M.J. Goedhart te Rotterdam. Het hof zal partijen hierna noemen: [appellant] en [geïntimeerde] (mannelijk enkelvoud). 1De zaak in het kort 1.1 Partijen zijn buren van elkaar. Op het perceel van [appellant] rust een erfdienstbaarheid (een recht van weg) ten gunste van het perceel van [geïntimeerde] Volgens [geïntimeerde] ziet die erfdienstbaarheid op het pad dat vanaf de openbare weg over de achterkant van het perceel van [appellant] naar de garage van [geïntimeerde] loopt. In een andere procedure (een zogeheten bodemprocedure) heeft hij gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld om dat pad geheel vrij te houden. De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen. [appellant] is in hoger beroep gegaan. Het hof doet in die zaak ook vandaag uitspraak (200.294.408/01) en die uitspraak houdt in dat het bodemvonnis wordt bekrachtigd. 1.2 In de tussentijd heeft [appellant] dit kort geding aanhangig gemaakt waarin hij (onder meer) heeft gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om te gedogen dat [appellant] de twee poorten, die eerder op het pad naar de garage stonden, weer terugplaatst. Die vordering is afgewezen bij vonnis van 11 juni 2021. Het gaat nu om het hoger beroep tegen dat kortgedingvonnis. Het hof sluit zich aan bij zijn uitspraak in de bodemprocedure. Dat betekent dat [appellant] ook in deze zaak geen gelijk krijgt en dat het vonnis van 11 juni 2021 dus wordt bekrachtigd. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 8 juli 2021, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 11 juni 2021; de memorie van grieven van [appellant] van 23 november 2021, met bijlagen; het arrest van dit hof van 21 december 2021, waarin een mondelinge behandeling is gelast; deze zitting heeft geen doorgang gevonden omdat partijen hebben bericht dat zij daarvan wilden afzien; de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 24 mei 2022, met bijlagen. 3Feitelijke achtergrond 3.1 [geïntimeerde] en [appellant] zijn sinds juli 2007 buren van elkaar. [geïntimeerde] woont sinds 2004 aan [straat 1] [nummer] in [plaats] (perceel [A] ). [appellant] woont sinds 2007 aan [straat 1] [nummer] (perceel [B] ). 3.2 Het huis van [appellant] is een hoekwoning: zijn perceel ligt op de hoek van [straat 1] en [straat 2] . Het huis van [geïntimeerde] ligt ernaast en is een tussenwoning. Achter de achtertuinen van [geïntimeerde] en [appellant] loopt een smalle brandgang (niet benaderbaar met een auto). 3.3 In de achtertuin van zowel [geïntimeerde] als van [appellant] staat een schuur. Deze schuren staan niet helemaal tegen de achtergrens van de tuinen aan. Achter de schuur van [geïntimeerde] staat een garage. De opening van die garage ligt in de richting van het perceel van [appellant] en (dus ook) in de richting van [straat 2] . Om met een auto van [straat 2] naar de garage te kunnen komen moet er worden gereden over het pad dat over de achterkant van het perceel van [appellant] loopt. 3.4 Op het perceel van [appellant] rust een erfdienstbaarheid – een recht van weg – ten gunste van het perceel van [geïntimeerde] 3.5 Tussen partijen is op een gegeven moment verschil van mening ontstaan over (onder meer) de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening ervan. [appellant] heeft twee schuttingdelen/poorten geplaatst op het pad vanaf [straat 2] naar de garage van [geïntimeerde] , één direct aan het begin van het pad, bezien vanaf [straat 2] , en één dichterbij de garage. [appellant] heeft ook allerlei zaken op het pad gestald. Ondanks bemiddeling van derden hebben partijen geen oplossing gevonden. 3.6 [geïntimeerde] is een bodemprocedure gestart waarin hij vorderde – kort samengevat – dat [appellant] zou worden veroordeeld tot ongehinderd het genot verschaffen van het pad voor de garage zodat hij te allen tijde ongehinderd met zijn auto de garage kan bereiken vanaf [straat 2] en vice versa, door het verwijderen van alle op het pad aanwezige zaken en van de door [appellant] aangebrachte eenzijdig af te sluiten schuttingdelen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. 3.7 Bij vonnis van 25 november 2020 (C/10/576227 / HA ZA 19-561) heeft de rechtbank de verweren van [appellant] verworpen en de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. 3.8 Na dit vonnis heeft [appellant] alle op het pad liggende voorwerpen verwijderd, maar de schuttingdelen/poorten heeft hij niet direct verwijderd. In april 2022 zijn deze alsnog weggehaald. [geïntimeerde] heeft aanspraak gemaakt op de volgens hem verbeurde dwangsommen. [appellant] is vervolgens dit kort geding begonnen, waarin hij de hierna onder 4.1. vermelde vordering heeft ingesteld. 3.9 [appellant] is in hoger beroep gegaan van het vonnis van 25 november 2020 (de bodemprocedure). Vandaag doet het hof ook in dat hoger beroep uitspraak (200.294.408/01). Die uitspraak in de bodemprocedure houdt in dat het hof het eens is met de rechtbank en dat het vonnis van 25 november 2020 wordt bekrachtigd. Het hof heeft de verweren van [appellant] verworpen en bepaald dat de erfdienstbaarheid wel degelijk ziet op het pad van [straat 2] naar de garage en dat er geen grond is om [appellant] toe te staan twee poorten (van beide kanten te openen) terug te plaatsen. 4Procedure bij de rechtbank 4.1 [appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd dat, samengevat, de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] veroordeelt om te gehengen en te gedogen dat [appellant] de toegangspoort (de eerste poort vanuit [straat 2] gezien) en de openslaande poort (de tweede poort vanuit [straat 2] gezien) terug zal plaatsen, althans weer in gebruik zal nemen, op straffe van verbeurte van een dwangsom; [geïntimeerde] gebiedt om indien en voor zover hij de eerste poort en/of de tweede poort opent, deze poort(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.