GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-22/00314 en BK-22/00315 Uitspraak van 15 december 2022 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: […] ) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 14 februari 2022, nummers SGR 21/617 en SGR 21/
- Procesverloop 1.
- Belanghebbende is over het eerste kwartaal, het tweede kwartaal en het vierde kwartaal 2020 bij beschikking geen teruggaaf van omzetbelasting verleend. 1.
- Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de beschikkingen gehandhaafd. 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van in totaal €
- De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar onder instandhouding van de rechtsgevolgen daarvan; - draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van in totaal € 362 aan eiseres te vergoeden.” 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van €
- De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.
- De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 november 2022, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.
- Belanghebbende staat met ingang van 8 maart 2019 als eigenaar van een eenmanszaak met het nummer [KvK-nummer 1] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK). De echtgenoot van belanghebbende is volgens het uittreksel van de KvK de gevolmachtigde (volledige volmacht) voor deze onderneming. Aan belanghebbende is voor deze inschrijving een omzetbelastingnummer toegekend met volgnummer
- Ook de echtgenoot van belanghebbende staat vanaf 8 maart 2019 als eigenaar van een eenmanszaak ingeschreven bij de KvK. 2.
- Op 18 augustus 2020 is de onderneming van belanghebbende met het nummer [KvK-nummer 1] voortgezet door een onderneming met het KvK nummer [KvK-nummer 2] . Deze laatste onderneming staat op naam van de echtgenoot van belanghebbende. 2.
- De onderneming met nummer [KvK-nummer 2] is met ingang van 21 augustus 2020 voortgezet door een eenmanszaak met het KvK nummer [KvK-nummer 3] waarvan belanghebbende staat geregistreerd als eigenaar. De echtgenoot van belanghebbende is volgens het uittreksel van de KvK de gevolmachtigde (volledige volmacht) voor deze onderneming. Naar aanleiding van deze inschrijving is aan belanghebbende een omzetbelastingnummer toegekend met volgnummer
- 2.
- Belanghebbende heeft op haar aangiften omzetbelasting voor de tijdvakken gelegen in 2019 geen omzet vermeld en uitsluitend voorbelasting aangegeven. Op de aangifte omzetbelasting voor het eerste kwartaal 2020 heeft belanghebbende uitsluitend een bedrag aan voorbelasting van € 202 aangegeven. Op de aangifte voor het tweede kwartaal 2020 heeft belanghebbende een omzet van € 200 en een daarover verschuldigd belastingbedrag van € 42 aangegeven en een bedrag van € 1.449 aan voorbelasting. Per saldo resulteerde dit in een verzoek om teruggaaf van € 1.
- De aangifte omzetbelasting van belanghebbende voor het derde kwartaal 2020 is een nihilaangifte; daarop is geen verschuldigde belasting en geen voorbelasting vermeld. Met ingang van het vierde kwartaal heeft belanghebbende aangifte gedaan op het omzetbelastingvolgnummer
- Op die aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 7.500 aan omzet en een daarover verschuldigd bedrag aan omzetbelasting van € 1.575 aangegeven en een bedrag van € 3.306 aan voorbelasting. Dit resulteerde in een verzoek om teruggaaf van € 1.
- 2.
- Naar aanleiding van de aangifte over het tweede kwartaal 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende op 24 augustus 2020 onder meer verzocht informatie te verstrekken over de in aftrek gebrachte voorbelasting en een omschrijving te geven van de bedrijfsactiviteiten. 2.
- In reactie hierop heeft belanghebbende in haar brief van 28 augustus 2020 het volgende meegedeeld: “In het eerste kwartaal van 2019 ben ik begonnen met mijn webshops. Daarvoor heb ik twee websites. Op facebook ben ik erg actief. Helaas heeft het niet bijgedragen tot een positief saldo. We gaan ons nu wat meer richten op onderdelen en upgrades voor Dodge Vans. Wij verwachten daar op korte termijn wel iets mee te verdienen is. Sterker nog de eerste orders zijn al binnen. Verder voeren wij proefprocessen om casussen te testen in hoeverre een bepaalde claim haalbaar is. Daarvoor zijn de nota’s van de deurwaarders en de griffierechten. Aangezien ik alleen aan particulieren verkoop verstrek ik geen facturen. Er wordt door de klant betaald op mijn privérekening onder vermelding van wat ze kopen en waar het heen moet er zijn in het tweede kwartaal ook een paar klanten hier geweest die contant hebben betaald. (…) Daarnaast bent u een man en verkopen wij lingerie en vind ik het ongepast om de gegevens van mijn klanten met u te delen in combinatie met wat zij hebben gekocht.” Bij deze brief heeft belanghebbende een kostenoverzicht gevoegd en kopieën van bonnen en facturen. 2.
- Naar aanleiding van de aangifte over het vierde kwartaal 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende op 29 januari 2021 onder meer verzocht informatie te verstrekken over de in aftrek gebrachte voorbelasting en een omschrijving te geven van de bedrijfsactiviteiten. In reactie hierop heeft de echtgenoot van belanghebbende in zijn brief van 3 februari 2021 het volgende meegedeeld: “In het eerste kwartaal van 2019 is zij begonnen met haar webshops. Daarvoor heeft zij twee websites. Op facebook is zij zeer actief. Helaas heeft het niet bijgedragen tot een positief saldo. Opgegeven moment is cliënt zich meer gaan richten op onderdelen en upgrades voor Dodge Vans. In het derde kwartaal leverde dat een omzet van €6.000,- en in het vierde kwartaal €7.500,- op. Eind 2020 is besloten de onderneming te staken. Wij verkopen alleen aan particulieren en daarom behoeven wij geen verkoopadministratie bij te houden, aldus uw eigen website. Opgegeven moment heeft cliënte getracht iets met onroerend goed te gaan doen. Zij heeft vele plekken afgereden en bekeken. Toen kwam corona en corona bleef. (…) Dus dat plan is weer in de ijskast gezet.” Ook bij deze reactie is een overzicht van gemaakte kosten bijgevoegd en zijn kopieën van verschillende facturen en bonnen overgelegd. 2.
- De Inspecteur heeft bij beschikkingen met dagtekening 9 oktober 2020 de verzoeken om teruggaaf voor het eerste en tweede kwartaal 2020 afgewezen. Bij brief van 11 maart 2021 heeft de Inspecteur voor het vierde kwartaal 2020 meegedeeld dat van de voorbelasting alleen een bedrag van € 210 wordt geaccepteerd. De overige voorbelasting is niet geaccepteerd omdat die betrekking heeft op auto’s die niet op naam van belanghebbende staan en de desbetreffende bonnen/facturen ook niet op naam van belanghebbende zijn gesteld. Verder gaat het volgens de Inspecteur om kosten van de privéwoning van belanghebbende. De echtgenoot van belanghebbende heeft bij brief van 18 maart 2021 hierop gereageerd. 2.
- Bij beschikking met dagtekening 26 maart 2021 heeft de Inspecteur het verzoek om teruggaaf voor het vierde kwartaal 2020 afgewezen. De Inspecteur heeft de brief van 18 maart 2021 aangemerkt als bezwaar tegen de afwijzing van de teruggaaf voor het vierde kwartaal
- 2.
- De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 januari 2021 de bezwaren tegen voormelde teruggaafbeschikkingen afgewezen. 2.
- Het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank vermeldt, voor zover van belang: “[Belanghebbende] verklaart: (…) - Terugwijzen lijkt mij nu niet meer zinnig. Dit kost allemaal tijd en ik had die discussie daar moeten kunnen voeren. Dat kan nu niet meer. Ik weet niet in hoeverre het nut heeft, om dan alsnog te horen en dan zitten we daarna weer hier. Ik doe vooral civiel recht en geen bestuursrecht, ik heb hier geen ervaring mee.” Oordeel van de Rechtbank
- De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: ”Schending hoorplicht
- Ter zitting is vastgesteld dat niet in geschil is dat eiseres ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. De beroepen zijn dan ook gegrond vanwege schending van de hoorplicht. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat al hetgeen eiseres in beroep naar voren heeft gebracht, hem geen aanleiding geeft een ander standpunt in te nemen en dat het alsnog horen van eiseres dan ook niet tot een andere uitkomst zal leiden. Eiseres heeft vervolgens desgevraagd verklaard dat de zaken niet behoeven te worden teruggewezen naar verweerder teneinde alsnog te worden gehoord. De rechtbank zal daarom, mede gezien het bepaalde in artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaken voorzien. Ondernemerschap
- Artikel 7 van de Wet OB bepaalt, voor zover hier van belang, dat ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent ondernemer is. De Nederlandse wetgever heeft aan het begrip bedrijf in artikel 7 Wet OB geen andere betekenis willen toekennen dan toekomt aan het begrip economische activiteit in artikel 9 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de Btw-richtlijn).
- Uit het Rompelman-arrest[1] volgt dat degene die om aftrek van omzetbelasting verzoekt, moet aantonen dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan en met name ook dat hij als belastingplichtige is aan te merken, waarbij objectieve gegevens mogen worden verlangd. Het is derhalve aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij ondernemer is voor de omzetbelasting.
- Eiseres heeft in beroep geen andere argumenten of bescheiden overgelegd dan zij eerder aan verweerder heeft verstrekt. Ter zitting heeft zij daar nog het volgende aan toegevoegd. Eiseres en haar echtgenoot zijn op enig moment ieder zelfstandig doorgegaan. De verschillende handelsnamen die in de KvK worden vermeld bij de ondernemingen van eiseres en haar echtgenoot zijn door beiden gebruikt, maar niet tegelijkertijd. De (tijdelijke) verschuivingen van de onderneming naar haar echtgenoot en weer terug hadden te maken met een hypotheekaanvraag. De echtgenoot is contactpersoon voor de ondernemingen van eiseres.
- Met haar verklaring dat zij tot 1 februari 2021 twee webshops runde, daartoe lingerie heeft ingekocht, op enig moment is overgestapt op de verkoop van onderdelen en upgrades voor Dodge Vans en daarmee omzet heeft gegenereerd van € 6.000 tot € 7.500, geprobeerd heeft ook iets te doen in onroerend goed wat als gevolg van Corona niet is gelukt en zich bezighield met het voeren van proefprocedures is eiseres er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij ondernemer is voor de omzetbelasting. Ter onderbouwing van haar verklaring heeft eiseres voornamelijk facturen en bonnen overgelegd die betrekking hebben op de woonlasten van eiseres en haar echtgenoot (hypotheekrente, elektriciteit), internet- en belkosten, kosten van afhaalmaaltijden, benzinekosten en kosten van onderhoud en reparaties van auto’s die bij eiseres dan wel haar echtgenoot in gebruik zijn. Daaruit kan niet worden afgeleid dat eiseres in de onderhavige tijdvakken economische activiteiten heeft verricht. Zij heeft niets overgelegd waaruit de door haar gestelde economische activiteiten blijken zoals uitgaande facturen, betalingsbewijzen voor verkopen, registraties van digitale verkopen, correspondentie of e-mailwisseling met afnemers, advertenties of screenprints van haar websites. Eiseres heeft ook geen inkoopfacturen overgelegd waaruit de inkoop van lingerie ten behoeve van haar webshop blijkt, terwijl zij tevens heeft verklaard dat de huisvestingskosten zakelijk zijn omdat daar ook de voorraad werd opgeslagen. Voor wat betreft haar activiteiten met betrekking tot de Dodge Vans heeft eiseres uitsluitend een factuur overgelegd van 1 oktober 2020 voor het repareren, strak maken en in kleur spuiten van 15 Dodge spoilers. Ter zitting heeft de echtgenoot van eiseres echter verklaard dat het om spoilers gaat waarvoor hij veel onderzoek heeft gedaan, zelf mallen heeft gemaakt en uitgeprobeerd en dat hij de enige in Nederland is die deze producten heeft. Dat betekent dat deze factuur evenzeer betrekking zou kunnen hebben op eventuele activiteiten van de echtgenoot. De tenaamstelling van de factuur biedt daarover geen uitsluitsel nu de betreffende handelsnaam zowel bij de KvK registratie van eiseres als bij die van de echtgenoot van eiseres voorkomt. Verder heeft eiseres de volgens haar in het derde kwartaal 2020 gegenereerde omzet van € 6.000 niet op haar aangiften voor het derde of vierde kwartaal van 2020 vermeld. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat daarvoor ook geen suppletieaangifte is ingediend.
- Gelet op al het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ondernemer is voor de omzetbelasting. Voor het eerste, tweede en vierde kwartaal 2020 is daarom terecht geen teruggaaf van omzetbelasting verleend en de naheffingsaanslag over het vierde kwartaal 2020 is terecht aan eiseres opgelegd. Nu reeds vanwege het ontbreken van het ondernemerschap geen recht bestaat op aftrek van voorbelasting, behoeft de vraag of eiseres met de door haar overgelegde bescheiden de omzetbelasting die zij op haar aangiften in aftrek heeft gebracht voldoende heeft onderbouwd, geen behandeling. Dwangsom
- Ingevolge artikel 4:19 van de Awb heeft het beroep mede betrekking op de beslissing van verweerder van 3 februari 2021 om geen dwangsom toe te kennen wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaren van eiseres tegen de teruggaafbeschikkingen van9 oktober
- Eiseres heeft bij brief van 1 januari 2021, door verweerder ontvangen op31 december 2020, verweerder in gebreke gesteld wegens niet tijdig beslissen op haar bezwaren tegen de beschikkingen van 9 oktober
- Uit artikel 7:10, eerste lid, van de Awb volgt dat het bestuursorgaan op een bezwaar moet beslissen binnen zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen de beschikkingen van 9 oktober 2020 eindigde op 20 november
- De termijn om te beslissen op het bezwaarschrift liep dus af op 1 januari
- Dat is een algemeen erkende feestdag en 2 en 3 januari 2020 vielen op zaterdag en zondag. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet wordt de termijn waarbinnen verweerder moest beslissen op de bezwaren daarom verlengd tot en met 4 januari
- Dat betekent dat verweerder ten tijde van de dagtekening en de ontvangst van de ingebrekestelling, nog niet in gebreke was. Gesteld noch gebleken is dat eiseres verweerder daarna nogmaals in gebreke heeft gesteld. Het verzoek om een dwangsom toe te kennen, is daarom terecht afgewezen. Slotsom
- Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen uitsluitend gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht.
- De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Weliswaar heeft eiseres zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, maar de gemachtigde is tevens haar echtgenoot. Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting volgt dat de echtgenoot intensief bij de gestelde onderneming van eiseres betrokken is onder meer als gevolmachtigde en contactpersoon. Naar het oordeel van de rechtbank treedt de gemachtigde in deze dan ook primair op als echtgenoot en medebelanghebbende. Van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is daarom geen sprake. Andere kosten die voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen, zijn niet gesteld. [1] HvJ EU 14 februari 1985, nr. 268/83, ECLI:NL:C:1985:74” Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.
- Primair is in geschil of de hoorplicht is geschonden. Subsidiair is in geschil of belanghebbende ondernemer is voor de omzetbelasting. Indien deze laatste vraag bevestigend moet worden beantwoord is in geschil of belanghebbende de door haar in aftrek gebrachte voorbelasting aannemelijk heeft gemaakt. 4.
- Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot gegrondverklaring van het hoger beroep, en primair tot terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur en subsidiair tot verlening van de gevraagde teruggaven. 4.
- De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep. Beoordeling van het hoger beroep Schending hoorplicht 5.
- Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof het standpunt ingenomen dat de zaken teruggewezen moeten worden naar de Inspecteur zodat belanghebbende alsnog kan worden gehoord. 5.
- Het Hof zal de zaak niet terugwijzen. Belanghebbende heeft het standpunt om de zaak terug te wijzen naar de Inspecteur ter zitting van de Rechtbank uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgegeven (zie 2.11; vgl. HR 17 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV5026, BNB 2006/250). Bovendien is het weinig zinvol de zaak terug te wijzen naar de Inspecteur aangezien hij ter zitting van het Hof heeft verklaard dat hij, gelet op de door belanghebbende overgelegde stukken en de door (de gemachtigde van) belanghebbende afgelegde verklaringen, geen aanleiding ziet zijn standpunt te wijzigen. Teruggaafbeschikkingen 5.
- De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ondernemer is voor de omzetbelasting. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot de conclusie dat belanghebbende als economische activiteiten kwalificerende voorbereidende handelingen heeft verricht. Het Hof maakt de overwegingen van de Rechtbank tot de zijne en voegt daaraan het volgende toe. 5.
- Anders dan belanghebbende lijkt te menen, is een inschrijving in de KvK onvoldoende om als ondernemer voor de omzetbelasting te worden aangemerkt. Dat belanghebbende, zoals ter zitting is gesteld, vooral restpartijen opkocht waarvoor geen facturen werden opgesteld, komt voor risico van belanghebbende. Naast dat zij geen inkoopfacturen heeft overgelegd, heeft belanghebbende namelijk ook geen advertenties, verkoopfacturen, voorraadlijsten of correspondentie met afnemers overgelegd. 5.
- De door belanghebbende in hoger beroep overgelegde inkoopnota van € 345 (inclusief omzetbelasting) met factuurdatum 12 april 2016 gericht aan “ [naam 1] ” met omzetbelastingnummer [nummer] betreffende de aankoop van 32 “BRASSIERES” is onvoldoende om belanghebbende als ondernemer aan te merken. Deze factuur is niet aan (de onderneming van) belanghebbende gericht. Bovendien heeft de Inspecteur onweersproken gesteld dat het daarop vermelde omzetbelastingnummer en KvKnummer behoort tot de eenmanszaak van de partner van belanghebbende en dat deze nummers na uitschrijving bij de KvK op 24 november 2016 zijn vervallen. 5.
- De in hoger beroep overgelegde screenprint van de Facebook-pagina van “ [naam 2] ” en een factuur van [A] van 10 maart 2020 gericht aan de “ [naam 2] ” betreffende de aankoop van “Sitebuilder Pro” en een “SSL Domain Validation” leiden niet tot een andere conclusie. Het enkel hebben van een Facebook-pagina of website is onvoldoende om belanghebbende als ondernemer voor de omzetbelasting aan te merken. Hierbij is van belang dat belanghebbende geen enkele advertentie heeft overgelegd voor haar webshop terwijl belanghebbende wel diverse Excel-overzichten heeft overgelegd waarop meerdere malen ‘advertentiekosten’ zijn vermeld. Evenmin heeft belanghebbende facturen van deze advertenties overgelegd. 5.
- Bovendien geldt dat, voor zover belanghebbende al als ondernemer aangemerkt zou kunnen worden, de door haar overgelegde facturen ook geen recht geven op aftrek van voorbelasting. Zoals de Rechtbank al heeft overwogen, houden de overgelegde bonnen en inkoopfacturen geen verband met de door belanghebbende gestelde activiteiten, zijn de facturen niet aan belanghebbende gericht dan wel geeft de tenaamstelling op de facturen geen uitsluitsel over de vraag of de desbetreffende factuur betrekking heeft op activiteiten van belanghebbende of haar partner. De aftrek van voorbelasting is dan ook terecht geweigerd. Slotsom 5.
- Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten
- Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, W.M.G. Visser en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 15 december 2022 in het openbaar uitgesproken. aangetekend aan partijen verzonden: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.