GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.317.675/01 Zaaknummers rechtbank : C/10/639991 / FT EA 22/551 en C/10/639992 / FT EA 22/552 arrest van 29 november 2022 inzake [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: [appellante] advocaat: mr. T. Çatak, tegen ABN AMRO Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, belanghebbende, hierna te noemen: ABN AMRO. Het geding Bij beroepschrift (met producties) ingekomen ter griffie van het hof op 19 oktober 2022, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2022, waarbij haar verzoek ex art. 287a lid 1 Faillissementswet (hierna: Fw) om ABN AMRO te bevelen in te stemmen met de door haar aangeboden schuldregeling, is afgewezen. Zij verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en alsnog ABN AMRO te bevelen in te stemmen met de schuldregeling. Het hof heeft naast het beroepschrift kennisgenomen van de processtukken van de eerste aanleg en de schriftelijke reactie van ABN AMRO op het beroepschrift d.d. 18 november 2022 (met bijlagen). De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 november 2022, waarbij [appellante] is verschenen, bijgestaan door mr. Çatak, haar advocaat, werkzaam bij Schuldhulp De Schie. ABN AMRO heeft in voornoemde schriftelijke reactie medegedeeld dat zij niet aanwezig zal zijn ter zitting. Beoordeling van het hoger beroep 1. [appellante] heeft op 20 juni 2022 bij de rechtbank een verzoek ingediend om ABN AMRO en Capabel Onderwijs te bevelen in te stemmen met de door haar aangeboden schuldregeling. Capabel Onderwijs heeft daarna alsnog ingestemd met de schuldregeling. 2. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen omdat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat ABN AMRO niet in redelijkheid tot weigering van de door [appellante] aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel dat [appellante] heeft voorgelegd het uiterste is waartoe zij in staat moeten worden geacht. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat gebleken is dat [appellante] in het bezit is van een auto, dat de schuldeisers daarvan niet op de hoogte zijn gesteld en dat de noodzaak van het behoud van de auto niet voldoende is onderbouwd. Verder is de wijze waarop het minnelijke traject is gefinancierd niet duidelijk geworden. [appellante] heeft verklaard dat haar vader een bedrag aan Schuldhulp De Schie heeft gesponsord, terwijl de schuldhulpverlener heeft verklaard dat de schuldbemiddeling om niet is geschied. Een en ander maakt dat van een goed en betrouwbaar gedocumenteerd voorstel geen sprake is. Voorts heeft [appellante] verwijtbaar gehandeld jegens ABN AMRO door naar het buitenland te verhuizen en derden de gelegenheid te geven om haar bankrekening te beheren. [appellante] heeft daarmee contractbreuk gepleegd. Daarnaast mogen schuldeisers verwachten dat de controle op de naleving van de informatieplicht, sollicitatieplicht (wanneer die weer van toepassing is), afdrachtplicht en de plicht om geen nieuwe schulden te maken overeenkomt met de controle zoals bij de wettelijke schuldsaneringsregeling. Binnen het thans voorliggende prognosevoorstel zijn echter onvoldoende waarborgen beschikbaar om te garanderen dat [appellante] aan alle verplichtingen die op haar rusten binnen de gedwongen schuldregeling zal voldoen, aangezien er geen budgetbeheerder of beschermingsbewindvoerder is die hierop kan toezien, terwijl ter zitting niet duidelijk is geworden op welke wijze schuldhulpverlening dit zal gaan waarborgen. Daardoor kan het er niet voor worden gehouden dat met het prognosevoorstel voor de schuldeisers een beter financieel resultaat kan worden bereikt dan met de wettelijke schuldsaneringsregeling. Derhalve kan er dus niet zonder meer vanuit worden gegaan dat het voorstel het maximaal haalbare is. Gelet op het voorgaande wegen de belangen van ABN AMRO zwaarder dan die van [appellante] en de overige schuldeisers. 3. De grieven van [appellante] kunnen als volgt worden samengevat. Dat [appellante] een auto bezit, is wel degelijk besproken met ABN AMRO, namelijk in de brief van 22 april 2022, waarin uiteengezet is waarom de auto niet als vermogen is meegenomen in de berekening. De auto vertegenwoordigt namelijk geen waarde die zou moeten worden afgedragen en ook geen bovenmatige waarde, terwijl er wel een noodzaak voor het behoud van de auto is in verband met de ontwikkelingsachterstand van haar zoon, waardoor hij niet anders kan worden vervoerd dan met de auto van zijn moeder. Wat de financiering van de schuldhulpverlening betreft, wordt verwezen naar de raamovereenkomst (vaststellingsovereenkomst) die in de voorfase van de schuldhulpverlening wordt gehanteerd door Schuldhulp De Schie. Door de NVVK heeft een audit plaatsgevonden en de raamovereenkomst is door de NVVK goedgekeurd. Voorts is aangevoerd dat Schuldhulp De Schie als lid van de NVVK, de grootste branchevereniging voor schuldhulpverlening, wel degelijk kan waarborgen dat [appellante] de verplichtingen die uit de gedwongen schuldregeling voortvloeien zal nakomen. Verder is het aanbod is het maximale waartoe [appellante] in staat is en kan de uitkering aan de schuldeisers hoger uitvallen indien haar inkomsten stijgen. De wettelijke schuldsaneringsregeling daarentegen leidt tot een lagere uitkering aan de schuldeisers vanwege de kosten van de bewindvoerder. Bovendien is de schuld van ABN AMRO qua omvang en als aandeel in de schuldenlast niet groot en dient het belang van ABN AMRO niet zwaarder te wegen dan dat van [appellante] en de overige schuldeisers. [appellante] heeft aan het voorgaande ter zitting toegevoegd dat zij tot mei 2022 door de gemeente was vrijgesteld van de sollicitatieplicht in het kader van haar Pw-uitkering en dat zij sindsdien een traject volgt om haar te begeleiden naar werk. Haar verstandelijk gehandicapte zoon is acht jaar en gaat vier dagen per week naar dagbesteding. Er wordt nog onderzocht in hoeverre hij zich ontwikkelt, maar voorlopig wordt er vanuit gegaan dat sprake is van een licht verstandelijke beperking. Vanwege de zorg voor haar zoon is zij op dit moment nog niet beschikbaar voor werk. 4. ABN AMRO handhaaft haar in eerste aanleg ingenomen standpunt en stemt niet in met het voorstel van [appellante] , omdat – kort samengevat – het voorstel niet goed is gedocumenteerd en onvoldoende financieel transparant is. Zo is in het voorstel niet gemeld dat er sprake was van het (noodzakelijke) bezit van een auto en is pas na vragen van ABN Amro daaromtrent (vanwege een schade-uitkering) een reactie daarop gekomen. Verder is niet aannemelijk dat het voorstel het uiterste is waartoe [appellante] in staat moeten worden geacht. [appellante] was tot 1 mei 2022 vrijgesteld van de sollicitatieverplichting, maar wat de huidige stand van zaken is, is onbekend. Evenmin zijn er voldoende waarborgen aangedragen om er vanuit te kunnen gaan dat [appellante] de verplichtingen die uit de gedwongen schuldregeling voortvloeien zal nakomen. 5. Het hof overweegt als volgt. 5.1 Bij de beoordeling van het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling in het kader van artikel 287a Fw neemt het hof als uitgangspunt dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig, dus voor 100%, wordt voldaan. Dat verlangen levert daardoor niet snel misbruik van bevoegdheid op; slechts onder bijzondere omstandigheden kan de schuldeiser worden gedwongen in te stemmen met een door de schuldenaar aangeboden akkoord voor een lager percentage. Een en ander neemt niet weg dat een schuldeiser tegenover de schuldenaar - in ieder geval uit hoofde van de tussen hen in acht te nemen redelijkheid en billijkheid - gehouden kan zijn (nader) te motiveren waarop zijn standpunt is gegrond om instemming te onthouden en dat het voor de rechter mogelijk moet zijn te beoordelen of de schuldeiser, gelet op wat de schuldenaar heeft aangevoerd, wel of niet zijn standpunt volledige betaling te verlangen, in redelijkheid kan handhaven. Die beoordeling kan negatief uitvallen voor de schuldeiser indien sprake is van een onevenredigheid tussen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.