Rolnummer: 22-003979-19 PO Parketnummer: 10-710005-16 Datum uitspraak: 21 december 2022 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 augustus 2019 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1986, adres: [woonadres], [woonplaats]. Procesgang Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 21 december 2022 is de betrokkene ter zake van het in haar strafzaak onder 1 en 2 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en oplichting, meermalen gepleegd, veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf. De in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 422.296,26, ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 13 augustus 2019 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 288.712,98 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met aanvulling van bepaling van de gijzeling voor de duur van maximaal 3 jaren. Beoordeling van het vonnis Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de betrokkene vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen genoemd in de voetnoten zijn vervat en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel Het hof stelt vast dat de betrokkene in de strafzaak bij arrest van dit hof is veroordeeld voor het meermalen plegen van valsheid in geschrift en oplichting door te frauderen met PGB-gelden en dat zij zodoende PGB-gelden heeft ontvangen waarop zij geen recht had. Het hof is van oordeel dat de betrokkene door middel van of uit de baten van deze strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Bij de berekening van de hoogte van het wederrechtelijk voordeel overweegt het hof grotendeels conform de rechtbank als volgt. Uit onderzoek is gebleken dat er tussen 1 januari 2013 en 19 december 2014 een totaal bedrag van € 415.996,58 onder vermelding van “AWBZ” en/of “zorgvergoeding” werd overgemaakt op de bankrekeningen van de betrokkene. Van de bankrekeningen van de betrokkene werd in totaal € 127.283,60 overgemaakt naar de bankrekeningen die op naam stonden van kinderen van de desbetreffende budgethouders en naar bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], en [naam 1] en/of [naam 2] onder vermelding van “salaris”. Het hof acht daarom aannemelijk dat de betrokkene een bedrag van € 288.712,98 (€ 415.996,58 -/- € 127.283,60) van de uitgekeerde PGB-gelden zelf heeft gehouden. Het hof brengt daarop voorts in mindering de in de civiele procedure in rechte toegekende vordering van [naam 3] c.s. en de uitgesproken veroordeling tot betaling van de proceskosten, zoals volgt uit het ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman overgelegde arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden. Uit dit arrest in de civiele zaak volgt dat het gevorderde bedrag wordt toegewezen tot een bedrag van € 137.157,21 (€ 138.057,21 –/- € 900,-) en dat de betrokkene wordt veroordeeld in de proceskosten van in totaal € 11.603,- (€ 6.543,50 + € 3.479,- + € 1.580,50). Gelet op het bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op: Bedrag aan PGB-gelden : € 288.712,98 Toegewezen civiele vordering : € 137.157,21 Proceskosten civiele zaak : € 11.603,00 - Wederrechtelijk voordeel : € 139.952,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.