GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer: 200.293.739/01 Zaak-/rolnummer rechtbank: C/09/574834 / HA ZA 19-610 Arrest van 29 maart 2022 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. D.C.M. Sampermans te Amsterdam, tegen [geïntimeerde 1] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde 1] , advocaat: mr. G.C. Endedijk te Amsterdam, en [geïntimeerde 2] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde 2] , advocaat: mr. M.J. Draaisma te Amsterdam. Het geding Bij exploot van 29 maart 2021 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 30 december
- De zaak is voor het indienen van een memorie van grieven verwezen naar de rol van 15 juni 2021 en vervolgens naar de rol van 13 juli
- Op 13 juli 2021 heeft de advocaat van [appellant] zich onttrokken en heeft [appellant] om uitstel verzocht om een nieuwe advocaat te vinden. De zaak is daarop naar de rol verwezen van 24 augustus 2021 voor het stellen van een advocaat voor [appellant] en het indienen van een memorie van grieven. Op 24 augustus 2021 heeft zich een advocaat voor [appellant] gesteld, heeft [appellant] om uitstel verzocht voor het indienen van een memorie van grieven en is de zaak verwezen naar de rol van 21 september 2021 voor het indienen van een memorie van grieven. Op 31 augustus 2021 heeft de advocaat van [appellant] zich onttrokken en is de zaak naar de rol verwezen van 21 september 2021 voor het stellen van een advocaat voor [appellant] en het indienen van een memorie van grieven. Op 21 september 2021 heeft zich geen advocaat voor [appellant] gesteld, is er geen memorie van grieven ingediend en heeft [appellant] om doorhaling van de zaak verzocht. Geïntimeerden zijn niet akkoord gegaan met het verzoek om doorhaling. Aangezien het recht op het nemen van een memorie van grieven op 21 september 2021 is vervallen ingevolge artikel 133 lid 4 Rv en artikel 1.8 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: Lph), is de zaak op grond van artikel 2.19 Lph ten slotte naar de rol verwezen voor arrest. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep In hoger beroep kan het hof het geschil alleen beoordelen aan de hand van behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grieven. Aangezien [appellant] geen grieven heeft aangevoerd, dient hij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep en in de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing Het hof: - verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep; - veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] tot op heden begroot op € 338,- aan griffierecht en € 557,- aan salaris advocaat en aan de zijde van [geïntimeerde 2] tot op heden begroot op € 338,- aan griffierecht en € 557,- aan salaris advocaat. Dit arrest is gewezen door mrs. J.E.H.M. Pinckaers, M.C.M. van Dijk en C.A. Joustra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2022 in aanwezigheid van de griffier.