Rolnummer: 22-003433-19 Parketnummer: 10-750151-17 Datum uitspraak: 30 juni 2022 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2019 in de strafzaak tegen de verdachte: [naam verdachte], geboren op [geboortedag] 1989 te [geboortestad] ([geboorteland]) BRP-adres: [adres Nederland], ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven adres: [adres buitenland]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 en 4 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 – met een partiële vrijspraak ten aanzien van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) - en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Blijkens de akte rechtsmiddel d.d. 9 juli 2019 is het hoger beroep namens de verdachte beperkt tot het onder 1, behoudens de vrijspraak ten aanzien [slachtoffer 1], en 5 tenlastegelegde. Dit brengt met zich dat in hoger beroep ter zake van het onder 1 tenlastegelegde niet aan de orde is hetgeen is tenlastegelegd ten aanzien van [slachtoffer 1]. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld op de dagvaarding en op de in eerste aanleg toegewezen vordering wijziging tenlastelegging van 14 mei 2019. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging – voor zover nog aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - is als bijlage I aan dit arrest gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit arrest. Vordering van de advocaten-generaal De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met aanvulling van gronden, behoudens ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf, en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde Algemeen In deze zaak gaat het om meerderjarige vrouwen die afkomstig zijn uit het economisch zwakkere Roemenië en die in Nederland in de prostitutie werkzaam zijn geweest. Niet ter discussie staat dat de verdachte en zijn toenmalige vriendin [slachtoffer 1] eerst naar Nederland zijn gekomen, waarna [slachtoffer 1] in de prostitutie is gaan werken. De op de tenlastelegging genoemde vrouwen (hierna: de vrouwen) zijn op latere momenten naar Nederland gekomen en hebben zich aangesloten bij de verdachte en [slachtoffer 1]. Al deze vrouwen zijn in Nederland werkzaam geweest in de prostitutie. Evenmin staat ter discussie dat de verdachte betrokken is geweest bij de prostitutiewerkzaamheden van de vrouwen. Hij heeft in dat verband diverse werkzaamheden verricht. Zo regelde hij onderdak, maakte hij afspraken met klanten, zorgde hij ervoor dat de vrouwen door chauffeurs naar klanten werden gebracht en verdeelde hij het geld dat door de vrouwen met de prostitutiewerkzaamheden werd verdiend. De verdachte kreeg en hield een deel van het geld dat de vrouwen in de prostitutie verdienden zelf. De verdachte en de vrouwen hadden afgesproken dat de verdeling 50% – 50% zou zijn, waarbij bepaalde kosten werden verrekend. De verdachte had zich niet vergewist van de Nederlandse regelgeving met betrekking tot prostitutiewerkzaamheden. Gebleken is dat de verdachte de Nederlandse regelgeving niet in acht heeft genomen, zo heeft hij geen belasting betaald. Het onderzoek tegen de verdachte is gaan lopen toen [getuige 1] bij de Koninklijke Marechaussee belastende verklaringen over (onder andere) hem aflegde. Die verklaringen kwamen er heel kort gezegd op neer dat de verdachte vrouwen hier naar toe haalde en vervolgens uitbuitte door het grootste deel van het verdiende geld voor zichzelf te houden. [Getuige 1] verklaarde dat de verdachte gewelddadig was tegen [slachtoffer 1] als zij soms weigerde naar klanten te gaan en dat andere vrouwen bang voor hem waren. Als er geld nodig was, dwong hij hen te werken. Geen van de vrouwen heeft aangifte gedaan. Zij zijn wel verschillende keren, door zowel de politie als door de rechter-commissaris, gehoord. Hun verklaringen houden onder meer in dat zij zich ten aanzien van de prostitutiewerkzaamheden niet gedwongen hebben gevoeld of in hun vrijheid werden beperkt en voorts dat zij zich konden vinden in de verdeling van het geld tussen hen en de verdachte. In het dossier bevinden zich ook verklaringen die elementen bevatten die belastend zijn voor de verdachte. Dan gaat het vooral om verklaringen van personen die blijkens het dossier chauffeurswerkzaamheden voor de vrouwen hebben verricht in het kader van hun prostitutiewerkzaamheden. Deze verklaringen zijn echter weinig specifiek (zo wordt er vaak gesproken over “de vrouwen” of “de meisjes” terwijl onvoldoende duidelijk is om welke vrouwen het dan gaat, of wordt verklaard dat het meeste geld naar verdachte ging, waarbij niet duidelijk wordt hoeveel dat dan – steeds - was) en voor de genoemde belastende elementen ontbreekt (objectief) steunbewijs. Verder stelt het hof vast dat de betreffende verklaringen met betrekking tot de belastende elementen niet steeds consistent zijn: meer dan eens wordt een belastend onderdeel van een verklaring later gewijzigd. Uit de tapgesprekken tussen verdachte en de vrouwen – waarin wordt gesproken over de verdeling van het geld en de verdeling van de kosten – kan niet zonder meer worden afgeleid dat er meer geld naar de verdachte ging dan was afgesproken. Al met al is op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet vast te stellen hoe de tussen de vrouwen en de verdachte gemaakte afspraken precies door de verdachte zijn nagekomen en/of hoe die - steeds – voor (ieder van) de vrouwen hebben uitgepakt. De vraag is of op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 – per op de tenlastelegging genoemde vrouw – wordt verweten. Hierna zal het hof de tenlastelegging per onderdeel beoordelen. I Artikel 273f lid 1 aanhef en onder 1° Sr Eén van de vragen die het hof dient te beantwoorden is of de verdachte al dan niet samen met (een) ander(
- en)gebruik heeft gemaakt van één van de in de tenlastelegging genoemde, aan artikel 273f lid 1 aanhef en onder 1° van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ontleende, dwangmiddelen. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend, op grond van het volgende. Dwang, (dreiging met) geweld, (dreiging met een of meer) feitelijkheden Met het openbaar ministerie en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat sprake is van (een van) deze dwangmiddelen, zodat de verdachte in zoverre zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Misleiding In de tenlastelegging is de term misleiding aldus feitelijk uitgewerkt dat de verdachte de vrouwen in strijd met de waarheid heeft voorgehouden dat zij hem (grote) geldbedragen schuldig waren. Dat deze vorm van misleiding zich heeft voorgedaan, vindt geen steun in het dossier. Weliswaar kan uit het dossier worden afgeleid dat de verdachte en de vrouwen over en weer geld van elkaar leenden, maar niet dat de leningen van de vrouwen bij de verdachte “in strijd met de waarheid” waren. Evenmin kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat de vrouwen de verdachte steeds (grote) geldbedragen schuldig waren. Ook overigens kan op grond van de inhoud van het dossier niet worden vastgesteld dat de verdachte de vrouwen heeft misleid, bijvoorbeeld door hen bewust anders voor te lichten over de aard van het werk, de omstandigheden waarbinnen het werk moest worden verricht en de verdeling van de uit de prostitutiewerkzaamheden verdiende opbrengst en de kosten. Het dossier bevat (op onderdelen tegenstrijdige) informatie over de verdeling van het door de vrouwen met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld en de kosten die in rekening werden gebracht. Zoals hiervoor overwogen kan op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet worden vastgesteld hoe de tussen de vrouwen en de verdachte gemaakte afspraken door de verdachte zijn nagekomen en/of hoe die - steeds – voor (ieder van) de vrouwen hebben uitgepakt. Anders dan het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat de door de verdediging gegeven uitleg van de door het openbaar ministerie aangehaalde tapgesprekken waarin tussen de verdachte en enkele van de vrouwen wordt gesproken over opbrengsten en kosten, niet overtuigend wordt weerlegd door de inhoud van het dossier. Alles afwegende is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van het dwangmiddel misleiding. Misbruik van een kwetsbare positie en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht Uit het dossier volgt dat de vrouwen uit een economisch zwakker land afkomstig waren (Roemenië), zij geen Nederlands spraken, geen sociaal netwerk in Nederland hadden behalve de andere vrouwen en de personen die bij de prostitutie betrokken waren en niet op de hoogte waren van de in Nederland geldende regelgeving. Naar het oordeel van het hof zijn deze omstandigheden in dit geval op zichzelf genomen onvoldoende om te kunnen oordelen dat de vrouwen zich in een kwetsbare positie bevonden als bedoeld in artikel 273f lid 1 aanhef en onder 1° Sr. Daarbij neemt het hof onder meer in aanmerking: dat het dossier weinig informatie bevat over de specifieke (economische en/of sociale) positie van de vrouwen op het moment waarop zij naar Nederland kwamen, dat uit het dossier ook overigens onvoldoende kan worden afgeleid dat de vrouwen zich in een kwetsbare positie bevonden in de zin van deze wetsbepaling, nog daargelaten het ontkennende antwoord op de vragen of kan worden vastgesteld dat – als er al sprake zou zijn geweest van een kwetsbare positie – de verdachte daar ten aanzien van ieder van de vrouwen wetenschap van had en misbruik van heeft gemaakt. Nu op grond van de inhoud van het dossier evenmin kan worden geoordeeld dat uit de omstandigheden waarin de vrouwen blijkens het dossier verkeerden, dan wel uit andere feitelijke omstandigheden, een overwicht voor de verdachte voortvloeide waarvan hij misbruik heeft gemaakt, zal de verdachte ook van deze onderdelen worden vrijgesproken. Naar het oordeel van het hof valt uit het dossier voorts niet af te leiden dat een ander, met wie verdachte nauw en bewust zou hebben samengewerkt, een van de genoemde dwangmiddelen jegens de vrouwen zou hebben aangewend. Conclusie Nu het hof van oordeel is dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van één van de dwangmiddelen, genoemd in de op artikel 273f lid 1 aanhef en onder 1° Sr toegesneden tenlastelegging door verdachte en/of (een) ander(en), dient verdachte van dit onderdeel te worden vrijgesproken. II Artikel 273f lid 1 aanhef en onder 3° Sr Naar het oordeel van het hof kan op grond van het dossier niet worden geoordeeld dat de verdachte al dan niet met (een) ander(
- en)de vrouwen heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd in de zin van de wettelijke bepaling. Daar komt bij dat uit de jurisprudentie volgt dat deze handelingen enkel strafbaar zijn, indien zij zijn begaan onder omstandigheden waarin uitbuiting kan worden verondersteld en uitbuiting aldus als een impliciet bestanddeel heeft te gelden. Nu op grond van het dossier niet kan worden geoordeeld dat er sprake was van omstandigheden waarin uitbuiting kan worden verondersteld, dient de verdachte ook op die grond van dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken. III Artikel 273f lid 1 aanhef en onder 4°, 6° en 9° Sr Voor een bewezenverklaring van deze onderdelen van de tenlastelegging is vereist dat er sprake is van een eerder in de tenlastelegging genoemd dwangmiddel en omstandigheden waarin uitbuiting kan worden verondersteld (onder 4° en 9°), dan wel dat er sprake is van uitbuiting waaruit de verdachte voordeel heeft getrokken (onder 6°). Uit hetgeen hiervóór is overwogen volgt dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte al dan niet met (een) ander(
- en)gebruik heeft gemaakt van een van de tenlastegelegde dwangmiddelen. Nu voorts mede in het licht van het voorgaande niet kan worden geoordeeld dat de vrouwen door de verdachte en/of (een) ander(
- en)met wie hij nauw en bewust samenwerkte werden uitgebuit - of dat er sprake was van omstandigheden waarin uitbuiting kan worden verondersteld -, dient de verdachte ook van deze onderdelen van de tenlastelegging te worden vrijgesproken. IV Slotsom Het voorgaande brengt met zich dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Gelet op het voorgaande behoeven de verweren en verzoeken van de verdediging ten aanzien van dit feit, waaronder het voorwaardelijk getuigenverzoek en het voorwaardelijk verzoek tot benoeming van een financieel deskundige, bij gebrek aan rechtens te respecteren belang geen bespreking. Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde Het hof is anders dan de verdediging van oordeel dat het onder 5 aan de verdachte tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is. Aangever [aangever 1], één van de chauffeurs die voor verdachte de vrouwen naar de klanten moest brengen, heeft verklaard dat hij aan verdachte had verteld dat hij naar zijn vrouw in Spanje wilde gaan. De verdachte heeft toen tegen [aangever 1] gezegd, dat hij eerst 340 euro moest betalen voordat hij weg mocht. Dit bedrag moest betaald worden voor 9 uur de volgende ochtend, anders moest [aangever 1] nog een maand werken. Om [aangever 1] onder druk te zetten, moest [aangever 1] van de verdachte een filmpje maken waarin hij speelde dat hij een relatie had met een andere vrouw. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat als [aangever 1] zonder te betalen naar zijn vrouw in Spanje zou vertrekken, de verdachte het filmpje naar de vrouw van [aangever 1] zou sturen. Als [aangever 1] niet zou meewerken (naar het hof begrijpt: met het maken van het filmpje), dan zou de verdachte hem in elkaar slaan. Gelet op het voorgaande was de dreiging met geweld een onmisbare schakel bij de poging van de verdachte om het slachtoffer tot afgifte van het geldbedrag te bewegen. Gelet daarop komt het hof tot het oordeel dat de verdachte door dreiging met geweld het slachtoffer tot afgifte van dat geld wilde bewegen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Hij, in of omstreeks de periode van 3 januari 6 maart 2017 tot en met 7 maart 2017 te Den Haag en/of Hellevoetsluis, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot het aangaan van een schuld en/of afgifte van een geldbedrag, ten bedrage van 340 euro, althans enig goed dat geheel of ten dele aan die [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte toebehoorde, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(
- en)dat verdachte tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat hij het geld voor de volgende ochtend 9 uur moest betalen of hij anders nog een maand moest werken, en/of die [aangever 1] heeft gedwongen een filmpje te maken waarin hij speelde/acteerde dat hij een relatie met een andere vrouw had, en/of tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat hij in elkaar geslagen zou worden als hij het filmpje niet zou maken, en/of tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat dit filmpje naar de vrouw van die [aangever 1] gestuurd zou worden als hij niet zou betalen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring, welke bewijsmiddelen als bijlage II aan dit arrest zijn gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 5 bewezenverklaarde levert op: poging tot afpersing. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft op de bewezenverklaarde wijze geprobeerd een geldbedrag te incasseren en zodoende is gepoogd het slachtoffer af te persen. Hiermee is inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer en diens vermogenspositie. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk delict nog enige tijd de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 april 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit in Nederland. Het hof is – gelet op de aard en de ernst van het feit - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Het hof heeft evenwel geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft bijna een jaar langer geduurd dan de in beginsel redelijke termijn van twee jaren. Voorts merkt het hof op dat de berechting in feitelijke aanleg – dat wil zeggen: in eerste aanleg én in hoger beroep – niet is afgerond binnen het totaal van de voor elk van die procesfasen geldende termijnen, in onderhavige zaak vier jaren, maar dat deze is overschreden met vijf maanden. Het hof heeft bij het bepalen van de strafmaat in matigende zin rekening gehouden met deze overschrijding van de redelijke termijn, door op de in beginsel op te leggen gevangenisstraf van 2 maanden, 2 weken in mindering te brengen, zodat 6 weken resteren. Gelet op het reeds door de verdachte ondergane voorarrest, betekent dit dat de verdachte niet meer terug hoeft naar de gevangenis. In beslag genomen voorwerpen Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, zal het hof ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld onder A.02.01.001, A.07.02.003, R.01.001, R.01.01.002, R.01.01.003, R.01.01.004, R.01.01.005, R.01.01.006, R.01.01.007 en R.01.01.016 op de beslaglijst, de teruggave aan de verdachte gelasten. Voorts zal het hof ten aanzien van de in beslag genomen en niet nog niet teruggegeven personenauto, zoals vermeld onder V.02 op de beslaglijst, de teruggave aan [betrokkene 1] gelasten. Ten aanzien van de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld onder A.03.01.004 en V.01 op de beslaglijst, zal het hof beslissen dat deze dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende(n). Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen – en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: Autopapieren en diversen (A.02.01.001); Acer laptop met oplader (A.07.02.003); Dell laptop (R.01.001); Alcatel gsm met Lebara simkaart (R.01.01.002); Samsung GT-E1200i gsm (R.01.01.003); Samsung C6625 gsm (R.01.01.004); Zizo gsm (R.01.01.005); Iphone S6 gsm met simkaart (R.01.01.006); Samsung GT-E1170i gsm (R.01.01.007); Micro simkaart van Vodafone (R.01.01.016). Gelast de teruggave aan [betrokkene 1] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: - Personenauto Opel Vectra [kenteken 1] (V.02). Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(
- n)van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: Samsung Galaxy S8+ gsm (A.03.01.004); Personenauto Ford Mondeo [kenteken 2] (V.01). Dit arrest is gewezen door mr. W.M. Limborgh, mr. O.E.M. Leinarts en mr. J.A.W. van 't Westeinde, in bijzijn van de griffiers mr. M.V. Lievers-Roza en mr. L.E. Hollander. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 juni 2022. Bijlage I bij arrest van 30 juni 2022: TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat: 1. Hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 januari 2018 te Rotterdam en/of Eindhoven en/of ‘s-Gravenzande en/of Den Haag in elk geval in (een) of meer plaats(
- en)in Nederland en/of te Constanta en/of Medgidia, in elk geval in (een) of meer plaats(
- en)in Roemenië, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) ander(en), te weten [SLACHTOFFER 2], geboren [geboortedag] 1992, en/of [SLACHTOFFER 3], geboren [geboortedag] 1997, en/of [SLACHTOFFER 4], geboren [geboortedag] 1997, en/of [SLACHTOFFER 5], geboren [geboortedag] 1998, en/of [SLACHTOFFER 6], geboren [geboortedag] 1995 (lid 1, onder 3°) heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd met het oogmerk die ander(
- en)in een ander land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handeling(
- en)met of voor een derde tegen betaling, en/of (lid 1, onder 1°) door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of (lid 1, onder 4°) (telkens) met één of meer van voornoemde middelen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of onder voornoemde omstandigheden enige handeling(
- en)heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of diens mededader(
- s)wist(
- en)of redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden dat die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten, en/of (lid 1, onder 6°) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of (lid 1, onder 9°) (telkens) met één of meer van voornoemde middelen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] heeft bewogen hem, verdachte en/of diens mededader(
- s)te bevoordelen uit de opbrengst van haar/hun seksuele handelingen met en/of voor een derde, immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(
- s)ten aanzien van [SLACHTOFFER 2] over de periode van 28 januari 2016 tot en met 30 januari 2018 en/of ten aanzien van [SLACHTOFFER 3] over de periode van 1 december 2016 tot en met 30 januari 2018 en/of ten aanzien van [SLACHTOFFER 4] over de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 januari 2018 en/of ten aanzien van [SLACHTOFFER 5] over de periode van 31 maart 2017 tot en met 30 januari 2018 en/of ten aanzien van [SLACHTOFFER 6] over de periode van 1 oktober 2017 tot en met 30 januari 2018 die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] vanuit Roemenië naar Nederland overgebracht en/of laten overbrengen, en/of die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] ondergebracht in een woning en/of (hotel)kamer en/of vakantiehuis, althans voor haar/hen (een) verblijfplaats(en)/ onderdak geregeld of laten regelen, die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] te werk gesteld als prostituee en/of als prostituee laten werken en/of voor haar/hen een werkplek geregeld of laten regelen waar zij als prostituee kon(den) werken, en/of één of meer (naakt)foto(
- s)van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] gemaakt en/of laten maken ten behoeve van (een) (seks)advertentie(s), en/of (vervolgens) (een) profiel(
- en)en/of advertentie(
- s)met foto’s en/of afbeeldingen (van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6]) waarin seksuele handelingen tegen betaling werden aangeboden gemaakt en/of laten maken (www.Kinky.nl), en/of bepaald wanneer die advertentie(
- s)op internet geplaatst moest(
- en)worden, en/of die advertentie(
- s)beheerd en/of laten beheren door die te activeren, op te waarderen, op te hogen, en/of instructies gegeven en/of laten geven aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] ten aanzien van de te verrichten prostitutiewerkzaamheden, en/of bepaald wanneer, waar en/of hoe lang die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] (dagelijks) als prostituee moest(
- en)werken, en/of die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] naar (seks)afspraken met klanten gebracht en/of laten brengen, en/of die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] opgedragen het door haar/hen in de prostitutie verdiende geld (gedeeltelijk) aan hem, verdachte en/of zijn mededader(
- s)af te geven en/of doen afstaan en/of doen afdragen, en/of die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] één of meerdere malen bedreigd door te zeggen dat zij naar de doden kon(den) gaan en/of dat hij haar/hen zou vermoorden en/of woorden van gelijke dreigende aard/strekking en/of tegen haar/hen geschreeuwd, en/of die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] één of meerdere malen mishandeld, en/of die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] in strijd met de waarheid voorgehouden dat zij hem (grote) geldbedragen schuldig waren en/of (aldus) die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] in een (verder) van hem/hen, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijke positie gehouden; 5. Hij, in of omstreeks de periode van 3 januari 2017 tot en met 7 maart 2017 te Den Haag en/of Hellevoetsluis, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot het aangaan van een schuld en/of afgifte van een geldbedrag, ten bedrage van 340 euro, althans enig goed dat geheel of ten dele aan die [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte toebehoorde, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(
- en)dat verdachte tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat hij het geld voor de volgende ochtend 9 uur moest betalen of hij anders nog een maand moest werken, en/of die [aangever 1] heeft gedwongen een filmpje te maken waarin hij speelde/acteerde dat hij een relatie met een andere vrouw had, en/of tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat hij in elkaar geslagen zou worden als hij het filmpje niet zou maken, en/of tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat dit filmpje naar de vrouw van die [aangever 1] gestuurd zou worden als hij niet zou betalen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Bijlage II bij arrest van 30 juni 2022, inhoudende de bewijsmiddelen in de zaak met rolnummer 22-003433-19 tegen de verdachte, genaamd: [naam verdachte] geboren op [geboortedag] 1989 te [geboortestad] (geboorteland). Tenzij anders vermeld wordt bij gebruik voor het bewijs van processen-verbaal gedoeld op processen-verbaal in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering. 1. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 7 maart 2017 van de politie eenheid Rotterdam, Dienst Regionale Recherche, Team Migratiecriminaliteit en Mensenhandel (RT) met proces-verbaalnummer RTRCC17008 en documentcode 1703071310.A02 in het onderzoek POKER. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – (blz. 19 e.v.): als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [aangever 1]: Ik wilde gisterenavond weggaan. [Verdachte] zei mij dat dat niet ging, omdat hij vond dat ik hem nog geld verschuldigd was. [Verdachte] zei toen dat er nog wat open stond. Dat was 340 euro. Dit was voor 300 voor de verblijfkosten van mijn vrouw en voor belkosten en 40 voor de reis naar Schiphol om mij weg te brengen om naar mijn vrouw te gaan. Gisteravond was ik met mijn vrouw aan de telefoon toen [verdachte] de telefoon afpakte. [Verdachte] zei tegen mijn vrouw dat zij het geld maar moest regelen. [Verdachte] zei dat ik tot 9 uur deze morgen de tijd had om het te betalen, anders moest ik nog een maand blijven om het geld te verdienen. Nadat ik met mijn vrouw het telefoongesprek had gehad, moest ik van [verdachte] een soort toneelstukje ophouden met een van de vrouwen. Dit was [slachtoffer 3]. Ik moest dan spelen dat wij al een tijdje iets met elkaar hadden en ik moest dan op mijn vrouw schelden. [Slachtoffer 3] heeft daar opnamen van gemaakt. [Verdachte] zei tegen mij dat ik dat moest doen, omdat hij mij onder controle wilde houden. [Verdachte] zou de opnamen naar mijn vrouw sturen als ik bij haar in Spanje was. Om mij te dwingen om het te doen, heeft [verdachte] mij bedreigd. [Verdachte] zei dat hij hem in elkaar zou slaan als hij niet meewerkte. Daarna moest ik mijn schoonmoeder bellen om de 340 euro over te maken. Dit was om ongeveer half 1 vanmorgen. Als zij dat niet kon moest ik haar verrot schelden. Dit heb ik ook gedaan. Omdat mijn vrouw tot 9 uur s 'morgens de tijd had gekregen om het geld te betalen werd ik in een kamertje opgesloten. Dit was de kamer waar ik normaal ook sliep. Ik deed toen net of ik ging slapen. Rond 7 uur vanmorgen zag ik dat [betrokkene 2] in slaap was gevallen. Ik ben toen naar beneden gegaan en daar via een raam naar buiten gegaan. Ik heb de deur niet geprobeerd omdat ik dacht dat die op slot zou zijn. Ik ben toen weggevlucht. 2. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 16 mei 2022 verklaard - zakelijk weergegeven -: Op de ochtend dat [aangever 1] naar het vliegveld zou gaan, heb ik hem eraan herinnerd dat hij een schuld had van 200-300 euro. 3. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 19 maart 2019. Dit proces-verbaal houdt onder meer in –zakelijk weergegeven -: als de op genoemde datum tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer 3]: U vraagt mij of ik [slachtoffer 3] werd genoemd in huis. Ja. U vraagt mij of er toen [aangever 1] in de woning was nog een andere [slachtoffer 3] in huis was. Ik was de enige [slachtoffer 3]. U houdt mij voor een passage uit de verklaring van [aangever 1] (blz. 23), waarin [aangever 1] heeft verklaard dat hij een toneelstukje moest spelen met [slachtoffer 3] en dat hij op zijn vrouw moest schelden. U vraagt mij of ik een toneelstukje moest spelen alsof ik iets met hem had. Ja. 4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 maart 2017 van de politie eenheid Rotterdam, Dienst Regionale Recherche, Team Migratiecriminaliteit en Mensenhandel (RT) met proces-verbaalnummer RTRCC17008 en documentcode 1703081730.G01 in het onderzoek POKER. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – (blz. 25 e.v.): als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [getuige 2]: Ik zat op 7 maart 2017 te Hellevoetsluis al in de auto toen er een mij onbekende jongeman naar mijn auto toe kwam lopen. Deze man wenkte mij. Ik dacht dat hij mij wat wilde vragen. Ik deed mijn portier open. Ik zag dat deze man meteen gehurkt achter de deur van mijn auto ging zitten, ik vroeg wat er aan de hand was. De man maakte duidelijk dat hij geen Nederlands sprak. Hij zei iets in de trant van Roemenia en hij sprak in gebrekkig Engels het woord Police uit. Ik zag dat de jonge man erg gespannen was. De man keek om zich heen en zijn gelaatsuitdrukking was angstig. 5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 maart 2017 van de politie eenheid Rotterdam, District Rijnmond Zuid-West, Basisteam Haringvliet met proces-verbaalnummer PL1700-2017073399-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – (blz. 17 e.v.): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren: Op 7 maart 2017 gingen wij, verbalisanten, in opdracht van de politie meldkamer Rotterdam naar een adres te Hellevoetsluis, alwaar een Roemeense man was aan komen lopen die in paniek leek. Ter plaatse gekomen werden wij op straat aangesproken door twee mannen. Een gaf aan de melder te zijn. Hij gaf op te zijn: [getuige 2]. Hij verklaarde dat toen hij zijn woning verliet, werd aangesproken door de andere man. Die man bleek een Roemeen, maar sprak geen Nederlands of Engels. Wel had hij begrepen dat de man op de vlucht was en hulp nodig had. De andere man legitimeerde zich met een Roemeense Identiteitskaart en rijbewijs. Hij bleek genaamd te zijn: [aangever 1]. Overweging hof De als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring bevat de volgende zin: “[verdachte] zei dat hij hem in elkaar zou slaan als hij niet meewerkte”. Het hof vat deze zin aldus op dat met de eerste “hij” wordt gedoeld op [verdachte] en dat met “hem” en de tweede “hij” wordt gedoeld op de aangever, [aangever 1].