Rolnummer: 22-000306-20 Parketnummer: 10-700267-18 Datum uitspraak: 10 maart 2022 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2020 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, thans gedetineerd in PI Midden Holland - HvB De Geniepoort te Alphen aan den Rijn. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde (kort gezegd: poging tot het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing) vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde (moord) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts is aan de verdachte opgelegd de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking. Tot slot heeft de rechtbank een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:
(9)van de raadsvrouw in het kader van het aangetroffen letselbeeld, namelijk of het postuur van degenen die het geweld toepast verschil maakt, opgemerkt dat “bij overwicht er minder verzet kan worden geboden door het slachtoffer waardoor er minder letsel ontstaat” en dat “als iemand zodanig fysiek overwicht heeft, je naar verwachting minder letsel zal zien dan wanneer er minder overwicht is”. Het hof is dan ook van oordeel dat de onder II genoemde doodsoorzaak en het in dit verband aangetroffen letselbeeld, ook gezien het fysieke overwicht van de verdachte op [slachtoffer], passend is bij zijn rol als dader. De verdachte heeft bovendien na afloop van zijn daad gezocht op 112-meldigen, kennelijk om na te gaan of het door hem begane misdrijf reeds was ontdekt. De verdachte heeft daarnaast op al deze punten steeds wisselende en ongeloofwaardige of aantoonbaar onjuiste verklaringen afgelegd, kennelijk zodat zijn verklaring beter in het sporenbeeld zou passen. Steeds als het dossier werd aangevuld of aangepast, veranderde de verklaring van de verdachte immers in lijn met het dossier. Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, maakt dan ook dat het hof van oordeel is dat de verdachte degene is die [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door smoren en/of versmachting en/of verwurgen of op enige andere wijze van belemmeren van de ademhaling. Is er sprake van voorbedachte raad? Nu het hof heeft vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, komt het toe aan de beantwoording van de vraag of hij dit met voorbedachte raad heeft gedaan. Het hof overweegt daaromtrent als volgt. a. Het juridisch kader. Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden en rekenschap te geven is weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. b. De week voorafgaand aan het overlijden van [slachtoffer] en het forceren van een ontmoeting. De verdachte heeft verklaard dat hij in de periode tussen het verbreken van de relatie op 23 november 2018 en het overlijden van [slachtoffer] op 29 november 2018 heel vaak in de nabijheid van de woning van [slachtoffer] is geweest, naar eigen zeggen omdat dat hem rust gaf. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij [slachtoffer] op 29 november 2018 een aantal keren berichten heeft gestuurd en dat hij die week vaker heeft geprobeerd om contact te leggen, welk contact zij afsloeg. Op 26 november 2018 heeft de verdachte aan [slachtoffer] verschillende tekst- en spraakberichten gestuurd waarin hij heeft aangegeven dat zij voorzichtig moest zijn met het gasfornuis, omdat de tweede knop van links een stukje openstond, waardoor er gas zou ontsnappen. Hij heeft ook gestuurd dat zij ‘geen gekke dingen moet doen’. [slachtoffer] heeft aangegeven dat er niets met het fornuis aan de hand was en heeft de verdachte gevraagd of hij haar bang probeerde te maken. Ook de zus van [slachtoffer], die daags voor haar overlijden nog had gekookt in het appartement van [slachtoffer], heeft verklaard dat er niets mis was met het gasfornuis en dat [slachtoffer] het meteen had laten repareren als er wel iets zou zijn geweest. Vanaf 27 november 2018 heeft de verdachte op internet gezocht naar manieren om iemand van het leven te beroven. Het betreft onder meer de volgende zoektermen: ‘Strychine, dodelijke vloeistof zonder spoor, brevetoxine, sodium azide (kopen), wat gebeurt er als je bio ethanol drinkt, pindakaas verdunnen door koffie, iemand vergiftigen zonder sporen, arsenicum (kopen), poederbrief, cyanide uit kersenpit halen, pindakaas reukloos oplossen, iemand wurgen zonder sporen, halsslagader dichtknijpen, iemand doden met kussen, iemand laten stikken en stikken door gas’. De verklaring van de verdachte dat hij die termen zocht omdat hij zelfmoord overwoog nadat [slachtoffer] de relatie had verbroken, lijkt niet in overeenstemming met de aard van de gezochte termen, nu een aantal daarvan, zoals ‘halsslagader dichtknijpen’ en ‘iemand doden met een kussen’ niet geschikt zijn als methode om zelfmoord te plegen. Gelet op de hiervoor onder II vastgestelde doodsoorzaak in samenhang met de omstandigheid dat de verdachte op het internet heeft gezocht met zoektermen als ‘Iemand wurgen zonder sporen’, ‘Iemand doden met kussen’ en ‘Iemand laten stikken’ maakt naar het oordeel van het hof dat de verdachte heeft gehandeld met een vooropgezet plan. De voorgaande conclusie volgt naar oordeel van het hof evenzeer uit het navolgende. Op 29 november 2018 rond 09.30 uur is de verdachte bij de woning van [slachtoffer] gezien. Hij heeft rond 10.00 uur een bericht naar [slachtoffer] gestuurd met de vraag of zij een formulier van T-Mobile voor hem wilde ondertekenen. Hij heeft meerdere malen gevraagd of [slachtoffer] alleen thuis was en of hij iets persoonlijk kon komen afgeven. Al die tijd is hij in de buurt van de woning van [slachtoffer]. Het initiatief tot contact lag steeds bij de verdachte. Later, rond 10.52 uur, heeft de verdachte gestuurd: “Dat is het enige wat ik persoonlijk van je vraag, dat je het zelf aanneemt en opent. Geen liefdesbrief hoor maar een verklaring”. Op de vraag van [slachtoffer] om wat voor verklaring het ging, stuurde hij de mededeling “de dokter”; een andere reden om haar te ontmoeten dan hij die ochtend gaf. Daarop heeft de verdachte weer het bericht gestuurd dat hij graag zou willen dat [slachtoffer] die verklaring aanneemt en opent. Rond 12.45 uur heeft de verdachte gevraagd of ‘mini’ (het hof begrijpt: [dochter van het slachtoffer]) nog naar bed gaat en of hij langs [slachtoffer] kan komen voor een handtekening op het aanvraagformulier voor het overnemen van de schuld. Toen [slachtoffer] reageerde dat haar dochter niet naar bed zou gaan, liet de verdachte weten dat het wel een andere keer zou komen: “Of als ze (het hof begrijpt: [dochter van het slachtoffer]) ’s avonds een keer ligt. Dan kunnen we dit T-mobile snel afhandelen.” [slachtoffer] reageerde door te zeggen dat de verdachte die brief dan maar in haar brievenbus moest doen. Het hof begrijpt daaruit dat [slachtoffer] geen direct contact met de verdachte meer wilde. De verdachte heeft het hier echter niet bij gelaten. Tussen de verdachte en [slachtoffer] is, nadat zij die avond rond 18.30 uur thuis kwam, contact via Whatsapp. Rond 19.30 uur hebben de verdachte en [slachtoffer] met elkaar gebeld, welk telefoongesprek later door de verdachte is gewist. De verdachte was ook toen al in de buurt van het huis van [slachtoffer]. Ná dat telefoongesprek, waarvan de inhoud niet bekend is geworden en waarover de verdachte geen inhoudelijke verklaring heeft willen afleggen, is de verdachte door [slachtoffer] – uiteindelijk - binnengelaten. De verdachte is aldus meermalen in de buurt van de woning van [slachtoffer] geweest en heeft vaak contact met haar gezocht om uiteenlopende en niet-eenduidige redenen. [slachtoffer] sloeg dat contact steeds af, maar de verdachte bleef het proberen. Hierbij heeft hij ook gevraagd of [slachtoffer] op dat moment alleen was en of haar dochter op bed lag. Hieruit leidt het hof af dat het voornemen om bij [slachtoffer] binnen te komen op een moment dat er verder niemand aanwezig was, tevens onderdeel vormde van zijn vooropgezette plan. Gelet op voornoemde tijdspanne, heeft de verdachte voorafgaande aan de uitvoering van zijn vooropgezette plan meer dan voldoende tijd gehad zich te beraden op zijn voorgenomen handelen. c. In de woning van [slachtoffer]. Nadat de verdachte [slachtoffer] om het leven had gebracht door haar (met een kussen) te smoren dan wel of in combinatie met anderszins haar de ademhaling te belemmeren (versmachten en/of verwurgen), heeft hij geprobeerd, zo leidt het hof af uit de hiervoor genoemde bevindingen van het forensisch- en tactisch opsporingsonderzoek, een zelfdoding in scène te zetten door de levenloze [slachtoffer] van of nabij de bank in de woonkamer naar het halletje te verslepen, haar met haar hoofd en deel van haar bovenlichaam in de keuken neer te leggen en een gaspit vol open te zetten, een en ander om de ware toedracht van zijn daad te verhullen. Ook deze scène was door de verdachte zorgvuldig voorbereid, immers heeft hij [slachtoffer] op 26 november 2018 berichten gestuurd over een defect aan het gasfornuis. Juist de knop die de verdachte in deze berichten noemde, namelijk de tweede van links, heeft de verdachte na het om het leven brengen van [slachtoffer], opengedraaid. In dit verband overweegt het hof nog dat het aannemelijk is dat niet [slachtoffer] maar de verdachte om 19.54 uur op haar telefoon het bericht naar de moeder van [slachtoffer] heeft gestuurd, nu dat bericht in strijd is met de omstandigheden van dat moment. [slachtoffer] zou immers om 20.00 uur bellen met haar vriendin uit Tilburg en niet, zoals uit het bericht volgt, douchen en televisie kijken. Bovendien was, zoals reeds overwogen, dit bericht korter dan gebruikelijk en ontbrak de informatie over het bezoek van de verdachte, hetgeen [slachtoffer] altijd aan haar moeder terugkoppelde. Bovendien is uitsluitend het DNA van de verdachte en niet (ook) dat van [slachtoffer] op de telefoon aangetroffen. Het hof stelt tot slot vast dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting geen contra-indicaties zijn gebleken voor het aannemen van de voorbedachte raad, dan wel geen indicaties van een gewicht die zouden moeten leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] en hij geen ruzie hadden, dat hij iets heeft gedronken en nog een sigaret heeft gerookt op het balkon terwijl [slachtoffer] toen in zijn nabijheid stond. Hij heeft aldus ook eenmaal in de woning voldoende tijd gehad om zijn voorgenomen daad te overdenken. De verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer] uit frustratie om het feit dat zij hem bij het afscheid geen knuffel wilde geven, een harde duw zou hebben gegeven waarna zij met haar hoofd tegen de muur zou zijn gekomen, is hiervoor reeds als ongeloofwaardig terzijde geschoven nu deze gang van zaken niet past in het gevonden totale letselbeeld en de resultaten van het forensisch en tactisch onderzoek. d. Het handelen van de verdachte na het verlaten van de woning. Dat de verdachte heeft gedaan waarvoor hij op 29 november 2018 was gekomen naar de woning van [slachtoffer], blijkt tevens uit het feit dat hij geen enkele poging heeft ondernomen de hulpdiensten te alarmeren en dat hij simpelweg zijn weg – na eerst naar eigen zeggen bij de ingang van de portiek een sigaret te hebben gerookt - heeft vervolgd. Hij is steeds – ondanks het feit dat, in de woorden van de verdachte, ‘de liefde van zijn leven’ is overleden - uiterst kalm gebleven en heeft stappen ondernomen om zijn sporen uit te wissen, door onder andere de moeder van [slachtoffer] zogenaamd in de hoedanigheid van [slachtoffer] een bericht te sturen, door zijn ex-partner [ex-partner van de verdachte] te vertellen dat hij om 20.15 uur bij haar was, door het laatste telefoongesprek met hem van de telefoon van [slachtoffer] te wissen en door de inhoud van zijn eigen telefoon te bewerken voordat hij die aan de politie zou overhandigen. Nergens in het dossier is te lezen of volgt uit het verhandelde ter zitting dat de verdachte op enig moment in paniek is geweest toen hij de woning verliet, zoals hij zelf heeft verklaard. e. Tussenconclusie. Op grond van al het vorenstaande is naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. V. Conclusie. Het hof is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
- hij op of omstreeks 29 november 2018 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] een middel/stof met pinda(bestanddelen) toegediend waardoor bij haar een anafylactische reactie is opgetreden en/of die [slachtoffer] ver-/gewurgd en/of (met een kussen, althans een voorwerp) gesmoord en/of op enige wijze de ademhaling belemmerd, in elk geval zodanig geweld tegen die [slachtoffer] uitgeoefend en/of die [slachtoffer] in een zodanige situatie gebracht en/of gehouden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: moord. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Het feit De verdachte heeft op 29 november 2018 zijn 29-jarige ex-vriendin, waarmee hij tot voor kort samenwoonde en met wie de relatie een week eerder door haar was verbroken, in haar eigen woning met voorbedachte raad om het leven gebracht. Moord is het zwaarste misdrijf in het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft zich hierbij met valse voorwendselen opgedrongen en het slachtoffer zover gebracht hem die avond weer in haar woning binnen te laten. Aldaar heeft hij het slachtoffer in haar woonkamer (met een kussen) gesmoord en/of versmacht en/of verwurgd of op een andere manier de ademhaling belemmerd, waardoor zij is komen te overlijden. De verdachte heeft aldus het meest fundamentele recht – het recht op leven – aan het slachtoffer ontnomen. De laatste momenten van haar leven moeten zeer beangstigend zijn geweest. Het slachtoffer is vermoord door iemand met wie ze een langdurige relatie heeft gehad en die zij ten onrechte vertrouwde. Nadat het slachtoffer was overleden, heeft de verdachte haar lichaam verplaatst van de woonkamer naar het halletje van de woning en haar zo neergelegd dat haar bovenlichaam in de keuken kwam te liggen, waar hij een gaspit heeft opengezet om zijn betrokkenheid bij haar dood te verhullen. Al die tijd lag het destijds tweejarig dochtertje van het slachtoffer in haar slaapkamertje tegenover de keuken te slapen. Dit wist de verdachte en zijn handelwijze benadrukt daarmee zijn nietsontziende karakter om met zijn plan en de uitvoering daarvan het slachtoffer – een jonge moeder - van het leven te beroven. De verdachte is vervolgens weggegaan uit de woning alsof er niets was gebeurd. Hij heeft eerst een sigaret gerookt bij de uitgang van de portiek van de woning en daarna heeft de verdachte nog verdere stappen ondernomen om zijn daad te verhullen, zoals door te proberen zichzelf een alibi te verschaffen bij zijn ex-partner. De volgende ochtend hebben de ouders van het slachtoffer onverhoeds het levenloze lichaam van hun dochter aangetroffen. Dit moet voor hen een afschuwelijke en onnoemlijke schok zijn geweest. “Je kind op zo’n manier te verliezen is niet te doen”. Onder meer met die woorden heeft de moeder het intense verdriet en het grote zwarte gat in haar leven en dat van de andere gezinsleden en familie, tot uitdrukking gebracht. Ook voor het dochtertje van het slachtoffer zal het gemis van haar moeder enorm en onherstelbaar zijn. Een kind zou in beginsel zijn of haar moeder niet kwijt moeten raken en een kind mag zijn of haar moeder al helemaal nooit op deze manier kwijtraken. Het dochtertje van het slachtoffer zal haar hele leven met zich (moeten) dragen dat haar moeder door de verdachte is vermoord. De verdachte die daaraan kennelijk geen enkele boodschap heeft gehad, is daarvoor in alle opzichten verantwoordelijk. Ook de kinderen van de verdachte zelf zullen moeten leven met de wetenschap dat hun vader voor het plegen van een moord langdurig in de gevangenis verblijft. Uit de nabestaandenverklaring die door de moeder van het slachtoffer in hoger beroep is voorgedragen is scherp en pijnlijk duidelijk geworden hoezeer het slachtoffer nog dagelijks ontzettend door haar naasten wordt gemist. Meer in het algemeen brengt een dergelijk feit een schok in de samenleving teweeg en gevoelens van grote afschuw, angst en onveiligheid. De persoon van de verdachte Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 januari 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffende multidisciplinair gedragskundige triple-rapportage d.d. 16 oktober 2019, opgemaakt en ondertekend door drs. M.D. van Ekeren (psychiater), drs. M.H. Keppel (GZ-psycholoog) en A. Kiers (forensisch milieuonderzoeker). Deze rapportage houdt onder meer het volgende in. Bij de verdachte is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vooral borderline en ontwijkende, afhankelijke en antisociale trekken. Er is volgens de criteria van DSM 5 sprake van de volgende borderline trekken: verwoede pogingen om feitelijke en vermeende verlating te voorkomen, identiteitszwakte in de zin van een instabiel zelfbeeld en zelfgevoel en impulsiviteit op verschillende levensgebieden (in intermenselijke contacten en sociaal-maatschappelijke zin). Wat betreft de vermijdende kant van de persoonlijkheid, geldt dat er sprake is van vrees te worden afgewezen. De optelsom van de borderline, ontwijkende en afhankelijke gedragingen leiden vervolgens tot antisociaalgedrag, dat bestaat uit list en bedrog, het duperen van anderen voor persoonlijk profijt, impulsiviteit, het niet goed vooruit kunnen plannen en constante onverantwoordelijkheid ten aanzien van werk of financiële verplichtingen. Daarnaast valt een gebrek aan berouw op, zoals blijkt uit onverschilligheid of het rationaliseren van de eigen tekortkomingen. De persoonlijkheidsstoornis was bij de verdachte ook aanwezig ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde. Door de ontkennende houding van de verdachte kon echter geen delict-scenario worden opgesteld en kon ook niet worden onderzocht of de persoonlijkheidspathologie een doorwerking kent in het bewezenverklaarde. De ontkennende houding van de verdachte maakt ook dat geen uitspraak kon worden gedaan over een kans op herhaling en een behandeling in justitieel kader. Conclusies van het hof Gelet op het voorgaande komt het hof tot de volgende conclusies. De conclusies van de psychiater en psycholoog worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rapportage is bovendien op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Het hof maakt de daaruit getrokken conclusies dan ook tot de zijne. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het bewezenverklaarde feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Door de proceshouding van de verdachte kan evenwel niet worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate die stoornis heeft doorgewerkt in het strafbare feit. Om die reden acht het hof de verdachte volledig toerekeningsvatbaar. Op een moord kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een zeer langdurige gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft het hof gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De hiervoor omschreven geraffineerde wijze van handelen, waaronder ook het handelen voorafgaand aan de moord, als ook en zwaarwegend de aanwezigheid van het dochtertje van het slachtoffer in de woning ten tijde van de moord op haar moeder, worden in strafverzwarende zin meegewogen. Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn in hoger beroep - die bij een gedetineerde verdachte 16 maanden bedraagt – met ruim 9 maanden is overschreden, nu op 23 januari 2020 hoger beroep is ingesteld en het hof arrest wijst op 10 maart
- Deze overschrijding van de redelijke termijn is naar het oordeel van het hof evenwel grotendeels te wijten aan de in hoger beroep gewijzigde proceshouding van de verdachte, waardoor nader onderzoek – mede op verzoek van de verdediging – noodzakelijk was. Gelet op deze omstandigheid zal het hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]. In het onderhavige strafproces hebben zich als benadeelde partijen ter zake van het tenlastegelegde en thans bewezenverklaarde feit gevoegd: - [ benadeelde partij 1] (de vader) De benadeelde partij heeft een vordering ingediend ter vergoeding van € 1.955,21 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade (shockschade). In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 19.455,
- - [ benadeelde partij 2] (de moeder) De benadeelde partij heeft een vordering ingediend ter vergoeding van € 25.000,00 aan immateriële schade (shockschade). In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 25.000,
- - [ benadeelde partij 3] (de dochter) De benadeelde partij heeft een vordering ingediend ter vergoeding van € 25.000,00 aan materiële schade (gederfd levensonderhoud) en € 30.000,00 aan immateriële schade (shockschade). In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 55.000,
- Alle benadeelde partijen hebben tevens wettelijke rente gevorderd en hebben gevraagd om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] volledig kunnen worden toegewezen. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1] heeft hij zich op het standpunt gesteld dat die kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.531,42 aan geleden materiële schade en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu op dit moment niet is onderbouwd dat bij [benadeelde partij 1] geestelijk letsel bestaat en aldus geen shockschade kan worden vastgesteld. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [benadeelde partij 1] gevorderde materiële schade kan worden toegewezen, met uitzondering van de kosten die betrekking hebben op de vervanging van het slot en de kosten van het feestje en de taart. Deze posten dienen te worden afgewezen, nu die in een te ver verband met het tenlastegelegde feit staan. [benadeelde partij 3] dient ter zake van haar vordering tot vergoeding van geleden materiële schade, inhoudende gederfd levensonderhoud, niet-ontvankelijk worden verklaard, nu die vordering onvoldoende is onderbouwd. De vorderingen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] ter zake van geleden immateriële schade moeten worden afgewezen, nu niet is voldaan aan de criteria die de Hoge Raad stelt aan toewijzing van shockschade. Bij [benadeelde partij 1] is niet vastgesteld dat hij door de directe confrontatie met zijn dochter lijdt aan een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Bij [benadeelde partij 3] is niet voldaan aan het confrontatievereiste. De vordering van [benadeelde partij 2] ter zake van geleden immateriële schade kan deels worden toegewezen, tot een bedrag van ten hoogste € 17.500,
- Het oordeel van het hof Gevorderde materiële schade [benadeelde partij 1] Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 860,75 materiële schade is geleden. Dit gaat om de volgende posten: begrafeniskosten (€ 776,18), opvangkosten [benadeelde partij 3] (€ 12,64), nabestaandenservice van PostNL (€ 36,95), oplevering van de woning van het slachtoffer (€ 19,00) en kleding die voor [benadeelde partij 3] moest worden aangeschaft (€ 15,98). Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag € 860,75 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. De overige gevorderde kosten, te weten een verklaring van erfrecht (€ 657,70), vervanging sloten (€ 99,99) en overige kosten ten behoeve van [benadeelde partij 3] (€ 323,80), zijn niet aan te merken als rechtstreekse schade van het misdrijf in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering en komen om die reden in dit strafgeding niet voor vergoeding in aanmerking. Om die reden zal [benadeelde partij 1] in dit deel van zijn vordering ter zake van materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard en kan hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die deze benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken. Gevorderde materiële schade [benadeelde partij 3] Op grond van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering, in combinatie met artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek kan een minderjarig kind van een slachtoffer dat als gevolg van een strafbaar feit is overleden een vordering indienen tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud. [benadeelde partij 3], dochter van het slachtoffer, heeft een vordering ingediend ter zake van gederfd levensonderhoud. Ter toelichting is namens haar aangegeven dat ten aanzien van deze vordering aansluiting zal moeten worden gezocht bij een hypothetisch netto gezinsinkomen, waartoe wegens het (thans nog) ontbreken van een (eenvoudig vast te stellen) berekening, in deze procedure is aangesloten bij een door het Schadefonds reeds uitgekeerd bedrag. Een volledige overlijdensschadeberekening zal te zijner bij de burgerlijke rechter worden ingediend. Het hof is van oordeel dat een volledige berekening van de toe te wijzen schade op grond van gederfd levensonderhoud te complex is om in het strafproces te beslechten en aldus een onevenredige belasting van het strafproces oplevert als bedoeld in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal tegen die achtergrond geen gebruik maken van zijn schattingsbevoegdheid op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. Hoewel evident is dat [benadeelde partij 3] schade voor gederfd levensonderhoud heeft geleden en ook nog zal lijden door het overlijden van haar moeder, past het niet om bij een dergelijk complexe vordering met gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot schatten, op basis van de thans aanwezige (beperkte) informatie, de mogelijkheden van een procedure voor de burgerlijke rechter te begrenzen. Het oordeel van het hof aangaande de vordering in het strafproces heeft immers te gelden als een eindoordeel in een civiele bodemprocedure. Het hof zal [benadeelde partij 3] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de onderhavige vordering. Gevorderde immateriële schade (shockschade) door [benadeelde partij 1] (vader), [benadeelde partij 2] (moeder) en [benadeelde partij 3] (dochter). Het hof stelt voorop dat het overlijden van [slachtoffer] een uitermate ingrijpende gebeurtenis is voor degenen die met haar verbonden zijn. Dat geldt temeer voor de ouders van [slachtoffer] die haar levenloze lichaam hebben gevonden toen ze het huis van [slachtoffer] binnenstapten om op hun kleindochter te passen. De hevige emoties en het intense verdriet die daarvan het gevolg zijn, zijn zeer invoelbaar. Dat laat onverlet dat in rechte de vraag over de vergoeding van gestelde shockschade in zakelijkheid zal moeten worden behandeld en beantwoord. Voor vergoeding van shockschade is op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarbij moet komen vast te staan dat dit geestelijk letsel is ontstaan als gevolg van het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, waardoor een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond (ECLI:NL:HR:2002:AD5356 en ECLI:NL:HR:2014:528). Het hof is van oordeel dat in de gevallen van [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] – om uiteenlopende redenen – niet aan deze voorwaarden is voldaan, zodat zij voor dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Het hof overweegt daartoe als volgt. Voor de vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade van [benadeelde partij 1] geldt het volgende. In dit geval is naar het oordeel van het hof in beginsel voldaan aan het confrontatievereiste. Hij is het huis van zijn dochter binnengegaan zonder enig vermoeden dat deze misschien niet meer in leven zou zijn. Toen hij zijn dochter onverhoeds levenloos zag liggen en begreep dat zij al koud was, is hij aldus direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het door de verdachte gepleegde misdrijf. De vordering ter zake van geleden immateriële schade (shockschade) is evenwel geheel niet met stukken over een diagnose en mogelijke behandeling onderbouwd. In hoger beroep is, overigens op begrijpelijke gronden, toegelicht waarom de vordering ook in dit stadium nog niet van een nadere onderbouwing is voorzien. Het hof kan daarom op basis van de vordering zoals deze thans in hoger beroep aan het hof is voorgelegd niet vaststellen dat [benadeelde partij 1] geestelijk letsel in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld heeft overgehouden aan de confrontatie met de ernstige gevolgen van het door de verdachte gepleegde misdrijf. Om die reden zal [benadeelde partij 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en kan hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Voor de vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade van [benadeelde partij 2] geldt het volgende. In dit geval is naar het oordeel van het hof in beginsel voldaan aan het confrontatievereiste. Zij is het huis van haar dochter binnengelopen zonder enig vermoeden dat deze misschien niet meer in leven zou zijn. Toen zij haar dochter onverhoeds levenloos zag liggen en voelde dat zij al koud was, is ook zij aldus direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het door de verdachte gepleegde misdrijf. Voorts kan worden vastgesteld dat [benadeelde partij 2] dientengevolge geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de overgelegde behandelovereenkomst en de toelichting ter zitting blijkt immers dat ze veel angsten heeft sinds haar dochter is overleden en dat bij haar een posttraumatische stress-stoornis is vastgesteld. Desondanks is het hof van oordeel dat op basis van de door [benadeelde partij 2] overgelegde (medische) stukken en uit de daarop gegeven toelichting, onvoldoende onderscheid kan worden gemaakt tussen de geestelijke problematiek bij haar als nabestaanden die (uitsluitend) het gevolg is van het overlijden van haar dochter als gevolg van het strafbare feit en de schade die het directe gevolg is van de confrontatie met het stoffelijk overschot van haar dochter op 30 november
- Dit betekent dat uit de overgelegde stukken en de toelichting dus niet precies kan worden vastgesteld welk deel van het geestelijk letsel is ontstaan door de confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit (shockschade) en welk deel is ontstaan door het missen van haar dochter (affectieschade). Dit betekent dat de behandeling van de vordering naar het oordeel van het hof dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert als bedoeld in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. [benadeelde partij 2] dient daarom in haar vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk te worden verklaard. Zij kan haar vordering voor dit deel slechts aan de burgerlijke rechter voorleggen. Voor de vordering van [benadeelde partij 3] geldt het volgende. Ten tijde van het bewezenverklaarde was zij ruim twee jaar oud. Zij is door haar oma uit haar slaapkamer gehaald en heeft haar moeder op de grond zien liggen toen zij door haar oma uit de woning werd meegenomen. Haar oma heeft toen tegen haar gezegd ‘dat mama heel erg ziek was en dat mama heel erg verdrietig was’. Gelet op de leeftijd van de dochter en hetgeen door haar oma is verteld op het moment dat zij haar moeder zag liggen, is - in aanmerking genomen de onderbouwing van de vordering - naar het oordeel van het hof thans niet komen vast te staan dat de dochter zich bewust is geweest van de ernstige gevolgen van het misdrijf, zodat niet is voldaan aan het confrontatievereiste. Dat de dochter haar moeder zeer mist en dat ze daaraan lijdt, is evident, invoelbaar en blijkt ook afdoende uit de overgelegde stukken. Dit valt evenwel onder affectieschade en kan daarom niet aan de orde zijn in dit strafproces. [benadeelde partij 3] zal daarom in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter (laten) aanbrengen. Gelet op het voorgaande dienen de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] Nu vaststaat dat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder
- impliciet primair, tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder
- bewezenverklaarde tot het bedrag van € 860,75 (achthonderdzestig euro en vijfenzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het onder
- impliciet primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 860,75 (achthonderdzestig euro en vijfenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 17 (zeventien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 november
- Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten, mr. A.M.P. Gaakeer en mr. O.M. Harms, in bijzijn van de griffier mr. L.I. Appels. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 maart 2022.