GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-21/00339 Uitspraak van 8 maart 2022 in het geding tussen: de Stichting [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: G. Gieben) en de heffingsambtenaar van Belastingen Bollenstreek, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: [B] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 april 2021, nummers SGR 20/1432 en SGR 21/344. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft twee aanslag-/beschikkingsbiljetten met dagtekening 28 februari 2019 aan belanghebbende gezonden. De biljetten zijn genummerd [biljetnr. 1] en [biljetnr. 2] , Op beide biljetten is aan belanghebbende bekendgemaakt dat aan haar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) een beschikking (de beschikking) is gegeven, waarbij de waarde op 1 januari 2018 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [plaats] (het woonzorgcentrum), voor het kalenderjaar 2019 is vastgesteld op € 11.296.000. Op andere punten zijn er verschillen tussen de beide biljetten. Van die verschillen zijn de volgende in het onderhavige geding van belang. Met de beschikking is in het biljet, genummerd [biljetnr. 1] , de aan belanghebbende ter zake van het woonzorgcentrum voor het jaar 2019 naar een heffingsmaatstaf van € 2.664.000 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [naam gemeente] (de aanslag OZBG) bekend gemaakt en verenigd. In het biljet, genummerd [biljetnr. 2] , is met de beschikking de aan belanghebbende ter zake van het woonzorgcentrum voor het jaar 2019 naar een heffingsmaatstaf van € 11.296.000 opgelegde aanslag in de van eigenaren geheven onroerendezaakbelasting van de gemeente [naam gemeente] (de aanslag OZBE) bekend gemaakt en verenigd. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Op grond van het bepaalde in artikel 30, lid 2 Wet WOZ wordt het bezwaar geacht mede te zijn gericht tegen de aanslag OZBG en de aanslag OZBE. 1.3. De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslagen gemaakte bezwaar bij uitspraak van 10 januari 2020 (de uitspraak op bezwaar) ongegrond verklaard. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het verzoek van belanghebbende om haar een vergoeding van de in verband met het bezwaar gemaakte kosten toe te kennen, afgewezen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 48. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.5. . Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 541. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op de zitting van het Hof van 25 januari 2022. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten 2. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van het woonzorgcentrum. Uitspraak van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en Heffingsambtenaar als verweerder: “Geschil 2. In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak dient te worden vastgesteld aan de hand van de gecorrigeerde vervangingswaarde. Ter zitting is vast komen te staan dat de waarde van de gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden 78% bedraagt van de WOZ-waarde. 3 Eiseres bepleit dat de waarde van de onroerende zaak € 8.070.000 bedraagt en wijst daartoe op een taxatierapport van [A] B.V., opgemaakt op 15 oktober 2019. Eiseres stelt voorts dat de gehanteerde restwaarden voor de ruwbouw, afbouw en installaties lager dienen te zijn dan welke in de Taxatiewijzer 2018, deel 9, Verzorging (Taxatiewijzer) zijn opgenomen. In dit verband voert eiseres aan dat verweerder de door hem gestelde restwaarden niet aannemelijk heeft gemaakt, nu aan de Taxatiewijzer en de daarin vermelde kengetallen geen bewijskracht toekomt, omdat niet van de onderbouwende gegevens kennis genomen kan worden. Ter ondersteuning van haar standpunt verwijst eiseres naar uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en van het gerechtshof Den Haag. Daarnaast is volgens eiseres ten onrechte uitgaan van een levensduurverlenging van een gedeelte van de onroerende zaak. Ter ondersteuning van haar standpunt verwijst eiseres naar uitspraken van het gerechtshof Amsterdam en een arrest van de Hoge Raad. Ter zitting heeft eiseres in dit verband nog verwezen naar een uitspraak van gerechtshof 's-Hertogenbosch. 4. Verweerder heeft verwezen naar een waarderapport, opgemaakt op 9 maart 2020 door [B] , WOZ-taxateur (waarderapport). Onder toepassing van de methode van de gecorrigeerde vervangingswaarde concludeert de taxateur van verweerder tot een waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum van € 11.296.000. Daarin is uitgegaan van de kengetallen van de archetypen N3640000, N3650000 en N3660000. Deze archetypen zijn te vinden in de Taxatiewijzer. Beoordeling van het geschil 5. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding”. 6. Ingevolge artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ wordt, in afwijking in zoverre van het tweede lid, de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, en met uitzondering van onroerende zaken die zijn ingeschreven in een van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met: a. de aard en de bestemming van de zaak; b. de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. 7. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Wet WOZ wordt de vervangingswaarde, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ berekend door bij de waarde van de grond van de onroerende zaak op te tellen de waarde van de opstal van de onroerende zaak. De waarde van de grond wordt bepaald door middel van een methode van vergelijking als bedoeld in het eerste lid, onder a, rekening houdend met de bestemming van de zaak. De waarde van de opstal wordt gesteld op de kosten die herbouw van een vervangend identiek object zou vergen, gecorrigeerd met een factor wegens technische veroudering en een factor wegens functionele veroudering. De correctie wegens technische veroudering wordt gebaseerd op de verstreken en de resterende gebruiksduur met inachtneming van de restwaarde. De correctie wegens functionele veroudering wordt gebaseerd op economische veroudering, verouderde bouwwijze, ondoelmatigheid en excessieve gebruikskosten. 8. Voor het bepalen van de technische afschrijving baseert verweerder zich op het archetype N5140000 voor gedeelten uit 1969 en 1971, het archetype N5150000 voor delen uit 1996 en het archetype N5161000 voor delen uit 2002. De geschiktheid van deze archetypen, alsmede de archetype genoemd onder 4, is tussen partijen niet in geschil. Verweerder heeft voorts onweersproken gesteld dat de onroerende zaak nog steeds volledig functioneert overeenkomstig haar bestemming en volledig in gebruik is overeenkomstig de strenge wet- en regelgeving ten aanzien van verzorgingshuizen en dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg ook daadwerkelijk controleert of aan de wettelijk daaraan gestelde minimale vereisten is voldaan. Niet gesteld of gebleken is dat het huidige gebruik op korte termijn zal worden beëindigd. Voor de delen uit 1969 en 1971 geldt dat er sindsdien aanpassingen en verbeteringen zijn aangebracht, waardoor het pand voor een groot deel is aangepast aan de eisen van deze tijd. Gelet op de Taxatiewijzer heeft verweerder dan ook terecht het standpunt ingenomen dat voor de delen uit 1969 en 1971 sprake is van een verlenging van de levensduur te rekenen vanaf de waardepeildatum met 10 jaar voor de ruwbouw en 5 jaar voor de afbouw en de installaties. De uitspraken van het gerechtshof Amsterdam en het arrest van de Hoge Raad, alsmede het door belanghebbende overgelegde rapport van [A] inzake de gecorrigeerde vervangingswaarde, leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel. 9. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarin geslaagd. Verweerder heeft verwezen naar het waarderapport dat is opgesteld met inachtneming van de kengetallen uit de Taxatiewijzer. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de waarde van de onroerende zaak als zodanig op een voldoende verifieerbare en controleerbare wijze heeft onderbouwd. De rechtbank heeft geen reden tot twijfel aan de toepasbaarheid van de in de Taxatiewijzer opgenomen kengetallen en de daarin opgenomen prijzen per m² voor -onder meer- ruwbouw en afbouw en installaties. De door verweerder gehanteerde Taxatiewijzer is immers opgesteld in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en is inhoudelijk opgebouwd aan de hand van een analyse van marktgegevens van vergelijkbare objecten. Het standpunt van eiseres dat de Taxatiewijzer onvoldoende onderbouwing vormt, slaagt dan ook niet. De uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en het gerechtshof Den Haag, leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel. Evenmin heeft de rechtbank aanleiding uit te gaan van andere restwaarden dan opgenomen in de Taxatiewijzer, mede in het licht van hetgeen onder 8 is opgenomen over de aanpassingen in de loop van de jaren, het huidige gebruik en de mate waarin aan de huidige kwaliteitseisen wordt voldaan. Er is aldus voldoende rekening gehouden met de technische veroudering van (delen van) de onroerende zaak. Om diezelfde reden ziet de rechtbank ook geen aanleiding verdergaand rekening te houden met functionele veroudering van (delen van) de onroerende zaak. Ook het beroep van eiseres ter zitting op een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch slaagt niet, omdat daaruit volgt dat de bewijslast ter zake van de correctie voor de technische veroudering bij verweerder ligt en naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan zijn bewijslast voldaan. 10. Hetgeen overigens nog door eiseres is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Eiseres stelt dat uit recente jurisprudentie zou volgen dat bij de bepaling van de correctie voor technische veroudering moet worden uitgegaan van lagere restwaarden dan die, welke in de Taxatiewijzer zijn vermeld. Wat er ook zij van de juistheid van deze stelling, zonder onderbouwing met voor de bepaling van de waarde van de onroerende zaak relevante marktgegevens of andere voor de rechtbank toetsbare, objectieve gegevens, ziet de rechtbank daarin geen reden om te oordelen dat de door belanghebbende voorgestane restwaarden voor de ruwbouw, de afbouw en de installaties juist zijn. Eiseres heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de levensduur van de onroerende zaak. Eiseres baseert haar standpunt dat verweerder de waarde op een te hoog bedrag heeft vastgesteld ook op het door haar overgelegde taxatierapport. Nu uit 9 volgt dat verweerder de waarde aannemelijk heeft gemaakt, kent de rechtbank aan dit rapport niet dat gewicht toe dat eiseres eraan toekent. 11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de onroerende zaak alsmede de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog zijn vastgesteld en dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep is in geschil of de Heffingsambtenaar: - bij de bepaling van de rekenprijzen per m2 van ruwbouw, de afbouw en de installatie vóór toepassing van de correcties voor technische en functionele veroudering met betrekking tot drie in 2002 gerealiseerde ruimten in het woonzorgcentrum is uitgegaan van het verkeerde archetype in de ‘Taxatiewijzer en kengetallen Deel 9 Verzorging waardepeildatum 1 januari 2018” (de Taxatiewijzer Verzorging); - bij de bepaling van de correctie voor technische veroudering ten onrechte de technische levensduren van de ruwbouw, de afbouw en de installaties heeft verlengd; - bij de bepaling van de correctie voor technische veroudering is uitgegaan van te hoge restwaarden van ruwbouw, afbouw en installaties. Belanghebbende beantwoordt de vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot wijziging van de beschikking waarbij de WOZ-waarde van het woonzorgcentrum wordt vastgesteld op € 8.070.000 en tot dienovereenkomstige vermindering van de heffingsgrondslagen van de aanslagen OZBE en OZBG. 4.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Standpunten van partijen 5.1. In het door de Heffingsambtenaar in hoger beroep ingediende Taxatieoverzicht (het Taxatieoverzicht H) heeft de taxateur van de Heffingsambtenaar (de Taxateur H) het woonzorgcentrum verdeeld in 22 ruimten: 7 paviljoens, 14 verzorgingsruimten en één opslag/magazijn/loods (opslagruimte). De deelwaarden van de ruimten heeft hij berekend aan de hand van de Taxatiewijzer Verzorging. Meer in het bijzonder gaat het om de gemiddelde rekenprijzen per m² vóór toepassing van de correcties voor technische en functionele veroudering (de gemiddelde rekenprijzen vóór correcties) voor de ruwbouw, afbouw en installaties die zijn vermeld in de archetypes N5140000 (Verzorgingshuis, 1966 t/m 1985; gebruikt voor 13 ruimten met bouwjaar 1969 of 1971), archetype N5150000 (Verzorgingshuis 1986 t/m 2000; gebruikt voor 6 ruimten met bouwjaar 1996) en archetype N5161000 (Verzorgingshuis 2001 en nieuwer, < 8.000 m2, gebruikt voor 3 ruimten met bouwjaar 2002) en verder om de in deze archetypes vermelde gemiddelde restwaarden na afloop van de technische levensduur (gemiddelde restwaarden) van de ruwbouw. 5.2. In het onderstaande schema staan de gemiddelde rekenprijzen vóór correcties in de archetypes (GRP/m2), de door de taxateur H gebruikte rekenprijzen per m2 vóór correcties (RP/m2) en de gemiddelde restwaarden (GRW) vermeld. De GRP/m2, RP/m2 en RW zijn exclusief omzetbelasting. In het Taxatieoverzicht H zijn onder de kopjes “Vvkpe” en “Ovvkpe” twee kolommen met RP/m2 opgenomen. Voor de ruwbouw, de afbouw en de installaties van de ruimten met bouwjaar 1969 of bouwjaar 1971 zijn de RP/m2 in beide kolommen gelijk. Voor de ruwbouw, de afbouw en de installaties van de ruimten met het bouwjaar 1969 en het bouwjaar 2002 wijken de RP/m2 in de kolom “Ovvkpe” af van de RP/m2 in de kolom “Vvkpe”. In het onderstaande schema zijn de in de kolom “Ovvkpe” vermelde RP/m2 opgenomen omdat in het Taxatieoverzicht H daarvan – zoals belanghebbende ter zitting heeft bevestigd – in de volgende stappen van de berekening van de deelwaarden van de ruimten is uitgegaan. De in het Taxatieoverzicht H gebruikte restwaarden zijn gelijk aan de gemiddelde restwaarden in de archetypes N5140000, N5150000 en N5161000. bouwjaar ruimte 1969 of 1971 1996 2002 GRP/m2 ruwbouw € 534,00 € 507,00 € 559,00 GRP/m2 afbouw € 289,00 € 366,00 € 399,00 GRP/m2 installaties € 289,00 € 307,00 € 372,00 GRP/m2 totaal € 1.113,00 € 1.180,00 € 1.330,00 RP/m2 ruwbouw € 534,24 € 577,49 € 567,42 RP/m2 afbouw € 289,38 € 416,33 € 405,30 RP/m2 afbouw € 289,38 € 349,18 € 378,28 RP/m2 totaal € 1.113,00 € 1.343,00 € 1.351,00 RW ruwbouw 30 % 30 % 30 % RW afbouw 25 % 25 % 25 % RW installaties 17 % 17 % 17 % 5.3. In het Taxatieoverzicht H zijn de op waardepeildatum resterende technische levensduren van de ruwbouw, de afbouw en de installaties gesteld op respectievelijk 10, 5 en 5 jaar. Dit heeft geleid tot een relatief kleine of geen verlenging van de technische levensduren van de ruwbouw en tot relatief forse verlengingen van de technische levensduren van de afbouw en de installaties. 5.4. Ter onderbouwing van haar standpunt dat de vastgestelde waarde te hoog is, heeft de belanghebbende een taxatierapport overgelegd (Taxatierapport B) dat op 15 oktober 2019 is opgemaakt door de taxateurs [C] en [D] (de taxateurs B) . In het Taxatierapport B wordt onder K, Onderbouwing van de waarde, opgemerkt: “Over de bruto vervangingswaarde [daaronder verstaan de Taxateurs B kennelijk de vervangingswaarde vóór toepassing van de correcties voor technische en functionele veroudering, Hof] is geen discussie [;] deze zijn [bedoeld is kennelijk: is, Hof] overeenkomstig de taxatiewijzer en de taxatiewijzer van de gemeente”. Naar aanleiding van het door de Heffingsambtenaar bij het verweerschrift overgelegde Taxatieoverzicht H heeft belanghebbende dit standpunt ter zitting gedeeltelijk aangepast. De aanpassing betreft de RP/m2 van de in 2002 gerealiseerde ruimten. Deze RP/m2 moeten volgens belanghebbende worden bepaald aan de hand van een ander archetype dan waarvoor de taxateur H heeft gekozen (archetype N5160000, Verzorgingshuis, 2001 en nieuwer, > 8.000 m2, standaardgrootte 13.000 m2, in plaats van archetype N5161000, Verzorgingshuis, 2001 en nieuwer, < 8.000 m2, standaardgrootte 4.000 m2). Dat archetype N5160000 en niet archetype N5161000 moet worden toegepast, volgt uit het feit dat de totale oppervlakte van het woonzorgcentrum (veel) groter is dan 8.000 m2. De gemiddelde rekenprijzen per m2 vóór correcties van de ruwbouw, de afbouw en de installaties in het archetype N5160000 zijn lager dan die in het archetype N5161000. 5.5. Verder heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de Heffingsambtenaar de technische levensduren van de ruwbouw, de afbouw en de installaties zonder goede onderbouwing heeft verlengd, waardoor de correcties voor de technische veroudering van de van de ruwbouw, de afbouw en de installaties te laag zijn. 5.6. Tenslotte neemt belanghebbende het standpunt in dat de restwaarden van de ruwbouw, de afbouw en de installaties van respectievelijk 30%, 25% en 17%, die de Heffingsambtenaar uit de Taxatiewijzer Verzorging heeft overgenomen, te hoog zijn. Uitgangspunten voor de beoordeling van het hoger beroep 5.7. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak op grond van artikel 17, lid 3, Wet WOZ moet worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde. Het Hof sluit zich aan bij deze, naar zijn oordeel juiste, gezamenlijke opvatting van partijen. 5.8. Ingevolge artikel 17, lid 3, Wet WOZ moet bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van een onroerende zaak rekening worden gehouden met de aard en de bestemming van de zaak en de sinds de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. In artikel 4, lid 2, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken - dat (niet meer dan) een hulpmiddel bij de bepaling van de WOZ-waarde is - is de wijze van berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde nader ingevuld. Naar de bedoeling van de wetgever is de gecorrigeerde vervangingswaarde van een onroerende zaak de waarde die de zaak in economische zin voor haar eigenaar heeft. 5.9. De Heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. Bij de beantwoording van de vraag of de Heffingsambtenaar aan deze bewijslast heeft voldaan, neemt het Hof ook in aanmerking wat belanghebbende heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat de vastgestelde waarde te hoog is. Slechts indien de Heffingsambtenaar niet aan zijn bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of belanghebbende de door haar verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Als ook dat laatste niet het geval is, kan het Hof zelf tot een vaststelling van de waarde komen. De rekenprijzen per m2 vóór correcties van de ruwbouw, afbouw en installaties 5.10. Niet tussen partijen in geschil is dat bij de bepaling van de rekenprijzen per m2 vóór correcties van de ruwbouw, afbouw en installaties van de ruimten, gebouwd in 1969 of 1971, en van de ruimten, gebouwd in 1996, dient te worden uitgegaan van de gemiddelde rekenprijzen vóór correcties die zijn vermeld in respectievelijk het archetype N5140000 en het archetype N5150000. Het Hof volgt dit gezamenlijke standpunt van partijen, dat naar zijn opvatting niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. 5.11.1. In het Taxatieoverzicht H zijn onder de kopjes “Vvkpe” en “Ovvkpe” twee kolommen met rekenprijzen per m2 vóór correcties opgenomen. De rekenprijzen per m2 vóór correcties in de kolom “Vvkpe” zijn vrijwel gelijk aan de gemiddelde rekenprijzen per m2 in de in het Taxatieoverzicht H gebruikte archetypes N5140000, N5150000 en N5161000. De rekenprijzen per m2 vóór correcties in de kolom “Ovvkpe” voor de ruwbouw, afbouw en installaties in de ruimten met bouwjaar 1996 en 2002 wijken echter af van de gemiddelde rekenprijzen per m2 in de archetypes die in het Taxatieoverzicht H zijn gebruikt voor die ruimten ( N5150000 en N5161000). 5.11.2. Omdat – zoals de Heffingsambtenaar ter zitting heeft bevestigd – de in de kolom “Ovvkpe” vermelde rekenprijzen per m2 vóór correcties voor de ruwbouw, afbouw en installaties in de ruimten met bouwjaar 1996 en 2002 in het Taxatieoverzicht H zijn gebruikt als uitgangspunten voor de volgende stappen van de berekening van de deelwaarden van de ruimten, dient, gelet op wat onder 5.9 is overwogen, de Heffingsambtenaar feiten te stellen en bij betwisting door de wederpartij aannemelijk te maken waaruit volgt dat de in het Taxatieoverzicht H gebruikte rekenprijzen per m2 vóór correcties voor de ruwbouw, afbouw en installaties in de ruimten met bouwjaar 1996 en 2002 niet te hoog zijn. 5.11.3. De Heffingsambtenaar is hierin naar het oordeel van het Hof niet geslaagd. Bij dit oordeel overweegt het Hof het volgende. De enkele verwijzing naar de archetypen N5150000 en N5161000 schiet als onderbouwing van de in het Taxatieoverzicht H gebruikte rekenprijzen per m2 vóór correcties tekort, reeds omdat in het Taxatieoverzicht H op dit punt van de gemiddelde rekenprijzen per m2 voor correcties in de archetypen N5150000 en N5161000 is afgeweken. Evenmin voldoende onderbouwing van de in het Taxatieoverzicht H gebruikte rekenprijzen per m2 vóór correcties is dat – zoals de Heffingsambtenaar ter zitting heeft verklaard – de rekenprijzen per m2 vóór correcties zijn gegenereerd door het rekenmodel (TIOX) dat door de (taxateur van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.