GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer hof : 200.279.188/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/558924 / HA ZA 18-933 Arrest van 29 maart 2022 in de zaak van [appellant] , [appellante], beiden wonend in [woonplaats], appellanten, hierna in enkelvoud te noemen: [appellanten], advocaat: mr. O.P. Kuit te Den Haag, tegen [verweerder] , wonend in [woonplaats], verweerder, hierna te noemen: [verweerder], advocaat: mr. F.P. van Galen te Leiden. 1De zaak in het kort 1.1 Deze zaak gaat over het volgende. Partijen zijn buren. [appellanten] vindt dat een bijgebouw (schuur) van [verweerder] te dicht op de zijgevel van zijn huis staat en moet worden verwijderd. Hij vindt bovendien dat de fietsenberging van [verweerder] over de erfgrens heen is gebouwd en hij wil dat die ook wordt verwijderd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bijgebouw niet hoeft te worden verwijderd. Over de overschrijding van de erfgrens heeft de rechtbank geoordeeld dat er in ieder geval sprake is van verjaring en dat [verweerder] daarom eigenaar is van de grond waarop de fietsenberging is gebouwd. 1.2 Het hof komt in hoger beroep tot hetzelfde oordeel met betrekking tot het bijgebouw en wijst de (gewijzigde) vordering van [appellanten] met betrekking tot de overschrijding van de erfgrens af. 2Procesverloop 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: het dossier van de procedure bij de rechtbank Den Haag; het tussen partijen gewezen vonnis van 26 februari 2020; de dagvaarding in hoger beroep van 25 mei 2020 van [appellanten]; de memorie van grieven van [appellanten] met bijlagen; de memorie van antwoord van [verweerder], met bijlagen; een akte na memorie van antwoord van [appellanten]; een antwoordakte van [verweerder]. 2.2 Ten slotte is arrest bepaald. 3Feitelijke achtergrond 3.1 Tussen partijen staat, voor zover voor dit hoger beroep nog van belang, onder meer het volgende vast. 3.2 [appellanten] is sinds 2000 eigenaar van het perceel aan [adres 1], kadastraal bekend [kadasternummer 1] (hierna: het perceel van [appellanten]). 3.3 [verweerder] is sinds 2008 samen met zijn echtgenote – ieder voor de onverdeelde helft – eigenaar van de naast elkaar gelegen percelen aan de [adres 2], kadastraal bekend [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] (hierna: het perceel van [verweerder]). 3.4 [appellanten] en [verweerder] zijn buren van elkaar. Vanuit het perspectief van het perceel van [verweerder] grenzen de percelen van partijen aan elkaar aan de noord- en oostzijde. Het hof zal hierna bij het duiden van een bepaalde perceelgrens telkens van het perspectief van [verweerder] uitgaan. 3.5 De woning van [verweerder] is gebouwd in 1924. Het perceel van [appellanten] was tot 1970 onbebouwd en de woning van [appellanten] is in of omstreeks 1971 gebouwd, waarbij de westelijke zijgevel is gebouwd op of dicht tegen de oostelijke perceelgrens van [verweerder] aan. 3.6 In de noordoostelijke hoek van zijn perceel heeft [verweerder] in 2017 een klein houten gebouw laten plaatsen (hierna: het bijgebouw). Het bijgebouw is dicht op de oostelijke perceelgrens gebouwd, en dus dicht bij de westelijke zijgevel van de woning van [appellanten]. Tussen die zijgevel en het bijgebouw is een smalle strook grond opengelaten. 3.7 Vanaf in elk geval 1970 was op of net over de noordelijke kadastrale perceelgrens een ligusterhaag geplant waarlangs tevens een gaas was geplaatst. De ligusterhaag bestrijkt de gehele lengte van de noordelijke perceelgrens. Aan de zuidkant (op het perceel van [verweerder]) is langs de ligusterhaag een bestrating aangelegd, alsmede een overdekte fietsenstalling en een overdekte afvalcontainerberging (hierna samen: de fietsenstalling). 3.8 De perceelgrens aan de oostelijke zijde is voor een gedeelte afgescheiden door een gezamenlijke schutting. Op enig moment heeft [verweerder] aan zijn kant van deze schutting vier leilinden geplant, op een afstand van enkele centimeters van de schutting. 3.9 In 2011 heeft het Kadaster een grensreconstructie uitgevoerd aan de noordelijke perceelgrens. 3.10 [appellanten] heeft bij bouwbedrijf Burgy geïnformeerd hoeveel ruimte er nodig is om een onderhoudssteiger te plaatsen langs de westelijke zijgevel van zijn woning. Bij e-mailberichten van 28 en 29 maart 2018 heeft Burgy laten weten dat onderhoudssteigers in maten van 70, 100, 120 of 140 cm worden geleverd en dat er daarnaast, aan weerszijden van de steiger 10 tot 30 cm ruimte nodig is om te kunnen werken. 4Vorderingen en beslissing van de rechtbank 4.1 [appellanten] heeft [verweerder] gedagvaard en gevorderd dat, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, [verweerder] wordt veroordeeld om op straffe van een dwangsom: het bijgebouw zodanig te verplaatsen dat het op een afstand van minimaal 1,40 meter van de westelijke zijgevel van de woning van [appellanten] komt te staan; de noordelijke erfgrens tussen de percelen te respecteren en de fietsenberging annex afvalcontainerberging/poort en bestrating te verwijderen en verwijderd te houden. 4.2 De rechtbank heeft die vorderingen afgewezen. Met betrekking tot het bijgebouw overwoog de rechtbank, samengevat weergegeven, dat van onrechtmatige hinder geen sprake is. Er is weliswaar tussen de zijgevel van de woning van [appellanten] en het bijgebouw onvoldoende ruimte om te kunnen staan, maar niet is gebleken dat er op dit moment of in de toekomst een noodzaak is tot het plegen van onderhoud aan die gevel. Evenmin is gebleken dat onderhoud aan de boeiboorden onmogelijk is. Ook is niet gebleken dat het bijgebouw eenvoudig te verplaatsen is. Omdat het bijgebouw een vergunningsvrij bouwwerk is, geldt niet een afstandseis van 1 meter. Uit het zogenaamde ladderrecht van artikel 5:56 BW volgt niet dat [verweerder] permanent een strook grond moet vrijhouden. 4.3 Met betrekking tot de noordgrens overwoog de rechtbank dat het beroep op verjaring door [verweerder] slaagt en dat de verjaring op 1 januari 1993 is voltooid, zodat [verweerder] eigenaar is van de strook grond die aan zijn kant van de ligusterhaag ligt. [verweerder] is daarom niet gehouden tot verwijdering van de fietsenstalling en de bestrating. 4.4 De rechtbank heeft [verweerder] wel veroordeeld tot verwijdering van vier leilinden en tot medewerking aan de reparatie van de gezamenlijke schutting. Die vorderingen zijn in hoger beroep niet meer aan de orde. De proceskosten zijn door de rechtbank gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. 5Vorderingen in hoger beroep en bezwaren tegen het vonnis 5.1 [appellanten] is in hoger beroep gekomen omdat hij het niet eens is met het vonnis. Hij heeft verschillende bezwaren tegen het vonnis aangevoerd. Hij vordert dat het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigt voor zover daarin de vordering tot het verwijderen van de leilinden en de vordering tot het verlenen van medewerking aan de reparatie van de schutting is toegewezen. [appellanten] heeft zijn eis verder gewijzigd en vordert vernietiging van het vonnis voor zover zijn vorderingen zijn afgewezen en: veroordeling van [verweerder] om de strook grond die door verjaring aan [verweerder] is gaan toebehoren om niet over te dragen aan [appellanten] op straffe van een dwangsom; veroordeling van [verweerder] om het bijgebouw te verplaatsen naar een afstand van 1,40 meter van de westelijke zijgevel van de woning van [appellanten], althans het ertoe te leiden dat de schuur met 1 meter wordt ingekort, op straffe van een dwangsom; veroordeling van [verweerder] om de noordelijke kadastrale erfgrens tussen de percelen, zoals bedoeld in de tekening van het kadaster, te respecteren en de deels op de grond van [appellanten] gevestigde fietsenstalling en bestrating te verwijderen, op straffe van een dwangsom; veroordeling van [verweerder] tot integrale vergoeding van de kosten van deze procedure in beide instanties, met rente en nakosten. 5.2 Subsidiair vordert [appellanten] dat aan hem een bedrag van € 8.910,- wordt betaald ter compensatie van de waardevermindering van zijn perceel, en geeft hij de vordering om de noordelijke kadastrale erfgrens tussen de percelen, zoals bedoeld in de tekening van het kadaster, te respecteren en de deels op de grond van [appellanten] gevestigde fietsenstalling en bestrating te verwijderen op. Meer subsidiair vordert hij genoemd bedrag ter compensatie, en geeft hij ook de vordering om de strook grond over te dragen, op. 5.3 [appellanten] heeft twee grieven tegen het bestreden vonnis gericht. Grief I is gericht tegen de beslissing van de rechtbank over het bijgebouw. Met grief II voert [appellanten] aan dat de rechtbank heeft miskend dat [appellanten] kan vorderen dat de strook grond die hij door verjaring heeft verloren, weer aan hem wordt overgedragen. 6Beoordeling door het hof Inleiding 6.1 [appellanten] heeft in zijn memorie van grieven gesteld dat hij het geschil in volle omvang aan het hof beoogt voor te leggen. Zijn grieven doen dat echter niet, maar hebben uitsluitend betrekking op het bijgebouw en de gevolgen van de verjaring (en niet op de verjaring zelf). Ten aanzien van het bijgebouw bestaat de beslissing van de rechtbank uit verschillende onderdelen. Uitsluitend die onderdelen die door een als zodanig kenbare grief worden aangevochten, liggen in hoger beroep voor. Ten aanzien van de verjaring heeft [appellanten] in hoger beroep een nieuwe insteek gekozen: zijn grieven nemen de verjaring als uitgangspunt, en richten zich uitsluitend op de vraag of [appellanten] van [verweerder] teruglevering van de strook grond kan verlangen, of een waardevergoeding. Het hof zal daarom uitsluitend over die onderwerpen oordelen. Het bijgebouw – Grief I 6.2 De grief van [appellanten] met betrekking tot het bijgebouw richt zich tegen overweging 4.7 van de rechtbank, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gesteld of gebleken dat er op dit moment of in de toekomst een noodzaak tot het plegen van onderhoud aan de gevel is en dat dit ook niet voor de hand ligt omdat het om een blinde muur gaat. Volgens [appellanten] is het een feit van algemene bekendheid dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.