GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-21/00788, BK-21/01219 en BK-21/01220 Uitspraak van 24 maart 2022 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: M.A. Daldal) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordigers: […] en […] ) op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 juli 2021, nummers SGR 20/2721, SGR 20/2755 en SGR 20/
(2011)en belastingrente (2012 en 2014) en de boetebeschikkingen voor de jaren 2012 en 2014, tot vergoeding van de proceskosten in (hoger) beroep en het voor het (hoger) beroep betaalde griffierecht. Beoordeling van het hoger beroep Nieuw feit 5.1.1. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een nieuw feit. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De Inspecteur heeft ervoor gekozen de primitieve aanslagen (deels) op te leggen zonder daaraan voorafgaand nader onderzoek te doen en meer specifiek een controle van de betalingsbewijzen uit te voeren. Indien de datum van het onderzoek bij de [stichting 1] is gelegen voordat de primitieve aanslagen zijn opgelegd, en voordat bewijsstukken zijn opgevraagd, kan niet worden gesproken van een nieuw feit. Belanghebbende heeft voorts verzocht de verklaringen van de penningmeester in te mogen zien. De Inspecteur heeft een en ander betwist en zich op het standpunt gesteld dat de resultaten van het FIOD-onderzoek bij de [stichting 1] ( [FIOD-onderzoek 3] ) het nieuwe feit vormen dat navordering rechtvaardigt. Dit onderzoek bij de [stichting 1] is eerst op 17 september 2015 aangevangen en de Inspecteur is bekend geworden met die resultaten na 16 maart 2017; de datum waarop door de officier van justitie toestemming is verleend om de bevindingen uit het FIOD-onderzoek te gebruiken voor fiscale doeleinden. De primitieve aanslagen voor de jaren 2011, 2012 en 2014 zijn opgelegd reeds voordat het onderzoek bij de [stichting 1] is aangevangen. 5.1.2. Het Hof stelt voorop dat de verklaringen van de penningmeester deel uitmaken van het FIOD-rapport en dat belanghebbende daar in eerste aanleg een afschrift op CD-Rom van heeft ontvangen. De inhoud van de verklaringen van de penningmeester is derhalve, net als de inhoud van het gehele FIOD-rapport, reeds beschikbaar voor belanghebbende. Belanghebbende heeft op de inhoud kunnen reageren. 5.1.3. Artikel 16, lid 1, AWR bepaalt, voor zover van belang, dat, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. 5.1.4. Het Hof oordeelt als volgt. Tijdens het onderzoek bij de [stichting 1] naar de houdbaarheid van de ANBI-status, zijn onvolkomenheden in de administratie van de [stichting 1] geconstateerd. Vanwege deze administratieve onvolkomenheden is de ANBI-status met terugwerkende kracht ingetrokken. Vanwege het feit dat de bedragen aan contante giften die werden opgenomen in aangiften van diverse belastingplichtigen een veelvoud bedroegen van de in de administratie van de [stichting 1] verantwoorde donaties, heeft de Belastingdienst veelal voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslagen aan de desbetreffende belastingplichtigen vragen gesteld over de door hen opgevoerde giften. Indien de contante giften konden worden onderbouwd met schriftelijke bescheiden, stond de Belastingdienst de giftenaftrek toe. 5.1.5. Aangezien het intrekken van de ANBI-status zijn grondslag vond in de administratieve onvolkomenheden van de [stichting 1] , staat die omstandigheid niet in de weg aan het opleggen van de navorderingsaanslagen. Uit deze administratieve onvolkomenheden volgt immers niet dat tevens sprake was van misstanden bij de donateurs, zoals valselijk opgemaakte giftkwitanties. Pas nadat de FIOD in januari 2015 was gestart met de strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse giftkwitanties bij drie andere ANBI-instellingen dan de [stichting 1] , bleek dat diverse belastingplichtigen, die giften aan voormelde instanties in de aangiften hadden opgenomen, ook giften aan de [stichting 1] hadden opgenomen in hun aangiften. Dit was de aanleiding om op 17 september 2015 een strafrechtelijk onderzoek te starten bij de [stichting 1] en haar bestuurders in verband met het opmaken van valse giftkwitanties en/of donatieverklaringen van de [stichting 1] en het gebruik hiervan bij het doen van aangiften IB/PVV. De Inspecteur heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de gebreken in de administratie van de [stichting 1] op het moment van intrekking van de ANBI-status nog niet konden worden toegerekend aan individuele belastingplichtigen. Ook in augustus 2012, januari 2015 en op 4 september 2015 was de Inspecteur in het licht van de op dat moment bekende omstandigheden niet gehouden de aanslagregeling aan te houden. Het niet voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslagen door de Inspecteur stellen van vragen over de giften en het opleggen van de aanslagen conform de ingediende aangiften, levert derhalve geen ambtelijk verzuim op. Belanghebbende heeft in haar verweerschrift in hoger beroep gesteld dat reeds voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslagen door de Inspecteur naar bewijsstukken van de giften is gevraagd. Dit is door de Inspecteur gemotiveerd weersproken en de gedingstukken geven geen aanleiding voor de veronderstelling dat de Inspecteur vóór het opleggen van de primitieve aanslagen achterliggende stukken heeft opgevraagd bij belanghebbende. 5.1.6. Uit voornoemd strafrechtelijk onderzoek van de FIOD bij de [stichting 1] , dat is aangevangen na het opleggen van de primitieve aanslagen 2011, 2012 en 2014, is gebleken dat in verschillende jaren op grote schaal werd gehandeld in valse giftkwitanties van de [stichting 1] . Daarbij werden kwitanties verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Belastingplichtigen maakten op grote schaal gebruik van die giftkwitanties om giften op te voeren tot bedragen die zij niet hadden betaald. Voorts werden de giftkwitanties veelal gekocht op een latere datum dan de datum die is vermeld op de betreffende giftkwitantie en de datum op de giftkwitanties werd afgestemd op de datum van reeds gedane pinopnames. Uit verklaringen van de penningmeester, welke worden bevestigd door verklaringen van diverse andere belastingplichtigen en de bevindingen in het strafrechtelijk onderzoek bij de [stichting 1] , volgt dat (veelal) geen bedragen zijn gedoneerd van € 500 of hoger. Als gevolg van deze bevindingen is bij de Inspecteur het vermoeden ontstaan dat ook bij belanghebbende de aanslagen 2011, 2012 en 2014, als gevolg van de in aftrek gebrachte giften aan de [stichting 1] , tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Nu de gedingstukken geen aanleiding geven voor de veronderstelling dat de Inspecteur vóór het opleggen van de definitieve aanslagen van 2011, 2012 en 2014, op respectievelijk 31 augustus 2012, 7 januari 2015 en 4 september 2015, bekend was dan wel redelijkerwijze bekend had kunnen zijn met de voormelde uit het strafrechtelijk onderzoek gebleken feiten, is aan het vereiste van een nieuw feit voldaan. Giftenaftrek 5.2.1. Andere giften dan periodieke giften zijn aftrekbaar voor zover zij kunnen worden gestaafd met schriftelijke bescheiden (zie artikel 6.39, lid 1, in verbinding met artikel 6.32 van de Wet Inkomstenbelasting 2001). In geval van betwisting door de inspecteur, zoals hier het geval is, rust op belanghebbende de last de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat zij recht heeft op giftenaftrek. 5.2.2. Belanghebbende heeft gesteld dat zij in de jaren 2011, 2012 en 2014 giften in contanten heeft gedaan aan de [stichting 1] voor bedragen van in totaal € 5.000 respectievelijk € 4.000 en € 3.500. Ter onderbouwing van haar stelling heeft belanghebbende voor het jaar 2012 (een aantal) kwitanties en heeft de echtgenoot van belanghebbende voor het jaar 2014 twee kwitanties overgelegd. 5.2.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de overgelegde giftkwitanties van de [stichting 1] niet zonder meer kunnen dienen ter onderbouwing van de opgevoerde giften en wijst daarbij op de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek naar de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting 1] . Uit dat onderzoek volgt dat op grote schaal giftkwitanties van de [stichting 1] werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Uit verklaringen van de penningmeester welke worden bevestigd door verklaringen van diverse andere belastingplichtigen en de bevindingen in het strafrechtelijk onderzoek, volgt dat geen bedragen zijn gedoneerd van meer dan € 500. 5.2.4. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de Inspecteur in beroep en hoger beroep onder meer de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting 1] : de vaststelling van een controlemedewerker dat namens de [stichting 1] in het jaar 2012 in totaal 2.500 kwitanties zijn uitgeschreven, terwijl slechts 531 kwitanties in de administratie zijn verantwoord; dat in het jaar 2013 in de jaarstukken van de [stichting 1] € 88.564 aan donaties is verantwoord, terwijl in de diverse aangiften over dat jaar in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting 1] is aangegeven; de verklaringen van verdachten dat giftkwitanties voor een bepaald percentage van het giftbedrag werden gekocht/verkocht van de [stichting 1] ; dat uit de inbeslaggenomen administratie van de [stichting 1] volgt dat 22% van de ontvangen giften is verwerkt in het kasboek; een anonieme tip aan de FIOD dat de kwitanties zijn vervalst en gebruikt door meerdere personen om een belastingteruggaaf te bewerkstelligen; dat na het intrekken van de ANBI-status van de [stichting 1] op 6 januari 2014, dat op 19 december 2013 was aangekondigd, in de periode van 1 januari tot 6 januari 2014 een opvallend groter aantal kwitanties is geboekt dan in voorgaande jaren; de whatsapp- en sms-berichten en de verklaringen van onder andere de penningmeester van de [stichting 1] waaruit volgt dat een levendige handel in giftkwitanties bestond en dat uit die berichten volgt dat de data op de kwitanties worden afgestemd op de data van willekeurige pinopnamen; de verklaring van een informant aan het Team Criminele Inlichtingen waaruit volgt dat de leiding van de [stichting 1] op de hoogte is van de belastingfraude door middel van de giftkwitanties en meewerkt aan de uitgifte daarvan; de verklaring van de penningmeester van de [stichting 1] dat slechts een handvol mensen het volledige vermelde bedrag op de giftkwitanties hebben betaald maar dat die bedragen maximaal € 300 of € 400 betreffen; de verklaringen van diverse personen aan de FIOD en de Belastingdienst die de handel in kwitanties hebben bevestigd; een overzicht van uitgeschreven kwitanties voor 2013 waarvan de gegevens die in dit document zijn opgenomen niet overeenkomen met de daadwerkelijk ontvangen bedragen; een doorlopend handgeschreven kasboek waarin de werkelijk ontvangen bedragen werden opgenomen; de werkelijk ontvangen bedragen (donaties) bedroegen veelal 10% tot 12% van de uitgegeven kwitanties; dat de Belastingdienst bij 2.040 belastingplichtigen navorderingsaanslagen heeft opgelegd dan wel correcties heeft aangebracht bij het opleggen van de aanslagen en indien mogelijk een vergrijpboete. Van deze 2.040 gevallen zijn ongeveer 450 belastingplichtigen in bezwaar gegaan en 150 in beroep; dat bij belastingplichtigen van wie aanslagen zijn gecorrigeerd of bij wie is nagevorderd doorgaans een giftenaftrek van minimaal € 500 in de aangifte is opgenomen. 5.3.1. Uit hetgeen de Inspecteur onder 5.2.4 heeft aangevoerd volgt dat op grote schaal valse giftkwitanties van de [stichting 1] werden verhandeld en gebruikt door belastingplichtigen om giften op te voeren die zij niet daadwerkelijk hebben gedaan. Gelet op deze bevindingen kunnen de kwitanties van de [stichting 1] niet zonder meer dienen als bewijs voor de door belanghebbende gestelde giften. Het is aan belanghebbende aanvullende feiten en omstandigheden aan te voeren en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat zij recht heeft op giftenaftrek. 5.3.2. Nu belanghebbende geen (jaar 2011) of geen ander (schriftelijk) bewijs (jaren 2012 en 2014) heeft bijgebracht waaruit volgt dat giften ten goede zijn gekomen aan de [stichting 1] , heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij in de onderhavige jaren giften aan de [stichting 1] heeft gedaan. De Inspecteur heeft dan ook terecht geen giften in aftrek toegestaan en de navorderingsaanslagen terecht opgelegd. De enkele stelling van belanghebbende dat onduidelijk is door welke persoon van de [stichting 1] de kwitanties zijn opgemaakt en dat deze door verschillende personen getekend (lijken
- te)zijn, doet, gelet op het onder 5.2.3 tot en met 5.3.1 overwogene hier niets aan af. De vergrijpboetes voor de jaren 2012 en 2014 5.4.1. De Inspecteur kan op grond van artikel 67e, lid 1, AWR een boete opleggen van ten hoogste 100% indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De bewijslast hiervan rust op de Inspecteur. 5.4.2. Bij de beantwoording van de vraag of de inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit heeft geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die een belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die waarborgen houden onder meer in dat de bewijslast op de inspecteur rust en de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van de twijfel moet worden gegund. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) laat toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens. De belanghebbende moet wel een redelijke mogelijkheid hebben zich daartegen te verweren en het gebruik van vermoedens mag er niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven van de inspecteur naar de belanghebbende; het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6350, BNB 2011/207 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207). Het EVRM eist niet dat de inspecteur bij het bewijzen van het opzet of de grove schuld is gebonden aan de bewijsregels van het nationale strafrecht. Er hoeft geen wettig en overtuigend bewijs te worden geleverd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 338 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (vgl. HR 18 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5166, BNB 1993/40). Wel moet het uit die vermoedens af te leiden opzet buiten redelijke twijfel zijn (vgl. HR 23 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5391, BNB 1993/272). 5.5. De Inspecteur heeft gesteld dat sprake is van opzet en dat sprake is van strafverzwarende omstandigheden, zodat de boetes van 75% passend en geboden zijn. 5.6. Aangezien de Inspecteur primair heeft gesteld dat sprake is van opzet en subsidiair dat sprake is van grove schuld, rust op de Inspecteur de bewijslast aannemelijk te maken primair dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften IB/PVV 2012 en 2014 zich ervan bewust is geweest dat (een aanmerkelijke kans bestond dat) de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren en subsidiair dat belanghebbende zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat haar kan worden verweten dat de aangiften op het punt van de giftenaftrek onjuist waren. 5.7. Naast de in 5.2.4 aangevoerde feiten en omstandigheden ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting 1] , heeft de Inspecteur ten aanzien van belanghebbendes betrokkenheid bij voormelde handel in giftkwitanties het volgende aangevoerd: de naam van belanghebbende komt op 20 maart 2013 voor een bedrag van € 1.000 voor in het overzicht van uitgeschreven kwitanties (DOC-433). Op basis van hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de FIOD komen de gegevens die in dit document zijn opgenomen niet overeen met de daadwerkelijk door de [stichting 1] ontvangen bedragen. Dit overzicht werd achteraf door de [stichting 1] opgesteld aan de hand van de verstrekte kwitanties; de naam van belanghebbende komt voor in het handgeschreven kasboek (DOC480) op 10 maart 2015 voor een bedrag van € 50 met de omschrijving “Bel.zaken”; de naam van belanghebbende komt, tezamen met de namen van haar echtgenoot, haar zus en diens echtgenoot voor in het handgeschreven kasboek (DOC-480) op 24 mei 2015 voor een bedrag van € 800 met de omschrijving “Donatie [A] (+ [belanghebbende] , [C] en [B] )”. Gelet op de hoogte van de in de aangiften voor het jaar 2014 door belanghebbende en haar zus (zie het dossier van de eveneens bij het Hof aanhangige en gelijktijdig behandelde zaken BK-21/00795, BK-21/00796, BK-21/01221 en BK-21/1222) verantwoorde giften, zal de helft van dit bedrag betrekking hebben op de donaties door belanghebbende en haar echtgenoot. De helft van dit bedrag bedraagt € 400 en dit bedraagt 11,42 percent van de door belanghebbende voor het jaar 2014 in aftrek gebrachte giften aan de [stichting 1] van € 3.500. Dit komt overeen met de fraudeleuze handelwijze die is beschreven door de FIOD. De omschrijving in het handgeschreven kasboek met de vier namen is dermate specifiek dat hierbij geen sprake kan zijn van een verschrijving of vergissing door degene die het handgeschreven kasboek heeft opgemaakt; de voormelde donatie van 20 maart 2013, zoals deze is opgenomen in het overzicht van uitgegeven kwitanties (DOC-433) komt niet voor in het handgeschreven kasboek (DOC-480), dat van 1 december 2013 tot en met 31 december 2016 is bijgehouden; ook in de aangifte voor het jaar 2013 heeft belanghebbende een giftenaftrek aan de [stichting 1] opgevoerd. Abusievelijk is voor dat jaar geen navorderingsaanslag opgelegd; na het jaar 2014 zijn door belanghebbende geen giften meer in de aangiften opgenomen; het bewijsvermoeden omtrent de kwitanties en de fraude komt, anders dan de Rechtbank voor het jaar 2012 heeft beslist, niet uitsluitend voort uit verklaringen van de penningmeester en derden, maar vindt bevestiging in de bevindingen die uit het FIOD-onderzoek naar voren zijn gekomen; de boetes voor het jaar 2012 en 2014 moeten gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Dit wordt nog eens bevestigd door de vermelding van belanghebbende in het handgeschreven kasboek op 10 maart 2015 met de vermelding “Bel.zaken”. Gelet op deze omschrijving nam belanghebbende in verband met haar belastingzaken, ondanks dat de gemachtigde van belanghebbende de aangiften verzorgde, contact op met de [stichting 1] . Hiermee staat vast dat sprake was van overleg over en in samenwerking met de bestuursleden of penningmeester van de [stichting 1] verkrijgen van de voor de in de aangiften opgevoerde giftenaftrek benodigde kwitanties. 5.8.1. Uit hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd volgt een handelwijze waarbij op grote schaal valse giftkwitanties van de [stichting 1] werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Voorts volgt daaruit dat de valse giftkwitanties door de belastingplichtigen werden gekocht op een latere datum dan de datum die is vermeld op de desbetreffende giftkwitantie. 5.8.2. Uit het onderzoek van de FIOD volgt dat de handgeschreven kasboeken van de [stichting 1] in totaal 1.192 donaties vermelden met een totaalbedrag van € 489.087,70 in de periode december 2013 tot en met december 2016. Hierbij is het bedrag van het overgrote deel van de donaties lager dan € 500. Gelet op
- i)voormelde handelwijze waarbij de valse giftkwitanties veelal werden verhandeld voor 10%-12% van daarop vermelde bedragen en
- ii)de verklaringen van de penningmeester, van getuigen en belastingplichtigen waaruit blijkt dat veelal een paar honderd euro is betaald voor de giftkwitanties, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat het handgeschreven kasboek de juiste gegevens vermeldt. 5.9.1. De naam van belanghebbende komt in het handgeschreven kasboek (DOC-480) voor onder vermelding van de omschrijving “Bel.zaken”. Voorts komt de naam van belanghebbende samen met de namen van haar echtgenoot, haar zus en diens echtgenoot in het handgeschreven kasboek (DOC-480) voor onder vermelding van een donatie van € 800 op 24 mei 2015. Het Hof acht, gelet op de hoogte van de donaties door belanghebbende en haar echtgenoot en de donaties door haar zus en diens echtgenoot in het onderhavige jaar aannemelijk dat de helft van het bedrag van € 800, te weten € 400, ziet op de giften die door belanghebbende in haar aangiften zijn opgenomen. Dit bedrag is 11,42% van de voor 2014 in aftrek gebrachte giften van € 3.500. Deze bevinding ten aanzien van belanghebbende komt overeen met de handelwijze die volgt uit het strafrechtelijke onderzoek naar de handel in valse kwitanties van de [stichting 1] . 5.9.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het vermoeden gerechtvaardigd dat belanghebbende in de onderhavige jaren gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting 1] en dat belanghebbende zich er ten tijde van het doen van haar aangiften IB/PVV 2012 en 2014 bewust van is geweest dat de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren. 5.10. De belastingplichtige die wil ontkomen aan bewijs door middel van een bewijsvermoeden, kan zich verweren hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd (vgl. HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, BNB 2003/14 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207). 5.11. Belanghebbende heeft in dat kader - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Belanghebbende heeft geen kwitanties gekocht, maar heeft donaties gedaan tot aan de bedragen die zijn vermeld op de kwitanties. Het is de verklaring van de penningmeester tegenover die van belanghebbende. Er is wel degelijk een groep belastingplichtigen die daadwerkelijk geld heeft gedoneerd. Er is maar één vermelding van de naam van belanghebbende met een donatie in het handgeschreven kasboek en daarbij kan sprake zijn van een fout of vergissing van de penningmeester bij het opmaken van dit handgeschreven kasboek. 5.12.1. Het Hof ziet geen reden te twijfelen aan de verklaringen van de penningmeester over de handelwijze met betrekking tot de valse giftkwitanties. De verklaringen van de penningmeester zijn bevestigd door verklaringen van diverse getuigen en belastingplichtigen die door de FIOD en de Inspecteur zijn gehoord. Daarnaast bevat het FIOD-rapport diverse onderzoeken van opsporingsambtenaren naar onder andere tekstberichten op in beslag genomen telefoons en de administratie van de [stichting 1] die voormelde handelwijze bevestigen. 5.12.2. Het Hof ziet, anders dan belanghebbende, evenmin reden te twijfelen aan de in het handgeschreven kasboek vermelde data en bedragen. Die kasadministratie vormt een (administratieve) weergave van de handelwijze waarbij de giftkwitanties voor een bepaald percentage van de daarop vermelde bedragen werden verkocht. Verder volgt uit die kasadministratie en uit de verklaringen van diverse getuigen en belastingplichtigen dat de kwitanties werden gekocht op een latere datum dan vermeld op de uitgeschreven kwitanties. Belanghebbende heeft bovendien onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat ten aanzien van de op haar betrekking hebbende bedragen en data van andere data of bedragen dan die vermeld in het kasboek moet worden uitgegaan. Een vergissing of fout bij de op de datum 24 mei 2015 genoteerde vermelding in het handgeschreven kasboek komt het Hof, gelet op de gedetailleerdheid van die omschrijving, niet aannemelijk voor. 5.13. Gelet op hetgeen onder 5.11 tot en met 5.12.2 is overwogen heeft belanghebbende het bewijsvermoeden dat zij in de onderhavige jaren gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting 1] niet ontzenuwd. Dit betekent dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van haar aangiftes IB/PVV 2012 en 2014 zich ervan bewust is geweest dat de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren, zodat het opzet bewezen is. De hoogte van de boetes 5.14. De Inspecteur heeft de boetes voor 2012 en 2014 bepaald op 75%, te weten 50% voor het opzet van belanghebbende verhoogd met 25% wegens strafverzwarende omstandigheden als bedoeld in paragraaf 8 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (tekst 2013). Ingevolge laatstvermelde bepaling is voor het in aanmerking nemen van strafverzwarende omstandigheden in elk geval aanleiding indien sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning. 5.15. De Inspecteur heeft gesteld dat het gebruik maken van falsificaties (de valse giftkwitanties) geldt als een strafverzwarende omstandigheid. 5.16. Gelet op hetgeen onder 5.7 tot en met 5.13 is overwogen acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan het willens en wetens doen van onjuiste aangiften als gevolg waarvan de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld (opzet). Gelet op de ernst van de gedragingen, te weten het gebruikmaken van valse giftkwitanties, acht het Hof de voor de jaren 2012 en 2014 opgelegde boetes van 75% van het nagevorderde bedrag passend en geboden. Beschikkingen heffings- en belastingrente 5.17. Tegen de beschikkingen heffingsrente