GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer hof : 200.275.403/01 Zaaknummer rechtbank : 7581447 RL EXPL 19-5280 Arrest van 22 maart 2022 in de zaak van [appellant] , h.o.d.n. [handelsnaam], in zijn hoedanigheid van lasthebber van [A] en [B], wonende en mede kantoorhoudende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: - (voorheen mr. T. Kemper te Rosmalen), tegen [verweerder] , woonplaats kiezend in [woonplaats] (kantoor advocaat) , verweerder, hierna te noemen: [verweerder], advocaat: mr. H. Umzumcu te Den Haag. 1De zaak in het kort 1.1 [verweerder] heeft in 2011 een slagerij gekocht van de lastgevers van [appellant]. Hij heeft niet volledig aan zijn betalingsverplichting voldaan. De restschuld is bij overeenkomst van schuldoverneming overgedragen aan een derde. Volgens [appellant] is achteraf gebleken dat in die overeenkomst van schuldoverneming onjuiste informatie stond. Hij vordert in deze procedure, samengevat, dat de rechter vaststelt dat de overeenkomst van schuldoverneming niet meer bestaat (door vernietiging wegens dwaling of bedrog), althans geen werking meer heeft. Ook vordert hij dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van de volgens [appellant] resterende schuld, plus kosten en rente. 1.2 De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Het hof is het met die beslissing eens. Het oordeelt in dit arrest dat van dwaling of bedrog geen sprake is. 2Procesverloop 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: het dossier van de procedure bij de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag; het tussen partijen gewezen vonnis in het incident van 22 mei 2019 en het tussen partijen gewezen eindvonnis in de hoofdzaak van 4 december 2019 (hierna ook: het bestreden vonnis); de dagvaarding in hoger beroep van 2 maart 2020 van [appellant]; de memorie van grieven van [appellant] van 15 september 2020, met bijlagen; de memorie van antwoord van [verweerder], met bijlagen; de akte nadere toelichting na beraad tevens overlegging producties van [appellant] van 2 februari 2021, met één bijlage; de antwoordakte van [verweerder]. 2.2 Hierna is arrest bepaald. 3Feitelijke achtergrond Tussen partijen staat onder meer het volgende vast. 3.1 [A] en [B] (hierna: [A] c.s., in mannelijk enkelvoud) heeft op 14 mei 2011 de slagerij [naam slagerij], gevestigd aan het [adres] (hierna ook wel: het adres), verkocht aan [verweerder] voor een koopprijs van € 40.000,-. 3.2 [verweerder] heeft enkele betalingen gedaan, maar heeft niet volledig voldaan aan zijn verplichting om de koopsom te betalen. 3.3 [A] c.s. en [verweerder] hebben op 7 oktober 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten, met een gewijzigde betalingsregeling en vaststelling van de schuld, inclusief kosten, op € 41.375,-. Ook deze betalingsregeling is niet volledig nagekomen. 3.4 Op 29 augustus 2013 hebben [A] c.s., [verweerder] en [C] (hierna: [C]) een overeenkomst van schuldoverneming gesloten. In deze overeenkomst is onder meer het volgende vermeld: “(…) IN AANMERKING NEMENDE: Dat schuldeiser en [verweerder] d.d. 14 mei 2011 een koopovereenkomst hebben gesloten betreffende de slagerij [naam slagerij], gevestigd (….) aan het adres [adres] (…); dat bij voornoemde overeenkomst is overeengekomen dat de koopsom van € 40.000,- (veertigduizend euro) bedraagt, te voldoen voor de overdracht. [verweerder] is zijn betalingsverplichting niet nagekomen; partijen nadere afspraken hebben gemaakt uitsluitend betreffende betaling van de verschuldigde koopsom en bijkomende kosten en deze afspraken bij vaststellingsovereenkomst d.d. 7 oktober 2011 zijn vastgelegd (…); dat de hiervoor sub 3 bedoelde kosten tezamen € 1.375,00 bedragen, inclusief BTW; dat de koopsom bedraagt inclusief kosten € 41.375,- dat [verweerder] op 1 november 2012 de zaak [A] heeft verkocht aan [C]; dat [C] bereid is met het oog op zijn overname van [verweerder]’s zaak deze schuld van [verweerder] jegens schuldeiser over te nemen; dat schuldeiser van het bij sub 5 genoemde bedrag € 14.575,- heeft kwijtgescholden op 16 augustus 2013; dat het aan schuldeiser verschuldigde en openstaande bedrag thans € 15.000,- bedraagt (…) VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT: 1. [C] neemt de schuld van [verweerder] jegens de schuldeiser over, welke schuldoverneming schuldeisers bij deze aanvaardt; (…)” 3.5 Ook [C] heeft de schuld niet afbetaald. 3.6 [A] c.s. heeft [appellant] de last gegeven om de vorderingen op [verweerder] op eigen naam ten behoeve van [A] c.s. te innen. 3.7 Bij aangetekende brieven van 7 september 2018 heeft [appellant] aan [verweerder] en [C] laten weten dat [A] c.s. de toestemming tot schuldoverneming vernietigt wegens dwaling of bedrog. 4Vorderingen en beslissing van de rechtbank/kantonrechter 4.1 [appellant] heeft [verweerder] gedagvaard en gevorderd dat, samengevat, de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: primair voor recht verklaart dat de toestemming tot schuldoverneming door [C] is vernietigd, subsidiair deze toestemming alsnog vernietigt, dan wel meer subsidiair voor recht verklaart dat de schuldoverneming geen werking heeft; [verweerder] veroordeelt tot betaling van € 25.000,- aan [appellant], plus rente; [verweerder] veroordeelt in de proceskosten, plus rente. 4.2 [appellant] beroept zich op dwaling. Hij stelt, kort samengevat, dat [A] c.s. onjuist althans onvolledig is voorgelicht door [verweerder] en [C] (artikel 6:228 lid 1 sub a, althans sub b, BW). Volgens hem is bij raadpleging van het handelsregister gebleken dat het gestelde in de overeenkomst van schuldoverneming onder 6 niet juist is. Subsidiair beroept hij zich op bedrog. De toestemming voor schuldoverneming is een eenzijdige rechtshandeling en die toestemming is vernietigd, waardoor de schuldoverneming nooit effect heeft gehad en [verweerder] altijd schuldenaar is gebleven. [appellant] berekent de restschuld die [verweerder] daardoor nog heeft op een bedrag van € 25.000,-, inclusief rente en kosten. 4.3 [verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 4.4 De kantonrechter heeft in haar bestreden vonnis de vorderingen afgewezen en [appellant] in de kosten veroordeeld. 5Vordering in hoger beroep en bezwaren tegen het vonnis 5.1 [appellant] is in hoger beroep gekomen omdat hij het niet eens is met het bestreden vonnis. Hij heeft verschillende grieven (bezwaren) tegen het vonnis aangevoerd. Hij vordert hetzelfde als bij de kantonrechter. 5.2 Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat, zakelijk weergegeven, geen sprake is geweest van een onjuiste inlichting. Volgens [appellant] blijkt uit het handelsregister dat het gestelde onder punt 6 van de overeenkomst van schuldoverneming onjuist is. Voor zover juist de inschrijvingen in het handelsregister niet kloppen, beroept [appellant] zich op de derdenbescherming van artikel 25 lid 1 en of lid 3 Handelsregisterwet. Met grief 2 voert [appellant] aan dat op [A] c.s. bij het sluiten van de overeenkomst tot schuldoverneming geen onderzoeksplicht rustte met betrekking tot de vraag wie op dat moment eigenaar was van de slagerij en dat er geen enkele reden was voor [A] c.s. om op dat punt niet af te gaan op de mededelingen van [verweerder]. Grieven 3 en 4 zijn gericht tegen het oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat [A] c.s. de overeenkomst van schuldoverneming niet zou hebben gesloten als hij wel over de informatie uit het handelsregister had beschikt of dat sprake is van bedrog. 6Beoordeling door het hof 6.1 In hoger beroep is niet langer in geschil dat [appellant] uit hoofde van lastgeving bevoegd is om op eigen naam ten behoeve van [A] c.s. op te treden en deze vordering in te stellen tegen [verweerder]. 6.2 Het is aan [appellant] om te stellen, te onderbouwen en zo nodig te bewijzen dat [A] c.s. de overeenkomst van schuldoverneming onder een onjuiste voorstelling van zaken heeft gesloten doordat [verweerder] hem niet juist (althans niet volledig) heeft ingelicht, én dat [A] c.s. de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben gesloten. In het geval [appellant] daarin zou slagen, is het vervolgens aan [verweerder] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat dit niet kenbaar was voor hem. 6.3 De zaak draait om hetgeen is vermeld in de overeenkomst van schuldoverneming onder punt 6, te weten dat [verweerder] op 1 november 2012 de zaak [A] (de slagerij) heeft verkocht aan [C]. Volgens [appellant] was dit een wezenlijk onderdeel van de overeenkomst en blijkt deze informatie achteraf niet juist te zijn. [appellant] verwijst daartoe naar het handelsregister waarin het volgende staat vermeld: op 18 oktober 2011 is de vof [naam vof] van [verweerder] en zijn broer [broer verweerder] ingeschreven op het adres van de slagerij; op 12 januari 2012 is [D] (hierna: [D]) toegetreden als vennoot; op 16 januari 2012 is [verweerder] uitgetreden uit de vof; op 5 november 2012 is de vof opgeheven en heeft [D] de onderneming als eenmanszaak voortgezet; op 17 januari 2013 is de vof weer ingeschreven met [D] en [C] als vennoten; op 20 januari 2014 is ook deze vof opgeheven. 6.4 Volgens [appellant] blijkt hieruit dat [verweerder] [A] c.s. onjuist heeft ingelicht
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.