GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.294.413/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : 9055189 CV EXPL 21-806 arrest van 3 mei 2022 inzake [appellant], zonder vaste woon- of verblijfplaats, in eerste aanleg wonende in [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. A. Schippers te Den Haag, tegen de Stichting Woondiensten Aarwoude, gevestigd te Woubrugge, gemeente Kaag en Braassem, geïntimeerde, hierna te noemen: Aarwoude, advocaat: mr. L.W.B. Dijkstra-Devillers te Alphen aan den Rijn. Het geding
- Voor het verloop van het geding tot 8 juni 2021 verwijst het hof naar het tussenarrest van die datum. Bij dat arrest is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast op 12 oktober
- Die is uitgesteld in verband met ziekte van de toenmalige advocaat van [appellant] en vervolgens gehouden op 24 maart
- Van die mondelinge behandeling is op verzoek van partijen een proces-verbaal opgemaakt waarin de raadsheer-commissaris een voorlopig oordeel heeft neergelegd. Partijen hebben op de rolzitting van 12 april 2022 verzocht om toelating tot de Second Opinion-procedure. De behandelend advocaten hebben beiden een SO-formulier als bedoeld in het Second Opinion Reglement (SOR) ingevuld en ondertekend. Voornoemd verzoek tot toelating tot de Second Opinion-procedure is toegestaan, waarna arrest is bepaald. Beoordeling van het hoger beroep volgens de Second Opinion-procedure
- Met de namens hen verrichte invulling en ondertekening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 SOR). De enige grief van [appellant] bestaat eruit dat de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Gouda, niet heeft beslist overeenkomstig hij in eerste aanleg had gevorderd, te weten afwijzing van de vordering van Aarwoude. Die vordering van Aarwoude strekte er primair toe dat de door [appellant] gehuurde woning door hem zou worden ontruimd, en tot betaling van de huurtermijnen voor de periode dat [appellant] de gehuurde woning in gebruik zou houden. Die vordering van Aarwoude is door de kantonrechter toegewezen en [appellant] is veroordeeld in de kosten van het geding.
- Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof de zaak beoordeelt in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip waarop het bestreden vonnis werd gevraagd (artikel 3.6 SOR). De zaak in hoger beroep wordt dus beoordeeld aan de hand van de stukken in eerste aanleg met inachtneming van de grief.
- Het hof heeft kennis genomen van de stukken van de procedure bij de kantonrechter. Het hof is het eens met het oordeel van de kantonrechter. Daarom zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Dit behoeft, gezien artikel 4.2 SOR, geen nadere motivering.
- Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de daarop gevallen kosten, die ingevolge artikel 4.4 SOR beperkt zijn tot het door Aarwoude betaalde griffierecht van € 772,- en één punt van het toepasselijke liquidatietarief, te weten € 1.114,-. Beslissing Het hof: bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Gouda, van 15 april 2021; veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Aarwoude begroot op € 772,- aan griffierecht en € 1.114,- aan salaris van de advocaat. Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, D. Aarts en J. van de Klashorst en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 mei 2022 in aanwezigheid van de griffier.