Rolnummer: 22-002877-20 Parketnummer: 10-960197-18 Datum uitspraak: 7 juni 2022 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2020 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Vught, Nieuw Vosseveld Bijzondere Afdeling, te Vught. Ter bevordering van de leesbaarheid van het arrest is hieronder een lijst van gebruikte afkortingen opgenomen. AIVD Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst AOT Afstemmingsoverleg Terrorisme CTIVD Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten DSI Dienst Speciale Interventies EVRM Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden LOVJ Landelijk Officier van Justitie terrorismebestrijding, inlichtingen- en veiligheidsdiensten en WOD LHBT Lesbisch Homoseksueel Biseksueel Transgender OVC Opname vertrouwelijke communicatie RC rechter-commissaris MIVD Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst Sr Wetboek van Strafrecht Sv Wetboek van Strafvordering Wiv 2002 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 Wiv 2017 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 WOD Werken onder Dekmantel Inhoudsopgave Het hof zal in dit arrest de volgende onderwerpen behandelen: Onderzoek van de zaak p. 3 Procesgang p. 3 Tenlastelegging p. 3 Gevoerde verweren p. 7 Inleiding 4.1 De infiltratie p. 9 Inleiding Het ambtsbericht van de AIVD Het voortraject Tussenconclusie 4.2 Parallel onderzoek door AIVD en Openbaar Ministerie p. 13 Beïnvloeding door het politieonderzoek Tussenconclusie Beïnvloeding opsporingsonderzoek Conclusie 4.3 Uitlokking p. 22 Inleiding Verslaglegging Conclusie Uitlokking politie-infiltrant Conclusie 5. Vordering van de advocaat-generaal p. 30 6. Het vonnis waarvan beroep p. 30 7. Bewezenverklaring p. 30 8. Bewijsvoering p. 32 9. Nadere bewijsoverwegingen p. 33 9.1 Alternatief scenario 9.2 Voorwaardelijk verzoeken 10. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde p. 42 11. Strafbaarheid van de verdachte p. 43 12. Inzet van de politiehond p. 43 13. Motivering straf en maatregel p. 46 14. Inbeslaggenomen voorwerpen p. 50 15 Toepasselijke wettelijke voorschriften p. 50 16. Beslissing p. 51 1Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. 2Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opgelegd en is een beslissing genomen omtrent het inbeslaggenomen voorwerp, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. 3Tenlastelegging Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - tenlastegelegd dat: 1. primair hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 01 januari 2018 tot en met 27 september 2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het/de misdrijf/misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten: -moord (
(5), voor iedereen. (…) . Als, als ze, ze ze, toch, wat als onze Kalashnikov stopt. We hebben een kleine nodig. (…)Een kleine voor het geval dat, want wat er ook gebeurt, wij willen ons niet overgeven. (…) En heb je een vest? (…).En indien mogelijk... over een auto. Ze vroegen zich af hoe reëel het is met een auto. (…).Wat zij willen is een auto. Broeder, wij willen gewoon ..ntv... schade veroorzaken. Ok. Omdat we ons op een festival richten, weet je, na het festival en je hebt duizend mensen, wanneer we ons op het festival richten, zetten we ook een heel grote auto in een andere stad neer. En voordat we naar het festival gaan, blazen we die gewoon op en dan doen we in het festival. Ik zei je, en we verspreiden ons, weetje, we maken een soort van cirkel om het festival heen. Het is een open festival.” Bij de ontmoeting op 30 augustus 2018 heeft [verdachte 1] op de vraag van de politie-infiltrant: “heb je nog iets bekeken sinds de vorige keer, inzake evenementen?” geantwoord: “Dat is geen probleem. Broeder, er zijn er zo veel...” Waarop de politie-infiltrant zegt: “Dus als jij het zegt, we hebben een evenement gevonden in september, we hebben er eentje in oktober gevonden. Dus we weten, ok, het zal ergens in oktober zijn. En dan kun je iets vinden wat dichterbij is. Dan begin ik met voorbereiden van uhh...” Naar het oordeel van het hof blijkt uit de gesprekken tussen [verdachte 1] en de politie-infiltrant – die, met uitzondering van het gesprek op 18 september 2018, auditief zijn opgenomen - dat het initiatief om een aanslag te plegen van [verdachte 1] komt. De politie-infiltrant maakt vanaf het eerste contact duidelijk dat het initiatief bij [verdachte 1] ligt en hij slechts kan faciliteren als [verdachte 1] aangeeft wat zijn concrete plannen zijn. [verdachte 1] ontvouwt die plannen vervolgens en de politie-infiltrant deelt mede wat hij kan regelen op het gebied van wapens en grondstoffen voor het maken van een bom. De politie-infiltrant is als beperkt anonieme getuige als bedoeld in artikel 190 lid 3 Sv bij de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft verklaard dat hij is gebriefd door de Nederlandse begeleiders. Er is hem gezegd dat hij niet mag provoceren of uitlokken. Hij heeft verder verklaard dat hij – voorzover hem bekend – [verdachte 1] nooit iets heeft aangeboden waar hij niet zelf om had gevraagd. [verdachte 1] vroeg om vuurwapens, om bomvesten en spullen om een autobom te maken. [verdachte 1] is op grond van het hiervoor overwogene naar het oordeel van het hof niet gebracht tot handelingen waarop zijn opzet niet al tevoren was gericht. De verdachte kan niet via [verdachte 1] zijn uitgelokt. Het hof overweegt nog het volgende. De politie-infiltrant heeft in zijn verhoor als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat hij van zijn begeleiders geen informatie heeft ontvangen over andere verdachten dan [verdachte 1]. Wel heeft hij tijdens de ontmoeting met [verdachte 1] gevraagd of hij alleen was of dat er meer waren. Uit de opgenomen gesprekken van de politie-infiltrant met [verdachte 1] blijkt dat [verdachte 1] heeft verklaard dat de groep uit vijf personen bestond. [verdachte 1] had gezegd dat er anderen waren die hetzelfde wilden doen als hij. Daarom wilde de politie-infiltrant hen ontmoeten. Op 18 september 2018 heeft in Arnhem een ontmoeting plaatsgevonden tussen de politie-infiltrant en een groep van vijf personen waaronder [verdachte 1]. Toen pas wist de politie-infiltrant wie de vier anderen waren. Uit het verhoor van de politie-infiltrant als getuige en het door de politie-infiltrant opgestelde proces-verbaal van die bijeenkomst blijkt niet dat de politie-infiltrant de overige vier aanwezigen – waaronder de verdachte – bij de uitvoering van het plan van [verdachte 1] heeft betrokken. Conclusie Het hof verwerpt het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, alsmede het verweer tot bewijsuitsluiting. 5Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, dient te worden opgelegd. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd tot teruggave aan de verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp zoals vermeld op de beslaglijst onder 1. 6Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. 7Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. primair hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 01 januari juni 2018 tot en met 27 september 2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het/de misdrijf/misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten: -moord (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 juncto 83 van het Wetboek van Strafrecht), en/of -het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is, zoals bedoeld in artikel 157 sub 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht, (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht), opzettelijk een of meer Kalasjnikov(s), althans een of meer automatisch(
- e)(vuur)wapen(
- s)en/of een of meer (hand)vuurwapen(
- s)en/of grondstoffen voor een of meer (auto)bom(men) en/of grondstoffen voor explosieven voor in een of meer bomvest(en), te weten: kunstmest en/of zoutzuur en/of waterstofperoxide en/of aceton, bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad; 2. hij in of omstreeks de periode van 01 januari juni 2018 tot en met 27 september 2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland, met een of meer mededader(s), waaronder (in elk geval) [verdachte 1] (geboren op [geboortedag] 1984) en/of [verdachte 4] (geboren op [geboortedag] 1992) en/of [verdachte 3] (geboren op [geboortedag] 1997) en/of [verdachte 7] (geboren op [geboortedag] 1989) en/of [verdachte 5] (geboren op [geboortedag] 1997), heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, namelijk A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht), en/of B. doodslag (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht), en/of C. moord (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 juncto 83 van het Wetboek van Strafrecht), en/of D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerdervermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176b en/of 289a en/of 96 lid 2), en/of E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie) (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie); 3. hij in of omstreeks de periode van 01 januari juni 2018 tot en met 27 september 2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht en/of Weert en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk -zich en/of (een) ander(
- en)gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen, en/of -kennis en/of vaardigheden heeft verworven en/of (een) ander(
- en)heeft bijgebracht tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, A. zich laten trainen en/of geoefend in/met het gebruik van een of meer Kalasjnikov(s), althans een of meer automatisch(
- e)(vuur)wapen(
- s)en/of een of meer (hand)vuurwapen(
- s)en/of een of meer bomvest(en), en/of B. zich laten informeren door instructies hoe een ‘ongelovige’ met steekwapens aangevallen en/of gedood kan worden en/of hoe van acetonperoxide een bom gemaakt kan worden en/of hoe een ontsteker voor een bom gemaakt kan worden. 8Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. 9Nadere bewijsoverwegingen Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de volgende feiten vast. Op 26 april 2018 heeft de AIVD – als gezegd – een ambtsbericht uitgebracht, waarin melding wordt gemaakt van het feit dat [verdachte 1] voorbereidingen treft om met een groep personen veel slachtoffers te maken door een terroristische aanslag te plegen op een groot evenement in Nederland. In het kader van dit onderzoek zijn diverse opsporingsmiddelen ingezet, waaronder telefoontaps, het afluisteren van vertrouwelijke communicatie (OVC) en observaties. Zoals hierboven overwogen heeft het Openbaar Ministerie een infiltratietraject ingezet, waarbij Abu Hamza als politie-infiltrant is opgetreden, die zowel digitaal contact met [verdachte 1] heeft gehad, alsmede hem vijf keer fysiek ontmoet heeft, te weten op 5 juli 2018, op 12 en 30 augustus 2018 en op 17, 18 en 27 september 2018. Op 5 juli 2018 heeft [verdachte 1] de politie-infiltrant Abu Hamza ontmoet in Arnhem. In dit gesprek vertelt [verdachte 1] dat hij staat te popelen om iets te ondernemen, om een aanslag te plegen die grote schade zou veroorzaken. Aanvankelijk, ongeveer een jaar geleden, waren er negen broeders die iets wilden doen, iets groots voor de Islam. Nu willen hij en twee andere kerels een aanval uitvoeren. Op 14 juli 2018 rijdt [verdachte 1] met de medeverdachte [verdachte 7] naar Vlaardingen, waar zij de verdachte en [verdachte 3] ontmoeten. Op 16 juli 2018 verzendt [verdachte 1] een e-mail aan Abu Hamza, waarin hij vraagt om meer tijd om aan te kunnen geven hoeveel broeders mee zouden kunnen doen. Dezelfde dag bezoekt [verdachte 7] [verdachte 1] in zijn woning. Tussen 00.23 en 01.23 fietsen zij met een onbekende derde man in [plaatsnaam 1]. Op 24 juli 2018 verzendt [verdachte 1] opnieuw een e-mail aan Abu Hamza. Deze e-mail houdt voor zover van belang in: “we are now 5. Im bust with sixth, but for now we focus on the 5 guys.” Op 12 augustus 2018 ontmoeten Abu Hamza en [verdachte 1] elkaar in Utrecht. [verdachte 1] vertelt onder meer dat de groep die de aanslag wil plegen uit vijf personen bestaat, inclusief hijzelf. Hij wil Kalasjnikovs, bomvesten, granaten, kleine wapens en een autobom gebruiken op een festival. Tijdens deze ontmoeting volgen de verdachte en [verdachte 3] op een afstand [verdachte 1] en Abu Hamza. Op 29 augustus 2018 leest [verdachte 1] een bericht van Abu Hamza, dat deze op 30 augustus in Nederland zal zijn. Daarop vinden er korte telefoongesprekken plaats tussen [verdachte 1] met respectievelijk [verdachte 7], [verdachte 3] en [verdachte 5]. Enkele uren later bevinden de verdachte, [verdachte 5] en [verdachte 4] zich met [verdachte 1] in de woning van [verdachte 1]. Tijdens dit bezoek loopt [verdachte 1] naar een andere kamer en belt met Abu Hamza. [verdachte 1] en Abu Hamza maken een afspraak voor de volgende dag. Hierna vertrekken de anderen. Op 30 augustus 2018 reist [verdachte 1] met [verdachte 7] en [verdachte 6] (hierna: [verdachte 6]) naar Utrecht. Op enig moment schudden [verdachte 7] en [verdachte 6] de hand van Abu Hamza tijdens de ontmoeting van [verdachte 1] met Abu Hamza. [verdachte 1] zegt, buiten de aanwezigheid van [verdachte 7] en [verdachte 6], dat hij liever 5 man heeft die wilskrachtig zijn dan 500 die onzeker zijn. In dit gesprek komen verder de voorbereiding van een aanslag, het trainen met wapens en het maken van een bom aan de orde. Op de terugweg vanuit Utrecht met [verdachte 7] en [verdachte 6] zegt [verdachte 1]: “ik hoop dat mijn nieuwe simkaart binnen is. (…) ik sta voor een paar goeie uitdagingen binnenkort.” Ook zegt [verdachte 1] tegen [verdachte 7] dat hij een nieuwe, schone telefoon nodig heeft die ook WhatsApp moet hebben. Na deze ontmoeting gaat [verdachte 1] actief op zoek naar middelen die nodig zijn voor het maken van een explosief. In de nacht van 31 augustus op 1 september 2018 vindt er een ontmoeting plaats tussen [verdachte 1], [verdachte 7], de verdachte en [verdachte 3] in [plaatsnaam 2], eerst in de woning waar [verdachte 3] verbleef, waarna omstreeks 00.55 uur de vier mannen naar buiten lopen en met de auto naar de Zwart Jansstraat in Rotterdam gaan. Rond 2.00 uur vertrekken [verdachte 1] en [verdachte 7] vanaf de woning van [verdachte 3] in [plaatsnaam 2] naar [plaatsnaam 1]. Op 7 september 2018 rijdt [verdachte 1] samen met [verdachte 7] naar Breda waar hij, conform afspraak met Abu Hamza, vier zakken van 25 kilogram kunstmest haalt uit een bij de Mediamarkt geparkeerd voertuig. Op de terugweg naar [plaatsnaam 1] leest [verdachte 7] het volgende bericht van Abu Hamza aan [verdachte 1] via Telegram voor: "Allahu akbar akhi! lm happy to hear it went good and so quickly. Smart idea using the same locker and code. Ill message you again soon inshaAllah." [verdachte 1] reageert door te zeggen: “Zeg maar, okay see you soon". [verdachte 7] antwoordt (namens [verdachte 1]) om 16.07 uur per Telegram aan Abu Hamza: “YazakAllahu ghiar. I see jou soon inshaAllah". Om 16.09 uur schrijft Abu Hamza aan [verdachte 1]: “Insha Allah". Op 17 september 2018 heeft [verdachte 1] opnieuw een fysieke ontmoeting met Abu Hamza in Arnhem. Tijdens de ontmoeting zegt [verdachte 1] tegen Abu Hamza dat de groep met wie hij een aanslag wil plegen Abu Hamza wil ontmoeten. Hij zal die avond met de groep bespreken of ze Abu Hamza op 18 september 2018 willen ontmoeten. [verdachte 1] legt hierna contact met de verdachte en de medeverdachten [verdachte 3], [verdachte 5] en [verdachte 4], waarna hij Abu Hamza bericht dat de groep hem de volgende dag wil ontmoeten. Op 18 september 2018 stelt [verdachte 1], de verdachte en de medeverdachten [verdachte 3], [verdachte 5] en [verdachte 4] voor aan Abu Hamza in Park Presikhaaf in Arnhem. [verdachte 5] stelt de wijze waarop de grondstoffen voor de explosieven zijn aangeschaft, aan de orde. [verdachte 5] geeft in het park eveneens aan dat hij en de broeders bang waren dat de infiltrant niet echt bereid was hen te helpen, maar van de politie zou zijn. Daarom vraagt hij Abu Hamza om handvuurwapens om te testen of Abu Hamza geen infiltrant is, maar hij voegt hier aan toe dat deze ook bestemd zijn om zich te kunnen verdedigen als de politie komt. Tevens vertelt hij dat hij en anderen al getraind hebben met airsoftwapens in een gesimuleerde oorlog. Afgesproken wordt binnenkort samen te komen om te oefenen. Abu Hamza vraagt of de mannen hetzelfde willen als [verdachte 1]. De vier mannen antwoorden ja. Op 21 september 2018 bericht Abu Hamza via Telegram aan [verdachte 1] dat de ontmoeting op 27 september zal plaatsvinden. [verdachte 1] antwoordt met de tekst: “Clear”. Op 22 september 2018 laat [verdachte 1] aan Abu Hamza weten dat hij “hen” vandaag of morgen zal spreken. Diezelfde dag, tussen 20.00 uur en 21.15 uur, zijn [verdachte 1], [verdachte 7], [verdachte 3] en de verdachte met elkaar in de woning van [verdachte 3] in [plaatsnaam 2]. Kort nadat [verdachte 1] en [verdachte 7] zijn vertrokken, komt [verdachte 5] dan aan bij het portiek van de [verblijfplaats verdachte 3]. Ter terechtzitting in hoger beroep geeft [verdachte 5] aan dat hij [verdachte 1] toen nog heeft gesproken. Op 27 september 2018 gaan [verdachte 1], [verdachte 5], [verdachte 3] en de verdachte naar het vakantiehuisje in Weert, waar ze Abu Hamza en een andere politie-infiltrant ontmoeten en oefenen ze met (onklaar gemaakte) Kalasjnikovs en (hand)vuurwapens. Ook passen ze bomvesten. Op de beelden is onder andere te zien en/of te horen dat [verdachte 5] een vuurwapen laadt, met een AK-47 door de woonkamer loopt op een sluipende manier en het vest met de draden draagt, waarbij hij tegelijkertijd een AK-47 in zijn handen houdt, waarmee hij meerdere keren richt, waarna hij aan een van de begeleiders advies vraagt om kennelijk de pasvorm van het vest nog comfortabeler te maken. [verdachte 1] en [verdachte 5] spreken met de infiltranten over de afwezigheid van [verdachte 4], waarbij ze benadrukken dat dit niet betekent dat hij niet meer mee doet. [verdachte 5] zegt: “He is with us and he also know the dry (fon) to ….nvt…training. Like how to put in and out, eeh the kalash… so he knows that.” [verdachte 1] zegt [verdachte 4] te hebben verteld dat, wanneer hij van gedachten zou veranderen, hij een vervanger moet zoeken. “Because for his job, for the plan I have, I need 5 man.” Ook aan het eind van de ontmoeting zegt [verdachte 1]: “For now, I focus on this five”. De infiltranten spreken met de verdachten over een training in Bosnië in oktober, op welke dagen de bus vanuit Nederland vertrekt en hoelang de reis duurt en over het regelen van een verblijfplaats daar. Ook het onderwerp van een videoboodschap, “that they must know, it’s them that made possible, with the will of Allah” aldus [verdachte 1], komt aan de orde. De verdachte gaat hiermee akkoord. Aan het eind van de ontmoeting wordt nog gesproken over de plannen die zij hebben, opnieuw onder meer over het grote belang van vijf aanslagplegers en een mogelijke zesde aanslagpleger. [verdachte 5] zegt dat “ze zoiets willen doen als de broeders in Frankrijk hebben gedaan”. Als een van de politie-infiltranten in verband met het vermaken van de bomvesten vraagt of het overdag of in het donker gaat gebeuren (met een jas erover of niet), antwoordt [verdachte 1] dat het gaat om een type discoruimte. Er zijn wat feestjes in november, de meeste ervan zijn ‘gayfeestjes’, dus de anderen moeten er goed uitzien als zij naar binnen willen. Zo niet dan doden zij de beveiliging. Daarop zegt de verdachte: “Dus je gaat naar binnen, we gaan hard om eerst een doel uit te zoeken, dan schiet je op iedereen en dan komen de anderen.” Vervolgens suggereerde de verdachte dat het ook kan door een auto te laten ontploffen. Bij vertrek uit de woning staat [verdachte 5] erop het verstrekte geladen handvuurwapen op zijn lichaam te dragen in een buiktasje en vraagt hij hoe hij binnen enkele seconden klaar kan zijn om te schieten. Hierop vertellen de politie-infiltranten hem opnieuw hoe hij het vuurwapen kan doorladen, maar dat dit wel een risico met zich mee brengt omdat het wapen vanaf dat moment op scherp staat. Dan eindigt de ontmoeting in het huisje. De handvuurwapens worden door de verdachten meegenomen en zij gaan naar buiten, waar het busje wacht dat hen zal terug brengen naar hun auto’s. 9.1 Alternatief scenario De verdachte heeft verklaard dat hij een wapen wilde bemachtigen omdat hij van wapens houdt. Om die reden heeft hij zich tegenover de politie-infiltrant Abu Hamza voorgedaan als aanslagpleger. De verdediging heeft betwist dat de verdachte met anderen een aanslag voorbereidde en aangevoerd dat de verklaring van de verdachte een alternatief scenario behelst dat niet strijdig is met de feiten dan wel de bewijsmiddelen. De verdediging voert onder meer aan dat dit standpunt steun vindt in de verklaringen van [verdachte 1] bij de politie op 8 januari 2020, als getuige bij de rechter-commissaris op 29 januari 2020 en als getuige ter terechtzitting in hoger beroep van 5 april 2022. Het hof overweegt allereerst over de door de verdediging bedoelde onderdelen van deze verklaringen van [verdachte 1] als volgt. In zijn verhoor op 8 januari 2020 bij de politie zegt [verdachte 1] dat [verdachte 3], [verdachte 5] en de verdachte alleen wisten dat hij met iemand praatte om wapens te regelen. Hij heeft hen niet verteld dat zijn doel het plegen van een aanslag was. De wapens die de jongens wilden hebben was puur voor vertrouwen. Hij heeft Abu Hamza gevraagd om wapens voor de jongens te regelen om vertrouwen te winnen, zodat de jongens hem zouden vertrouwen. De dag voor de ontmoeting in het park (het hof begrijpt: 17 september 2018) heeft hij voor het eerst met hen gesproken over de aanslag en wapens. Zij wisten niet dat het over een aanslag ging, ze dachten alleen dat het over een wapen ging. Ze kregen onenigheid. Een aanslag zou niet bij hun Aqida, visie op het geloof, passen. Hij heeft vervolgens tegen hen gezegd dat ze gewoon moesten doen wat hij zei, omdat ze dan een wapen hadden. [verdachte 1] zegt bij de rechter-commissaris op 29 januari 2020 dat hij een aanslag wilde plegen met [verdachte 3], [verdachte 5] en de verdachte. Hij sprak met hen in versleutelde taal; candy en koerierswerk waren woorden voor aanslag. Volgens hem was er sprake van miscommunicatie. De jongens dachten dat candy een wapen betekende. [verdachte 1] zegt dat hij in de veronderstelling was dat zij een wapen wilden hebben voor een aanslag. Pas op 17 september 2018 werd hem duidelijk dat dit niet klopte. De jongens zouden hebben geweigerd een aanslag te plegen. Hij zegt desgevraagd niet te weten waarom ze een wapen wilden. [verdachte 1] verklaart dan het volgende. “Het was ook om Hamza te overtuigen dat de jongens bij mij hoorden. U vraagt mij of ik dat met de jongens besproken heb. Ja, op de 17e toch en daarna niet meer. Die jongens wilden mij niet in de steek laten, in de zin van dat ik in een flow zat en dat zij mij uit die flow wilden halen.” Op de opmerking van de rechter-commissaris dat hij onder ede staat en dat de rechter-commissaris twijfels heeft bij zijn geloofwaardigheid, zegt hij: “dat kan, maar dat zijn ook vragen die u aan hen kan stellen”. Op de terechtzitting van het hof op 5 april 2022 zegt [verdachte 1] als getuige onder meer het volgende. Met de vijf personen die hij in de e-mail aan Abu Hamza van 24 juli 2018 noemt, bedoelt hij geen van de vandaag ter terechtzitting aanwezigen. De e-mail van 31 juli 2018, waarin hij schrijft “I told to the brothers”, zag wel op zijn vrienden (het hof begrijpt uit de context van dit verhoor dat het over de medeverdachten gaat). Deze e-mail was volgens [verdachte 1] niet met de intentie dat deze broeders een aanslag wilden plegen. Hij stelt vanaf het begin af te hebben gelogen tegen de infiltrant. Over candy zegt hij dat het probleem is dat hij dacht dat zij hetzelfde dachten als hij, maar dat was niet zo. Hij zegt ook dat wanneer hem door hen vragen waren gesteld, hij hen niet de waarheid had verteld. Over de ontmoeting op 31 augustus 2018, een dag na zijn ontmoeting met Abu Hamza, zegt hij dat hij het woord ‘candy’ heeft gebruikt, maar dat hij niet meer weet wanneer of op welke wijze. Ook zegt hij nooit enige informatie over waarom hij Abu Hamza eigenlijk sprak, te hebben gedeeld. “Ik heb eigenlijk tegen alle jongens gelogen.” Het hof is van oordeel dat de hierboven genoemde onderdelen uit deze verklaringen van [verdachte 1] niet betrouwbaar zijn en overweegt hiertoe het volgende. In de verklaringen zet [verdachte 1] zichzelf neer als iemand die er kennelijk niet voor terugdeinst om in bepaalde situaties leugens te vertellen. Ook de rechter-commissaris vraagt zich af of [verdachte 1] de waarheid spreekt, gelet op zijn opmerking dat [verdachte 1] onder ede staat en dat de rechter-commissaris twijfels heeft bij zijn geloofwaardigheid. De reactie van [verdachte 1] hierop, dat hij dit niet ontkent maar dat deze vragen ook aan de medeverdachten kunnen worden gesteld, bevestigt het hof in zijn overtuiging omtrent het zeer beperkte waarheidsgehalte van de onderdelen uit deze verklaringen. Het hof oordeelt de verklaringen in zoverre ook als innerlijk tegenstrijdig. Waar [verdachte 1] enerzijds stelt dat de medeverdachten, met uitzondering van de medeverdachte [verdachte 7], na 17 september 2018 toch meegingen naar het park en later naar het huisje, omdat zij een wapen wilden, stelt hij anderzijds dat zij dit deden omdat zij hem niet in de steek wilden laten. Het hof overweegt voorts het volgende. [verdachte 1] bereidde een aanslag voor en was op zoek naar wapens, explosieven en bomvesten. Daartoe had hij contact met de politie-infiltrant Abu Hamza. [verdachte 1] heeft op 12 augustus 2018 tegenover de politie-infiltrant verklaard dat de groep waarmee hij de aanslag wilde plegen uit (inclusief hemzelf) vijf personen bestond. Hij bestelde bij de politie-infiltrant toen vijf Kalasjnikovs, vijf handpistolen en 20 handgranaten (voor ieder vier). Op 17 september 2018 zei [verdachte 1] tegen de politie-infiltrant dat de groep met wie hij de aanslag wil gaan plegen hem (Abu Hamza) wil ontmoeten. [verdachte 1] zegde toe dat hij met de groep zou bespreken of ze Abu Hamza op 18 september 2018 willen ontmoeten. Op 17 september 2018 vond een ontmoeting plaats bij de woning van de verdachte in [plaatsnaam 3]. Daarbij waren de verdachte, [verdachte 1], [verdachte 3] en [verdachte 4] aanwezig. [verdachte 1] heeft toen tegen de verdachte gezegd dat de wapens voor een aanslag waren. Op 18 september 2018 om 12:42 uur gingen de verdachte, [verdachte 5] en [verdachte 3] de woning van [verdachte 1] te [plaatsnaam 1] binnen. Om 14:09 stuurde [verdachte 1] een bericht aan de infiltrant met de vraag hoe laat hij (Abu Hamza) in Arnhem zou zijn, die antwoordde er om 15:30 uur te zijn. Zij vertrokken om 14:15 uur uit de woning van [verdachte 1]. Om 16:36 uur liepen de verdachte, [verdachte 1], [verdachte 5] en [verdachte 3] het Presikhaafpark in en ontmoetten daar de politie-infiltrant. Tijdens het gesprek zei de politie-infiltrant dat hij wist wat [verdachte 1] van plan was en vroeg hij of zij hetzelfde wilden. De mannen zeiden: “ja”. Ook heeft de politie-infiltrant aan de groep medegedeeld dat hij twee AK’s 47 en een leeg vest naar Nederland zou brengen en dat zij een plek zouden vinden zodat zij konden trainen en de maat van het vest konden opnemen. Het hof leidt uit het bovenstaande af dat de verdachte behoorde tot de groep van vijf met wie [verdachte 1] een aanslag wilde plegen en dat [verdachte 1] een ontmoeting tussen de groep en de politie-infiltrant – bij wie [verdachte 1] wapens had besteld – in Arnhem heeft georganiseerd. De verdachte wist toen dat de wapens bestemd waren voor het plegen van een aanslag. De vier hebben tegenover de politie-infiltrant bevestigd dat zij hetzelfde wilden als [verdachte 1]. Op 27 september 2018 heeft in een vakantiehuisje in Weert een ontmoeting van de verdachte, [verdachte 1], [verdachte 5] en [verdachte 3] met twee politie-infiltranten plaatsgevonden om met de bestelde wapens te oefenen en de bomvesten te passen. De verdachte oefende eerst met het vullen van de patroonhouder van een handvuurwapen. Vervolgens heeft een politie-infiltrant een Kalasjnikov overhandigd aan de verdachte. De verdachte gaf het wapen een kus en hield het liefkozend tegen zijn wang. De verdachte zei toen (vertaald): “dit zal mijn sleutel tot de Djenna (paradijs) zijn. Allahu Akbar.” Hij zei verder dat hij er meer van houdt dan van zijn vrouw en dat hij er de niet-gelovigen mee gaat doden. Even later paste de verdachte een bomvest. Hij zei toen (vertaald): “vrouwen vriend” (paradijselijke vrouwen die verheerlijkt worden voor hun schoonheid). Hij maakte zich vervolgens groot, spreidde zijn armen uit en zei: “whole live dreamed about this, Allahu Akbar”. De verdachte heeft vervolgens de politie-infiltrant gevraagd om het bomvest te laten vermaken. Hij had de knop om de bom te laten ontploffen liever niet aan de rechter- maar aan de linkerkant. Dan kon hij er beter bij. De verdachte zei toen: ”mijn vrouw, my wife. It’s better than my wife, whollah. Whollah it’s better than my wife. It’s bring me to Djenna (Paradijs)”. De verdachte tekende toen nog aan dat het volgens de jurisprudentie van het martelaarschap niet de bedoeling is het bomvest te gebruiken om zelfmoord te plegen. Volgens de verdachte moest je het gebruiken om mensen schade toe te brengen. Vervolgens heeft de verdachte deelgenomen aan een discussie met (onder anderen) [verdachte 1] over de wijze waarop een aanslag kon worden uitgevoerd in een discotheek. Het hof wijst verder op de volgende uitlatingen die de verdachte deed toen hij zich onbespied waande. Op 11 mei 2018 zei hij tegen zijn moeder: “Allah is mijn getuige als ik me in naam van god tot ontploffing zou brengen zou ik ze willen vermoorden omdat zij niet moslims zijn.” Op 28 mei 2018 vroeg de verdachte hardop Allah hem het martelaarschap te geven en de dag erna bad hij dat de ongelovigen moeten worden vernietigd. Op 26 juni 2018 hield de verdachte een smeekbede waarin hij vroeg om vernietiging van de ongelovigen en om het martelaarschap te verkrijgen. Kort daarop – op 4 augustus 2018 – zei de verdachte in een telefoongesprek met [verdachte 3] dat hij zo’n zin heeft om naar Utrecht te gaan en die hoge status te pakken. En op 13 september 2018 zei de verdachte tegen zijn moeder dat Allah “ons moge laten sterven als martelaars”. Op 24 september 2018 liet hij haar in een telefoongesprek weten dat hij het paradijs wenst. De dag voor de geplande wapentraining in het vakantiehuisje in Weert op 27 september 2018 heeft de verdachte een telefoongesprek met een kennis beëindigd met: Vrees God he! Een advies, misschien zie ik jou niet meer, (…), laat niet jezelf kapotmaken door de ongelovigen. Het hof overweegt dat de verdachte in deze uitlatingen is vooruitgelopen op wat in zijn ogen zou komen: zowel de dood van de slachtoffers van een aanslag als zijn eigen dood en de toelating tot het paradijs als martelaar. Het hof is van oordeel dat gelet op het bovenstaande – in onderling verband en samenhang gelezen – het alternatief scenario, overigens door de verdachte te berde gebracht na zich 21 maanden op zijn zwijgrecht te hebben beroepen, niet aannemelijk is geworden. Niet alleen betreft het alternatieve scenario een buitengewoon omslachtige wijze om alleen een vuurwapen te bemachtigen. Dat gestelde doel strookt bovendien niet met het meermalen uitgesproken verlangen tegenover zichzelf en derden – zoals zijn moeder - ongelovigen te willen vernietigen en als martelaar te sterven, zijn actieve bijdrage aan de wapentraining, de daarbij uitgesproken visie dat de Kalasjnikov de sleutel tot het paradijs zou zijn en zijn bijdrage aan een discussie over de wijze waarop een aanslag gepleegd kon worden. 9.2 Voorwaardelijk verzoeken De raadsman heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan tot het horen van Abu Musab, Abu Hajar en het hoofd van de AIVD. Daarbij is tevens voorwaardelijk verzocht om uitvoering te geven aan een rechtshulpverzoek. Als voorwaarde geldt dat het hof het uitlokkingsverweer verwerpt wegens onvoldoende feitelijke grondslag. Deze voorwaarde is naar het oordeel van het hof niet vervuld. De feitelijke grondslag van het verweer – waaronder de overgelegde e-mails van Abu Musab en Abu Hajar - is voldoende om het te kunnen beoordelen. Het hof heeft het uitlokkingsverweer verworpen met de juridische overweging dat niet is gebleken dat artikel 41 lid 5 Wiv 2017 of het Tallon-criterium is geschonden. Het hof wijst de verzoeken af. De raadsman heeft tevens verzocht getuigen te doen horen indien het hof AIVD-ambtsberichten voor het bewijs van het tenlastegelegde zou bezigen. Aangezien het hof deze ambtsberichten niet bezigt als bewijsmiddel, is aan de voorwaarde waaronder dit verzoek is gedaan niet voldaan. Het verzoek behoeft geen verdere bespreking. 10. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op: eendaadse samenloop van medeplegen van voorbereiding van moord en voorbereiding van opzettelijk brand stichten en/of ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en voorbereiding van opzettelijk brand stichten en/of ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, telkens begaan met een terroristisch oogmerk. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van zich opzettelijk middelen of inlichtingen verschaffen en kennis en vaardigheden verwerven tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. 11Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 12Inzet van de politiehond De verdediging heeft betoogd dat de inzet van de politiehond onrechtmatig is geweest en dat dit in het voordeel van de verdachte dient te worden meegewogen bij het bepalen van de strafmaat. De advocaat-generaal betwist dat de inzet van de politiehond onrechtmatig was. Ter gelegenheid van de aanhouding op 27 september 2018 is verdachte gebeten door een politiehond. Ter terechtzitting van 6 april 2022 heeft het hof vastgesteld dat op de onder- en bovenarm van de verdachte meerdere verkleuringen met littekens en een paar krassen zeer zichtbaar zijn. Het hof heeft de beelden van de aanhouding en de wijze waarop de politiehond is ingezet ter terechtzitting van 6 april 2022 bekeken in het bijzijn van de verdachte, zijn raadsman en de advocaat-generaal. Het hof heeft het volgende waargenomen: De gebeurtenissen inzake de arrestatie volgen elkaar op in een zeer kort tijdsbestek. De verdachte zit op een bankje aan de zijkant van de bus terwijl de bus naar de parkeerplaats rijdt. De deuren van de bus worden aan de zijkant en aan de achterkant geopend. In dit kader is van belang dat een politieambtenaar vanaf de achterkant de bus instapt met een hond aan de lijn. De lijn is ruim en beperkt de hond niet in zijn bewegingen. De politieambtenaar wordt gevolgd door andere politieambtenaren. De verdachte ligt op dat moment ineengedoken op de vloer van het busje met zijn handen achter/boven zijn hoofd. De hond loopt in de richting van de verdachte en weer terug naar de uitgang. De politieambtenaar pakt/leidt de hond vervolgens naar de verdachte die nog steeds op de vloer van het busje ligt en zijn handen achter/boven zijn hoofd heeft. De hond bijt de verdachte in zijn arm. De verdachte wordt de bus uitgesleurd door politieambtenaren terwijl de hond hem nog steeds in zijn (boven)arm bijt. Er bevonden zich in totaal vier aan te houden verdachten in het busje. Artikel 3 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling als volgt: “Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.” Politiegeweld tegen een aan te houden persoon dient op grond van artikel 7 lid 1 Politiewet 2012 proportioneel en noodzakelijk te zijn en daaraan dient zo mogelijk een waarschuwing vooraf te gaan. De proportionaliteitseis ziet op de evenredigheid tussen het doel en het gebruikte geweldmiddel. De subsidiariteitseis houdt in dat een bepaald middel enkel mag worden aangewend wanneer het doel niet met een minder ingrijpend middel kan worden bereikt. In dit geval ging het om de verdenking dat een terroristische aanslag op een groot lhbt-evenement door meerdere verdachten werd voorbereid. Doel van de verdachten was om veel slachtoffers te maken. De verdachten hadden kort voor de aanhouding (onklaar gemaakte) wapens ten behoeve van die aanslag ontvangen en de werking ervan was aan hen uitgelegd. Tijdens de bijeenkomst in het park in Arnhem op 18 september 2018 en in het vakantiehuisje in Weert zijn uitlatingen gedaan waaruit volgt dat de verdachten beducht waren voor en alert op politie-ingrijpen. Ook is er blijk van gegeven dat men in geval van politie-ingrijpen niet zou aarzelen geweld tegen de politie te gebruiken. Weliswaar zijn de door de infiltranten op 27 september 2018 uitgereikte wapens onklaar gemaakt, voorafgaand aan de aanhouding is onduidelijk of de verdachten daarnaast niet nog de beschikking hebben over andere wapens. Ook is bekend dat de medeverdachte [verdachte 5] kennis heeft van vuurwapens en daarmee weet om te gaan. Het hof acht het tegen deze achtergrond bezien volkomen begrijpelijk dat de DSI is ingezet om de verdachten aan te houden. De aanhouding is gepaard gegaan met veel lawaai en heeft zich in korte tijd afgespeeld. De medeverdachte [verdachte 5] heeft voor de inzet van de politiehond meermalen een vuurwapen gericht op verbalisanten tijdens de aanhouding, ondanks dat op dat moment al duidelijk is dat het gaat om een aanhouding door politieambtenaren. De politiehond is ingezet op een moment dat de verdachten zich nog in het busje bevinden en niet onder controle zijn gebracht. Het kennelijk doel van de inzet van deze hond is te voorkomen dat de verdachten zich verzetten en mogelijk te maken dat de verdachten geboeid kunnen worden. Naar het oordeel van het hof is het beschikbaar houden van een politiehond bij een aanhouding als waarvan in dit geval sprake is noodzakelijk en proportioneel. Blijkens de door het hof bekeken camerabeelden ligt een aantal verdachten dicht bij elkaar op de vloer van het busje, zo ver mogelijk af van de deuropeningen. De verdachte is degene die het dichtst bij de deur ligt waardoor de hond het busje binnen is geleid. Het is kennelijk deze omstandigheid die gemaakt heeft dat de hondenbegeleider en de hond zich op de verdachte gericht hebben. Sommige camerabeelden suggereren, zoals de verdachte stelt, dat de hond bewust bovenop hem is gezet. Het hof heeft de beelden ter terechtzitting en ook in raadkamer diverse malen bekeken. Per saldo komt het hof tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat de hond door de hondenbegeleider bovenop de arm van de verdachte is gezet met het doel dat de verdachte gebeten zou worden. Wel is de hond – nadat deze in de richting van de ingang van het busje was teruggelopen – vanaf korte afstand naar de verdachte gedirigeerd die met zijn armen omhoog en met zichtbaar lege handen weggedoken op de vloer van het busje zat. Daarop beet de hond zich in de bovenarm van de verdachte vast. Het hof heeft begrip voor de emoties en het adrenaline-niveau bij de betrokken politieambtenaren. De DSI moest, toen de deuren van het busje geopend werden, in een split second beslissen over de wijze waarop de vier verdachten konden worden aangehouden en dat een waarschuwing voor de inzet van de politiehond niet mogelijk was, maar acht de specifieke inzet van de hond tegen deze verdachte niet noodzakelijk en niet proportioneel. Het hof is van oordeel dat artikel 3 EVRM geschonden is. Dit levert een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv op. Gelet op de blijvende littekens is het hof van oordeel dat het hierdoor veroorzaakte nadeel dient te worden gecompenseerd met strafvermindering. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met het belang dat artikel 3 EVRM dient, de ernst van het verzuim, de pijn en de blijvende littekens die hierdoor veroorzaakt zijn zoals hiervoor besproken (HR 23.6.2020, ECLI:NL:HR:2020:1092). Alles afwegend komt het hof aldus tot een strafvermindering van twee maanden. 13Motivering straf en maatregel Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich samen met vier medeverdachten schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een grote terroristische aanslag op willekeurige slachtoffers in Nederland. Door de verdachten wordt in dit kader gesproken over festivals en feesten in de lhbt-sfeer. De verdachte is aanwezig geweest bij een aantal belangrijke bijeenkomsten die zagen op de voorbereiding van de aanslag. Bovendien is het de verdachte geweest die tijdens de bijeenkomst in het vakantiehuisje in Weert een Kalasjnikov heeft gekust en liefkozend tegen zijn wang aan heeft gehouden. Waarbij hij heeft gezegd dat hij meer van het wapen houdt dan van zijn vrouw en dat hij er de niet-gelovigen mee gaat doden. Ook heeft de verdachte beeldmateriaal voorhanden gehad, zoals een instructievideo over hoe een ‘ongelovige’ het best gedood kan worden met een mes en (beeld)materiaal van (onder meer) IS. De verdachte heeft daarnaast deel uitgemaakt van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, voor een periode van ongeveer vier maanden. Ook heeft de verdachte in Weert, samen met drie medeverdachten, geoefend met Kalasjnikovs en (hand)vuurwapens en heeft hij daarnaast bomvesten gepast, waarmee hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het volgen en ondergaan van een training met het oog op het plegen van terroristische misdrijven. De bewezenverklaarde feiten betreffen zeer ernstige misdrijven, hetgeen sterk meeweegt bij de bepaling van (de hoogte van) de straf. De internationale gemeenschap wordt met enige regelmaat geteisterd door terroristische aanslagen. Deze aanslagen worden gepleegd vanuit een intolerante religieuze ideologie, waarbij wordt geprobeerd de eigen opvatting op gewelddadige wijze aan anderen op te leggen en waarbij willekeurige slachtoffers ernstige vrees wordt aangejaagd. Dergelijke feiten dienen op krachtige wijze te worden bestreden. Vergelding en algemene preventie moeten bij de keuze van strafsoort en duur van de op te leggen straf voorop staan. Naar het oordeel van het hof kan daarom slechts worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Vergelijkbare zaken en de eis van het Openbaar Ministerie Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gekeken naar de hoogte van straffen in zaken die (enigszins) vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. Als uitgangspunt voor deelneming aan een terroristische organisatie, ongeacht de bewezenverklaarde periode, geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Daarnaast wordt in deze zaak voorbereiding van moord met een terroristisch oogmerk en training voor terrorisme bewezenverklaard. Voorts heeft het hof acht geslagen op de straf die het Openbaar Ministerie heeft geëist in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest. Deze eis doet recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Bescherming van de maatschappij Samenlevingen die worden geconfronteerd met terroristisch geweld dienen hiertegen te worden beschermd. Met grote inzet trachten overheden, waaronder de Nederlandse, zich dan ook daartegen te weren, onder andere door wetgeving in het leven te roepen waarbij wordt getracht terrorisme in de kiem te smoren door middel van strafbaarstellingen die zien op de fase voorafgaande aan het plegen van een terroristisch misdrijf waarin voorbereidende handelingen daartoe worden getroffen, zoals in het onderhavige onderzoek. Uittreksel Justitiële Documentatie Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 maart 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten. Rapportages Het hof heeft acht geslagen op een reclasseringsrapport d.d. 2 juni 2020. Uit dit rapport volgt dat de verdachte nog steeds de salafistische jihadistische ideologie aanhangt en dat hij niets wil veranderen aan zijn geloofsbeleving. Hij wil alleen weten hoe hij vanuit een religieus perspectief met praktische zaken moet omgaan. Daarnaast is er sprake van een zorgelijk sociaal netwerk. Zowel in de familiaire sfeer als in de vriendenkring van de verdachte zijn diverse personen aangehouden, veroordeeld en/of betrokken geweest bij terroristische activiteiten. Indien de verdachte wordt veroordeeld, staan beide factoren in direct verband met het delictgedrag. Het risico op recidive wordt door OXREC, een actuarieel instrument dat het risico op algemene en geweldsrecidive binnen twee jaar meet, ingeschat als laaggemiddeld. Deze uitkomst is hoofdzakelijk bepaald door het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict, een relatief stabiele leefsituatie en partnerrelatie heeft. De verdachte is niet bekend met middelenproblematiek. Echter, op basis van dossierinformatie en op basis van de gesprekken met de verdachte waaruit onder andere naar voren komt dat hij een gewelddadige ideologie aanhangt die geweld rechtvaardigt is de professionele inschatting van de reclassering dat er een hoge kans op recidive is. Het risico op extremistisch geweld wordt op basis van de VERA-2R, een risicotaxatie-instrument voor de inschatting van de kans op gewelddadig extremisme, ingeschat als hoog. De reclassering adviseert aan de verdachte en maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking op te leggen, als bedoeld in de Wet langdurig toezicht. Voorts heeft het hof acht geslagen op de Rapportage Pro Justitia van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum opgemaakt door R. Haveman, GZ-psycholoog, en A.E. Grochowska, psychiater d.d. 5 maart 2020. De verdachte heeft grotendeels geweigerd hieraan zijn medewerking te verlenen, waardoor het beeld van de verdachte zeer beperkt is gebleven. Er kan geen psychiatrische stoornis bij de verdachte worden vastgesteld. Evenmin kan een vanuit de pathologie gestuurde risicotaxatie worden opgesteld. Hierdoor kan niet worden gekomen tot doorwerking van een eventuele stoornis in het tenlastegelegde en kan geen (pathologisch bepaald) recidivegevaar worden bepaald. Derhalve zijn de gedragsdeskundigen niet in staat te adviseren over het eventueel opleggen van een behandeling binnen een gedwongen kader teneinde het recidivegevaar te beperken. Dit weegt niet mee in het voordeel van de verdachte. De omstandigheid dat geen inschatting gemaakt kan worden door het Pieter Baan Centrum van het risico op gewelddadig extremisme, vormt voor het hof een extra onderbouwing van het nut en de noodzaak van de maatregel van artikel 38z Sr, waarover hieronder meer. Redelijke termijn Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu de berechting in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 16 maanden. De termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden nu tussen de datum van inverzekeringstelling van de verdachte op 27 september 2018 en de datum van het eindvonnis op 8 oktober 2020 meer dan 16 maanden is verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim 8 maanden. Voorts is de termijn van berechting in hoger beroep overschreden nu tussen de datum van het instellen van het hoger beroep op 21 oktober 2020 en de datum van dit eindarrest meer dan 16 maanden is verstreken, een termijnoverschrijding van bijna vier maanden. In deze geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn ziet het hof aanleiding om in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest, deze te verminderen met vier maanden. Artikel 38z Sr Ter terechtzitting in hoger beroep is door de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr zal worden opgelegd. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. Aan de verdachte wordt ter zake van de onderhavige strafbare feiten – misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of meer is gesteld - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Naar het oordeel van het hof is de oplegging van de maatregel in het belang van de veiligheid van andere personen en van goederen. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de ernst van de door de verdachte begane feiten. De verdachte heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie. Daarnaast heeft hij samen met anderen voorbereidingen getroffen en training gevolgd met het oog op het plegen van terroristische misdrijven. Het hof heeft voorts acht geslagen op de persoon van de verdachte. De reclassering adviseert in haar rapport d.d. 2 juni 2020 deze maatregel op te leggen vanwege de ernst van de feiten en de maatschappelijke gevolgen die het delict met zich mee had gebracht zonder tijdig ingrijpen van justitie, het hoge recidiverisico en omdat de verdachte niet heeft meegewerkt aan het Pro Justitia onderzoek. Het hof zal daarom tot de oplegging van deze maatregel overgaan. Wet straffen en beschermen De per 1 juli 2020 ingevoerde Wet straffen en beschermen, die gevolgen heeft voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling (VI), dient naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak niet tot verdere matiging van de op te leggen straf te leiden. Deze nieuwe VI-regeling behelst de executie van straffen en aldus geen wijziging in de aard en maximale duur van de op te leggen straf. Voorgaande laat onverlet dat de rechter, bij gebreke van een overgangsbepaling in genoemde wet, in een concreet geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, in hoger beroep aanleiding kan zien in de strafoplegging in enige mate rekening te houden met het na het wijzen van het vonnis gewijzigde VI-regime. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Het hof is - alles afwegende, mede rekening houdende met de schending van artikel 3 EVRM en de overschrijding van de redelijke termijn - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Tenuitvoerlegging gevangenisstraf Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 14Inbeslaggenomen voorwerpen Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten. 15Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 38z, 46, 47, 55, 57, 83, 134a, 140a, 157, 176a en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. 16BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren en 6 (zes) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking. Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten het op de beslaglijst onder 1 vermelde voorwerp: 1. 1.00 STK Computer Kl:zwart APPLE Ipad, Ipad met zwarte hoes. Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. D.M. Thierry, in bijzijn van de griffiers mr. M.J.J. van den Broek en mr. F.A. Janse. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juni 2022. Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 juni 2020, blz. 15. Zie ook zijn verklaring in het politieverhoor ZD1, blz. 4431. ZD1, blz. 583 e.v. Proces-verbaal van bevindingen van de LOVJ van 23 januari 2020. Aanvullend proces-verbaal van bevindingen LOVJ d.d. 5 maart 2020, blz. 13. ZD1, blz. 641 e.v. Proces-verbaal verhoor van getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris d.d. 2 november 2021, blz. 6 en 7. Zie blz. 42 van het toezichtsrapport over de gegevensverstrekking door de AIVD binnen Nederland over (vermeende) jihadisten, CTIVD nr. 57 (vastgesteld op 13 maart 2018). Zie paragraaf 7.4 (blz. 41 e.v.) van CTIVD nr. 57. Aanvullend proces-verbaal van bevindingen LOVJ d.d. 5 maart 2020. Aanvullend proces-verbaal van bevindingen LOVJ d.d. 5 maart 2020, blz. 2. Proces-verbaal van bevindingen LOVJ ZD1, blz. 4482. Proces-verbaal verhoor van getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris d.d. 2 november 2021, blz. 8 en 9. Proces-verbaal van bevindingen LOVJ, ZD1, blz. 4474 en 4487. Proces-verbaal van verhoor getuige A-2346 (Abu Hamza) ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 4 december 2019, blz. 6: Ik weet niks over de relatie tussen [verdachte 1] en Abu Hajar. Ik kende hem niet en ik wist niet over wie [verdachte 1] het had. Proces-verbaal van bevindingen LOVJ, ZD1, blz. 4476. Proces-verbaal van verhoor getuige B2870 ten overstaan van de rechter-commissaris, blz. 9. Zie proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte 1] bij de RC d.d. 29 januari 202, blz. 3 en 4. Terzijde: gevraagd naar wat hij met die email bedoelde heeft [verdachte 1] zich ter terechtzitting in eerste aanleg beroepen op zijn zwijgrecht; zie proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 12 juni 2020, blz. 33. Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 12 juni 2020, blz. 33 en 35. Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 17 juni 2020, blz. 69-74. Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 april 2022. ZD1, blz. 667 en 668. ZD 1, blz. 668 t/m 671. ZD 1, blz. 703 en 704. ZD 1, blz. 704. ZD 1, blz. 706. ZD 1, blz. 706 e.v. RC verklaring A-2346 (Abu Hamza), blz. 5. RC verklaring A-2346 (Abu Hamza), blz. 7.