Rolnummer: 22-002792-20 Parketnummer: 10-960183-18 Datum uitspraak: 7 juni 2022 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2020 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Vught, Nieuw Vosseveld Bijzondere Afdeling te Vught. Ter bevordering van de leesbaarheid van het arrest is hieronder een lijst van gebruikte afkortingen opgenomen. AIVD Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst AOT Afstemmingsoverleg Terrorisme CTIVD Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten DSI Dienst Speciale Interventies EVRM Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden LOVJ Landelijk Officier van Justitie terrorismebestrijding, inlichtingen- en veiligheidsdiensten en WOD LHBT Lesbisch Homoseksueel Biseksueel Transgender OVC Opname vertrouwelijke communicatie RC rechter-commissaris MIVD Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst Sr Wetboek van Strafrecht Sv Wetboek van Strafvordering Wiv 2002 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 Wiv 2017 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 WOD Werken onder Dekmantel Inhoudsopgave Het hof zal in dit arrest de volgende onderwerpen behandelen: Onderzoek van de zaak p. 3 Procesgang p. 3 Tenlastelegging p. 3 Gevoerde verweren p. 8 Inleiding 4.1 De infiltratie p. 9 Inleiding Het ambtsbericht van de AIVD Het voortraject Tussenconclusie 4.2 Parallel onderzoek door AIVD en Openbaar Ministerie p. 14 Beïnvloeding door het politieonderzoek Tussenconclusie Beïnvloeding opsporingsonderzoek Conclusie 4.3 Uitlokking p. 23 Inleiding Verslaglegging Conclusie Uitlokking politie-infiltrant Conclusie 5. Vordering van de advocaat-generaal p. 30 6. Het vonnis waarvan beroep p. 30 7. Bewezenverklaring p. 31 8. Bewijsvoering p. 33 9. Nadere bewijsoverwegingen p. 34 9.1 Ten aanzien van feit 1, 2 en 3: verweer betreffende het opzet van verdachte 9.1.1 feit 1 primair: voorbereiding van misdrijven begaan met een terroristisch oogmerk 9.1.2 feit 2: deelname aan een terroristische criminele organisatie 9.1.3 feit 3: training voor terrorisme 9.2 Verweren ten aanzien van feit 4 9.2.1 Het richten van het vuurwapen 9.2.2 Absoluut ondeugdelijke poging 9.2.3 Voorbedachte rade 9.3 Conclusie 10. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde p. 51 11. Strafbaarheid van de verdachte p. 52 12. Motivering straf en maatregel p. 52 13. Inbeslaggenomen voorwerpen p. 56 14. Toepasselijke wettelijke voorschriften p. 57 15. Beslissing p. 57 1. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. 2Procesgang In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde en ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, en zijn beslissingen genomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. 3Tenlastelegging Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - tenlastegelegd dat: 1. primair hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 01 januari 2018 tot en met 27 september 2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het/de misdrijf/misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten: -moord (
(5), voor iedereen. (…) . Als, als ze, ze ze, toch, wat als onze Kalashnikov stopt. We hebben een kleine nodig. (…)Een kleine voor het geval dat, want wat er ook gebeurt, wij willen ons niet overgeven. (…) En heb je een vest? (…).En indien mogelijk... over een auto. Ze vroegen zich af hoe reëel het is met een auto. (…).Wat zij willen is een auto. Broeder, wij willen gewoon ..ntv... schade veroorzaken. Ok. Omdat we ons op een festival richten, weet je, na het festival en je hebt duizend mensen, wanneer we ons op het festival richten, zetten we ook een heel grote auto in een andere stad neer. En voordat we naar het festival gaan, blazen we die gewoon op en dan doen we in het festival. Ik zei je, en we verspreiden ons, weetje, we maken een soort van cirkel om het festival heen. Het is een open festival.” Bij de ontmoeting op 30 augustus 2018 heeft [verdachte 1] op de vraag van de politie-infiltrant: “heb je nog iets bekeken sinds de vorige keer, inzake evenementen?” geantwoord: “Dat is geen probleem. Broeder, er zijn er zo veel...” Waarop de politie-infiltrant zegt: “Dus als jij het zegt, we hebben een evenement gevonden in september, we hebben er eentje in oktober gevonden. Dus we weten, ok, het zal ergens in oktober zijn. En dan kun je iets vinden wat dichterbij is. Dan begin ik met voorbereiden van uhh...” Naar het oordeel van het hof blijkt uit de gesprekken tussen [verdachte 1] en de politie-infiltrant – die, met uitzondering van het gesprek op 18 september 2018, zijn opgenomen - dat het initiatief om een aanslag te plegen van [verdachte 1] komt. De politie-infiltrant maakt vanaf het eerste contact duidelijk dat het initiatief bij [verdachte 1] ligt en hij slechts kan faciliteren als [verdachte 1] aangeeft wat zijn concrete plannen zijn. [verdachte 1] ontvouwt die plannen vervolgens en de politie-infiltrant deelt mede wat hij kan regelen op het gebied van wapens en grondstoffen voor het maken van een bom. De politie-infiltrant is als beperkt anonieme getuige als bedoeld in artikel 190 lid 3 Sv bij de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft verklaard dat hij is gebriefd door de Nederlandse begeleiders. Er is hem gezegd dat hij niet mag provoceren of uitlokken. Hij heeft verder verklaard dat hij – voor zover hem bekend – [verdachte 1] nooit iets heeft aangeboden waar hij niet zelf om had gevraagd. [verdachte 1] vroeg om vuurwapens, om bomvesten en spullen om een autobom te maken. [verdachte 1] is op grond van het hiervoor overwogene naar het oordeel van het hof niet gebracht tot handelingen waarop zijn opzet niet al tevoren was gericht. De verdachte kan niet via [verdachte 1] zijn uitgelokt. Het hof overweegt nog het volgende. De politie-infiltrant heeft in zijn verhoor als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat hij van zijn begeleiders geen informatie heeft ontvangen over andere verdachten dan [verdachte 1]. Wel heeft hij tijdens de ontmoeting met [verdachte 1] gevraagd of hij alleen was of dat er meer waren. Uit de opgenomen gesprekken van de politie-infiltrant met [verdachte 1] blijkt dat [verdachte 1] heeft verklaard dat de groep uit vijf personen bestond. [verdachte 1] had gezegd dat er anderen waren die hetzelfde wilden doen als hij. Daarom wilde de politie-infiltrant hen ontmoeten. Op 18 september 2018 heeft in Arnhem een ontmoeting plaatsgevonden tussen de politie-infiltrant en een groep van vijf personen waaronder [verdachte 1]. Toen pas wist de politie-infiltrant wie de vier anderen waren. Uit het verhoor van de politie-infiltrant als getuige en het door de politie-infiltrant opgestelde proces-verbaal van die bijeenkomst blijkt niet dat de politie-infiltrant de overige vier aanwezigen – waaronder verdachte – bij de uitvoering van het plan van [verdachte 1] heeft betrokken. Conclusie Het hof verwerpt het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, alsmede het verweer tot bewijsuitsluiting. 5Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 impliciet primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, dient te worden opgelegd. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd tot verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen voorwerp zoals vermeld op de beslaglijst onder 1, tot teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld op de beslaglijst onder 2 en 3 en tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld op de beslaglijst onder 4 tot en met 6. 6Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. 7Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. primair hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 01 januari juni 2018 tot en met 27 september 2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het/de misdrijf/misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten: -moord (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 juncto 83 van het Wetboek van Strafrecht), en/of -het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is, zoals bedoeld in artikel 157 sub 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht, (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht), opzettelijk een of meer Kalasjnikov(s), althans een of meer automatisch(
- e)(vuur)wapen(
- s)en/of een of meer (hand)vuurwapen(
- s)en/of grondstoffen voor een of meer (auto)bom(men) en/of grondstoffen voor explosieven voor in een of meer bomvest(en), te weten: kunstmest en/of zoutzuur en/of waterstofperoxide en/of aceton, bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad; 2. hij in of omstreeks de periode van 01 januari juni 2018 tot en met 27 september 2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland, met een of meer mededader(s), waaronder (in elk geval) [verdachte 1] (geboren op [geboortedag] 1984) en/of [verdachte 2] (geboren op [geboortedag] 1997) en/of [verdachte 3] (geboren op [geboortedag] 1997) en/of [verdachte 7] (geboren op [geboortedag] 1989) en/of [verdachte 4] (geboren op [geboortedag] 1992), heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, namelijk A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht), en/of B. doodslag (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht), en/of C. moord (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 juncto 83 van het Wetboek van Strafrecht), en/of D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176b en/of 289a en/of 96 lid 2), en/of E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie) (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie); 3. hij op of omstreeks 27 september 2018 te Weert, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk -zich en/of (een) ander(
- en)gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen, en/of -kennis en/of vaardigheden heeft verworven en/of (een) ander(
- en)heeft bijgebracht tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, -zich laten trainen en/of geoefend in/met het gebruik van een of meer Kalasjnikov(s), althans een of meer automatisch(
- e)(vuur)wapen(
- s)en/of een of meer (hand)vuurwapen(
- s)en/of een of meer bomvest(en); 4. hij op of omstreeks 27 september 2018 te Weert, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om meermalen, althans eenmaal, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een of meerdere politieambtena(a)r(en), van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, meermalen, althans eenmaal, de trekker van een (telkens)(door)geladen vuurwapen (Glock, type: 19, cal.9 mm x 19), heeft overgehaald terwijl hij op zeer korte afstand tegenover genoemde pers(o)n(
- en)stond/lag en richtte in de richting van deze personen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. 8Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. 9Nadere bewijsoverwegingen Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de volgende feiten vast. Op 26 april 2018 heeft de AIVD – als gezegd - een ambtsbericht uitgebracht, waarin melding wordt gemaakt van het feit dat [verdachte 1] voorbereidingen treft om met een groep personen veel slachtoffers te maken door een terroristisch aanslag te plegen op een groot evenement in Nederland. Op 12 juli 2018 brengt de AIVD opnieuw een ambtsbericht uit, waarin onder andere wordt vermeld dat de verdachte waarschijnlijk kennis draagt van de aanslagplannen van [verdachte 1]. Op 19 juli 2018 wordt de verdachte aangemerkt als verdachte voor het voorbereiden van een terroristisch misdrijf en deelname aan een terroristische organisatie. In het kader van dit onderzoek zijn diverse opsporingsmiddelen ingezet, waaronder telefoontaps, het afluisteren van vertrouwelijke communicatie (OVC) en observaties. Zoals hierboven overwogen heeft de officier van justitie een infiltratietraject ingezet, waarbij Abu Hamza als politie-infiltrant is opgetreden, die zowel digitaal contact met [verdachte 1] heeft gehad, alsmede hem vijf keer fysiek ontmoet heeft, te weten op 5 juli 2018, op 12 en 30 augustus 2018 en op 17, 18 en 27 september 2018. Op 5 juli 2018 heeft [verdachte 1] de politie-infiltrant Abu Hamza ontmoet in Arnhem. In dit gesprek vertelt [verdachte 1] dat hij staat te popelen om iets te ondernemen, om een aanslag te plegen die grote schade zou veroorzaken. Aanvankelijk, ongeveer een jaar geleden, waren er negen broeders die iets wilden doen, iets groots voor de Islam. Nu willen hij en twee andere kerels een aanval uitvoeren. Op 14 juli 2018 rijdt [verdachte 1] met de medeverdachte [verdachte 7] (hierna: [verdachte 7]) naar Vlaardingen, waar zij de medeverdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] ontmoeten. Op 16 juli 2018 verzendt [verdachte 1] een e-mail aan Abu Hamza, waarin hij vraagt om meer tijd om aan te kunnen geven hoeveel broeders mee zouden kunnen doen. Dezelfde dag bezoekt [verdachte 7] [verdachte 1] in zijn woning. Tussen 00.23 en 01.23 fietsen zij met een onbekende derde man in [plaatsnaam 1]. Op 24 juli 2018 verzendt [verdachte 1] opnieuw een e-mail aan Abu Hamza. Deze e-mail houdt voor zover van belang in: “we are now 5. Im bust with sixth, but for now we focus on the 5 guys.” Op 12 augustus 2018 ontmoeten Abu Hamza en [verdachte 1] elkaar in Utrecht. [verdachte 1] vertelt onder meer dat de groep die de aanslag wil plegen uit vijf personen bestaat, inclusief hijzelf. Hij wil Kalasjnikovs, bomvesten, granaten, kleine wapens en een autobom gebruiken op een festival. Tijdens deze ontmoeting volgen [verdachte 2] en [verdachte 3] op een afstand [verdachte 1] en Abu Hamza. Op 29 augustus 2018 leest [verdachte 1] een bericht van Abu Hamza, dat deze op 30 augustus in Nederland zal zijn. Daarop vinden er korte telefoongesprekken plaats tussen [verdachte 1] met respectievelijk [verdachte 7], [verdachte 3] en de verdachte. Enkele uren later bevinden de verdachte, [verdachte 2] en [verdachte 4] zich met [verdachte 1] in de woning van [verdachte 1]. Tijdens dit bezoek loopt [verdachte 1] naar een andere kamer en belt met Abu Hamza. [verdachte 1] en Abu Hamza maken een afspraak voor de volgende dag. Hierna vertrekken de anderen. Op 30 augustus 2018 reist [verdachte 1] met [verdachte 7] en [verdachte 6] (hierna: [verdachte 6]) naar Utrecht. Op enig moment schudden [verdachte 7] en [verdachte 6] de hand van Abu Hamza tijdens de ontmoeting van [verdachte 1] met Abu Hamza. [verdachte 1] zegt, buiten de aanwezigheid van [verdachte 7] en [verdachte 6], dat hij liever vijf man heeft die wilskrachtig zijn dan 500 die onzeker zijn. In dit gesprek komen verder de voorbereiding van een aanslag, het trainen met wapens en het maken van een bom aan de orde. Op de terugweg vanuit Utrecht met [verdachte 7] en [verdachte 6] zegt [verdachte 1]: “ik hoop dat mijn nieuwe simkaart binnen is. (…) ik sta voor een paar goeie uitdagingen binnenkort.” Ook zegt [verdachte 1] tegen [verdachte 7] dat hij een nieuwe, schone telefoon nodig heeft die ook WhatsApp moet hebben. Na deze ontmoeting gaat [verdachte 1] actief op zoek naar middelen die nodig zijn voor het maken van een explosief. In de nacht van 31 augustus op 1 september 2018 vindt er een ontmoeting plaats tussen [verdachte 1], [verdachte 7], [verdachte 2] en [verdachte 3] in [plaatsnaam 2], eerst in de woning waar [verdachte 3] verbleef, waarna omstreeks 00.55 uur de vier mannen naar buiten lopen en met de auto naar de Zwart Jansstraat in Rotterdam gaan. Rond 2.00 uur vertrekken [verdachte 1] en [verdachte 7] vanaf de woning van [verdachte 3] in [plaatsnaam 2] naar [plaatsnaam 1]. Op 7 september 2018 rijdt [verdachte 1] samen met [verdachte 7] naar Breda waar hij, conform afspraak met Abu Hamza, vier zakken van 25 kilogram kunstmest haalt uit een bij de Mediamarkt geparkeerd voertuig. Op de terugweg naar Arnhem leest [verdachte 7] het volgende bericht van Abu Hamza aan [verdachte 1] via Telegram voor: "Allahu akbar akhi! lm happy to hear it went good and so quickly. Smart idea using the same locker and code. Ill message you again soon inshaAllah." [verdachte 1] reageert door te zeggen: “Zeg maar, okay see you soon". [verdachte 7] antwoordt (namens [verdachte 1]) om 16.07 uur per Telegram aan Abu Hamza: “YazakAllahu ghiar. I see jou soon inshaAllah". Om 16.09 uur schrijft Abu Hamza aan [verdachte 1]: “Insha Allah". Op 17 september 2018 heeft [verdachte 1] opnieuw een fysieke ontmoeting met Abu Hamza in Arnhem. Tijdens de ontmoeting zegt [verdachte 1] tegen Abu Hamza dat de groep met wie hij een aanslag wil plegen Abu Hamza wil ontmoeten. Hij zal die avond met de groep bespreken of ze Abu Hamza op 18 september 2018 willen ontmoeten. [verdachte 1] legt hierna contact met de verdachte en de medeverdachten [verdachte 3], [verdachte 2] en [verdachte 4], waarna hij Abu Hamza bericht dat de groep hem de volgende dag wil ontmoeten. Op 18 september 2018 stelt [verdachte 1] de verdachte en de medeverdachten [verdachte 3], [verdachte 2] en [verdachte 4] voor aan Abu Hamza in Park Presikhaaf in Arnhem. De verdachte stelt de wijze waarop de grondstoffen voor de explosieven zijn aangeschaft, aan de orde. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij desgevraagd bevestigd dat hij tijdens de bijeenkomst in het park dus op de hoogte was van het feit dat deze grondstoffen reeds waren aangeschaft. Op de vraag waarom [verdachte 1] nagellakremover nodig zou hebben, stelt de verdachte dat ‘er sowieso iets gaande was’. Hij sluit niet uit dat ‘er een persoon rondloopt van IS die mensen aan het zoeken is en die eerst wil kijken naar de bereidheid of je wel serieus bent’. Tevens zegt hij tijdens dit verhoor dat [verdachte 1] hem meer heeft verteld over ‘hoe en wat’. Desgevraagd zegt hij dat hij hiermee bedoelt te zeggen dat [verdachte 1] hem heeft verteld wat hij heeft gedaan en hoever hij is in zijn besprekingen met Abu Hamza. De verdachte geeft dan aan met deze informatie in zijn achterhoofd naar de ontmoeting in het park is gegaan en opmerkingen heeft gemaakt. Hij geeft in het park eveneens aan dat hij en de broeders bang waren dat de infiltrant niet echt bereid was hen te helpen, maar van de politie zou zijn. Daarom vraagt hij Abu Hamza om handvuurwapens om te testen of Abu Hamza geen infiltrant is, maar hij voegt hier aan toe dat deze ook bestemd zijn om zich te kunnen verdedigen als de politie komt. Tevens vertelt hij dat hij en anderen al getraind hebben met airsoftwapens in een gesimuleerde oorlog. Afgesproken wordt binnenkort samen te komen om te oefenen. Abu Hamza vraagt of de mannen hetzelfde willen als [verdachte 1]. De vier mannen antwoorden ja. Op 21 september 2018 bericht Abu Hamza via Telegram aan [verdachte 1] dat de ontmoeting op 27 september zal plaatsvinden. [verdachte 1] antwoordt met de tekst: “Clear”. Op 22 september 2018 laat [verdachte 1] aan Abu Hamza weten dat hij “hen” vandaag of morgen zal spreken. Diezelfde dag, tussen 20.00 uur en 21.15 uur, zijn [verdachte 1], [verdachte 7], [verdachte 2] en [verdachte 3] met elkaar in de woning waar [verdachte 3] verbleef in [plaatsnaam 2]. Kort nadat [verdachte 1] en [verdachte 7] zijn vertrokken, komt de verdachte dan aan bij het portiek van de [verblijfplaats verdachte 3]. Ter terechtzitting in hoger beroep geeft de verdachte aan dat hij [verdachte 1] toen nog heeft gesproken. Op 27 september 2018 gaan [verdachte 1], de verdachte, [verdachte 3] en [verdachte 2] naar het vakantiehuisje in Weert, waar ze Abu Hamza en een andere politie-infiltrant ontmoeten en oefenen ze met (onklaar gemaakte) Kalasjnikovs en (hand)vuurwapens. Ook passen ze bomvesten. Op de beelden is onder andere te zien en/of te horen dat de verdachte een vuurwapen laadt, met een AK-47 door de woonkamer loopt op een sluipende manier en het vest met de draden draagt, waarbij hij tegelijkertijd een AK-47 in zijn handen houdt, waarmee hij meerdere keren richt, waarna hij aan een van de begeleiders advies vraagt om kennelijk de pasvorm van het vest nog comfortabeler te maken. [verdachte 1] en de verdachte spreken met de infiltranten over de afwezigheid van [verdachte 4], waarbij ze benadrukken dat dit niet betekent dat hij niet meer mee doet. De verdachte zegt: “He is with us and he also know the dry (fon) to ….nvt…training. Like how to put in and out, eeh the kalash… so he knows that.” [verdachte 1] zegt [verdachte 4] te hebben verteld dat, wanneer hij van gedachten zou veranderen, hij een vervanger moet zoeken. “Because for his job, for the plan I have, I need 5 man.” Ook aan het eind van de ontmoeting zegt [verdachte 1]: “For now, I focus on this five”. De infiltranten spreken met de verdachten over een training in Bosnië in oktober, op welke dagen de bus vanuit Nederland vertrekt en hoelang de reis duurt en over het regelen van een verblijfplaats daar. Ook het onderwerp van een videoboodschap, “that they must know, it’s them that made possible, with the will of Allah” aldus [verdachte 1], komt aan de orde. De verdachte gaat hiermee akkoord. Aan het eind van de ontmoeting wordt nog gesproken over de plannen die zij hebben, opnieuw onder meer over het grote belang van vijf aanslagplegers en een mogelijke zesde aanslagpleger. De verdachte zegt dat “ze zoiets willen doen als de broeders in Frankrijk hebben gedaan”. Als een van de politie-infiltranten in verband met het vermaken van de bomvesten vraagt of het overdag of in het donker gaat gebeuren (met een jas erover of niet), antwoordt [verdachte 1] dat het gaat om een type discoruimte. Er zijn wat feestjes in november, de meeste ervan zijn ‘gayfeestjes’, dus de anderen moeten er goed uitzien als zij naar binnen willen. Zo niet dan doden zij de beveiliging. Daarop zegt de medeverdachte [verdachte 2]: “Dus je gaat naar binnen, we gaan hard om eerst een doel uit te zoeken, dan schiet je op iedereen en dan komen de anderen.” Vervolgens suggereerde hij dat het ook kan door een auto te laten ontploffen. Bij vertrek uit de woning staat de verdachte erop het verstrekte geladen handvuurwapen op zijn lichaam te dragen in een buideltas en vraagt hij hoe hij binnen enkele seconden klaar kan zijn om te schieten. Hierop vertellen de politie-infiltranten hem opnieuw hoe hij het vuurwapen kan doorladen, maar dat dit wel een risico met zich mee brengt omdat het wapen vanaf dat moment op scherp staat. Dan eindigt de ontmoeting in het huisje. De handvuurwapens worden door de verdachten meegenomen en zij gaan naar buiten, waar het busje wacht dat hen zal terug brengen naar hun auto’s. 9.1 Ten aanzien van feit 1, 2 en 3: verweer betreffende het opzet van de verdachte De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten, omdat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat hij op de hoogte was van de aanslagplannen van [verdachte 1]. Hij had het voornemen om uit te reizen en zocht iemand die hem behulpzaam kon zijn bij het in contact brengen met een derde, die hem vervolgens kon introduceren bij groeperingen in het Midden Oosten waarbij hij zich wilde aansluiten. De aanwezigheid van de verdachte bij de ontmoetingen met Abu Hamza op 18 september 2018 in het park en op 27 september 2018 in het huisje, was dan ook omdat hij wilde weten of Abu Hamza te vertrouwen was, zodat hij hem om hulp kon vragen bij het zoeken naar een contactpersoon in verband met het uitreizen naar het Midden Oosten. De verdachte heeft volgens de verdediging weliswaar vuurwapens en bomvesten voorhanden gehad, maar had hierbij dus niet het opzet op het plegen van voorbereidingshandelingen voor een terroristische aanslag. De verdediging voert onder meer aan dat dit standpunt steun vindt in de verklaringen van [verdachte 1] bij de politie op 8 januari 2020, als getuige bij de rechter-commissaris op 29 januari 2020 en als getuige ter terechtzitting in hoger beroep van 5 april 2022. Het hof overweegt allereerst over de door de verdediging bedoelde onderdelen van deze verklaringen van [verdachte 1] als volgt. In zijn verhoor op 8 januari 2020 bij de politie zegt [verdachte 1] dat [verdachte 3], [verdachte 2] en de verdachte alleen wisten dat hij met iemand praatte om wapens te regelen. Hij heeft hen niet verteld dat zijn doel het plegen van een aanslag was. De wapens die de jongens wilden hebben was puur voor vertrouwen. Hij heeft Abu Hamza gevraagd om wapens voor de jongens te regelen om vertrouwen te winnen, zodat de jongens hem zouden vertrouwen. De dag voor de ontmoeting in het park (het hof begrijpt: 17 september 2018) heeft hij voor het eerst met hen gesproken over de aanslag en wapens. Zij wisten niet dat het over een aanslag ging, ze dachten alleen dat het over een wapen ging. Ze kregen onenigheid. Een aanslag zou niet bij hun Aqida, visie op het geloof, passen. Hij heeft vervolgens tegen hen gezegd dat ze gewoon moesten doen wat hij zei, omdat ze dan een wapen hadden. [verdachte 1] zegt bij de rechter-commissaris op 29 januari 2020 dat hij een aanslag wilde plegen met [verdachte 3], [verdachte 2] en de verdachte. Hij sprak met hen in versleutelde taal; candy en koerierswerk waren woorden voor aanslag. Volgens hem was er sprake van miscommunicatie. De jongens dachten dat candy een wapen betekende. [verdachte 1] zegt dat hij in de veronderstelling was dat zij een wapen wilden hebben voor een aanslag. Pas op 17 september 2018 werd hem duidelijk dat dit niet klopte. De jongens zouden hebben geweigerd een aanslag te plegen. Hij zegt desgevraagd niet te weten waarom ze een wapen wilden. [verdachte 1] verklaart dan het volgende. “Het was ook om Hamza te overtuigen dat de jongens bij mij hoorden. U vraagt mij of ik dat met de jongens besproken heb. Ja, op de 17e toch en daarna niet meer. Die jongens wilden mij niet in de steek laten, in de zin van dat ik in een flow zat en dat zij mij uit die flow wilden halen.” Op de opmerking van de rechter-commissaris dat hij onder ede staat en dat de rechter-commissaris twijfels heeft bij zijn geloofwaardigheid, zegt hij: “dat kan, maar dat zijn ook vragen die u aan hen kan stellen”. Op de terechtzitting van het hof op 5 april 2022 zegt [verdachte 1] als getuige onder meer het volgende. Met de vijf personen die hij in de e-mail aan Abu Hamza van 24 juli 2018 noemt, bedoelt hij geen van de vandaag ter terechtzitting aanwezigen. De e-mail van 31 juli 2018, waarin hij schrijft “I told to the brothers”, zag wel op zijn vrienden (het hof begrijpt uit de context van dit verhoor dat het over de medeverdachten gaat). Deze e-mail was volgens [verdachte 1] niet met de intentie dat deze broeders een aanslag wilden plegen. Hij stelt vanaf het begin af te hebben gelogen tegen de infiltrant. Over candy zegt hij dat het probleem is dat hij dacht dat zij hetzelfde dachten als hij, maar dat was niet zo. Hij zegt ook dat wanneer hem door hen vragen waren gesteld, hij hen niet de waarheid had verteld. Over de ontmoeting op 31 augustus 2018, een dag na zijn ontmoeting met Abu Hamza, zegt hij dat hij het woord ‘candy’ heeft gebruikt, maar dat hij niet meer weet wanneer of op welke wijze. Ook zegt hij nooit enige informatie over waarom hij Abu Hamza eigenlijk sprak, te hebben gedeeld. “Ik heb eigenlijk tegen alle jongens gelogen.” Het hof is van oordeel dat de hierboven genoemde onderdelen uit deze verklaringen van [verdachte 1] niet betrouwbaar zijn en overweegt hiertoe het volgende. In de verklaringen zet [verdachte 1] zichzelf neer als iemand die er kennelijk niet voor terugdeinst om in bepaalde situaties leugens te vertellen. Ook de rechter-commissaris vraagt zich af of [verdachte 1] de waarheid spreekt, gelet op zijn opmerking dat [verdachte 1] onder ede staat en dat de rechter-commissaris twijfels heeft bij zijn geloofwaardigheid. De reactie van [verdachte 1] hierop, dat hij dit niet ontkent maar dat deze vragen ook aan de medeverdachten kunnen worden gesteld, bevestigt het hof in zijn overtuiging omtrent het zeer beperkte waarheidsgehalte van de onderdelen uit deze verklaringen. Het hof oordeelt de verklaringen in zoverre ook als innerlijk tegenstrijdig. Waar [verdachte 1] enerzijds stelt dat de medeverdachten, met uitzondering van de medeverdachte [verdachte 7], na 17 september 2018 toch meegingen naar het park en later naar het huisje, omdat zij een wapen wilden, stelt hij anderzijds dat zij dit deden omdat zij hem niet in de steek wilden laten. Het hof oordeelt vervolgens ten aanzien van het geschetste alternatieve scenario dat dit strijdig is met de bewijsmiddelen. De voor dit oordeel dragende overwegingen worden in de paragrafen hierna weergegeven. Ook overigens komt dit scenario, door de verdachte te berde gebracht na zich 21 maanden op zijn zwijgrecht te hebben beroepen, het hof als volstrekt onaannemelijk voor. Niet alleen betreft het alternatieve scenario een buitengewoon omslachtige wijze om in het kader van een mogelijke uitreis in contact te komen met een derde, die hem vervolgens kon introduceren bij groeperingen in het Midden Oosten waarbij hij zich wilde aansluiten. Dat gestelde doel strookt bovendien niet met zijn actieve bijdrage aan de wapentraining en aan een discussie over de wijze waarop een aanslag gepleegd kon worden. 9.1.1 feit 1 primair: voorbereiding van misdrijven begaan met een terroristisch oogmerk Bij de beantwoording van de vraag of de in artikel 46, eerste lid, Sr vermelde voorwerpen, afzonderlijk of gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ‘zijn bestemd tot het begaan van een misdrijf’ in de zin van deze bepaling, dient te worden beoordeeld of deze voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningvorm, ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van deze voorwerpen voor ogen had. Niet kan niet worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had. Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [verdachte 1] vanaf in ieder geval 5 juli 2018 voornemens is geweest een aanslag te plegen. Vanaf 24 juli 2018 geeft hij aan dit te willen doen met vijf personen, inclusief hemzelf. Dit aantal door hem genoemde (mede)daders blijft vanaf dat moment gelijk tot en met het moment van de aanhouding op 27 september 2018. Het hof is van oordeel dat de verdachte één van deze personen is geweest en overweegt hiertoe als volgt. Bij de beoordeling van het voorhanden bewijs valt op dat de verdachte, anders dan de meeste medeverdachten, niet aanwezig is geweest bij de ontmoetingen met de politie-infiltrant op 12 en 30 augustus 2018 en bij de ontmoetingen met de medeverdachten onderling op 14 juli 2018 en in de nacht van 31 augustus op 1 september 2018. Met betrekking tot de ontmoeting op 22 september 2018 komt de verdachte te laat, maar heeft hij nog wel de mogelijkheid om met [verdachte 1] te spreken. Dit neemt niet weg dat de verdachte wel aanwezig is geweest bij de bijeenkomst in het huis van [verdachte 1] op 29 augustus 2018, op het moment dat [verdachte 1] telefonisch contact met Abu Hamza heeft. Hij was eveneens aanwezig bij de belangrijkste bijeenkomsten met de politie-infiltrant, te weten op 18 september 2018 in Park Presikhaaf te Arnhem en op 27 september 2018 in het vakantiehuisje in Weert. Ook het feit dat [verdachte 1] voorafgaand aan de ontmoeting met Abu Hamza op 18 september 2018 in het park – nadat hij contact heeft gehad met de verdachte, [verdachte 3], [verdachte 2] en [verdachte 4] - deze bericht dat de groep met wie hij een aanslag wil plegen hem wil ontmoeten en dat als deze ontmoeting plaats vindt, de verdachte een van de vijf aanwezigen is, is redengevend voor het oordeel dat de verdachte één van de vijf door [verdachte 1] genoemde personen is geweest. Het hof is tevens van oordeel dat de verdachte op de hoogte was van de aanslagplannen. Tijdens de ontmoetingen in het park en in het huisje in Weert heeft de verdachte zich niet bepaald onbetuigd gelaten. Uit zowel zijn gedragingen als zijn uitlatingen kan niet anders dan de conclusie worden getrokken dat hij wel degelijk op de hoogte was van de aanslagplannen van [verdachte 1] en daaraan deelnam. Ook blijkt uit de ontmoeting in het park dat hij op de hoogte was van de reeds aangeschafte grondstoffen, hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd. Tot slot heeft hij tezamen met zijn medeverdachten, met uitzondering van de medeverdachte [verdachte 7], in het huisje in Weert Kalasjnikovs en (hand)vuurwapens voorhanden gehad. Het is de verdachte die tijdens deze bijeenkomst zegt dat “ze zoiets willen doen als de broeders in Frankrijk hebben gedaan”. Gelet op deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien met de hierboven genoemde feiten, is het hof van oordeel dat de verdachte met anderen Kalasjnikovs, (hand)vuurwapens en grondstoffen voor een of meer autobom(men) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, evenals grondstoffen voor explosieven in een of meer bomvest(en), zoals kunstmest, zoutzuur, waterstofperoxide en aceton. Dit zijn middelen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienstig konden zijn – mede gelet op het gemaakte gebruik van de Kalasjnikov en een (hand)vuurwapen door de verdachte in het huisje en in het busje - voor de in de tenlastelegging genoemde misdrijven terwijl hij ten tijde van dit verwerven en voorhanden hebben daarvan het misdadige doel – het plegen van een aanslag – voor ogen had. Aldus is bewezen dat de middelen bestemd waren tot het begaan van deze aanslag. Met betrekking tot het vereiste ‘terroristisch oogmerk’ overweegt het hof het volgende. Gelet op het bespreken en feitelijk voorbereiden van een aanslag met een bomauto en explosieven, het voorhanden hebben van vuurwapens en het daadwerkelijk benoemen van een gayfeest of lhbt-evenement als doelwit voor een aanslag, is het hof van oordeel dat dit alles in onderling verband en samenhang, voldoende grond oplevert om vast te stellen dat sprake is van een terroristisch oogmerk, bestaande uit het aanjagen van vrees bij (een deel van) de bevolking en/of het ontwrichten van fundamentele politieke structuren. Het hof acht het onder 1 primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen. 9.1.2 feit 2: deelname aan een terroristische criminele organisatie Het hof stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven in de zin van artikel 140a Sr slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk. Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en op grond van de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde overweegt het hof als volgt. De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich in de periode van 1 juni 2018 tot en met 27 september 2018 gezamenlijk voorbereid om een aanslag met een terroristisch oogmerk te plegen. [verdachte 1] nam hierin het voortouw en onderhield contact met de politie-infiltrant Abu Hamza. De medeverdachte [verdachte 7] was [verdachte 1] behulpzaam bij het verwerven van grondstoffen voor een autobom. Tevens waren er medeverdachten die zich soms in de omgeving van een samenkomst van [verdachte 1] en Abu Hamza ophielden, waarbij [verdachte 7] zelfs kennismaakte met Abu Hamza. De verdachte is bij een aantal belangrijke bijeenkomsten aanwezig geweest, welke bijeenkomsten dienden ter verwezenlijking van het doel van de criminele organisatie, te weten het plegen van een aanslag. De verdachte heeft tijdens de bijeenkomst in het park een wezenlijke bijdrage geleverd. Hij heeft commentaar geleverd op de wijze waarop de benodigde grondstoffen voor een explosief waren aangeschaft. Hij spreekt over het doel van de aanschaf van vuurwapens en vertelt Abu Hamza dat hij al getraind heeft met airsoftwapens in een gesimuleerde oorlog. Op de vraag van Abu Hamza of hij hetzelfde wil als [verdachte 1] antwoordt hij bevestigend. Ook tijdens de bijeenkomst in het huisje heeft de verdachte zich, zoals eerder vermeld, niet onbetuigd gelaten. Zo heeft hij onder meer zijn, in het huisje in Weert aanwezige, medeverdachten uitgelegd hoe een wapen geladen en doorgeladen dient te worden. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een op het plegen van een terroristische aanslag gericht samenwerkingsverband en dat hij daarnaast ook gedragingen heeft ondersteund die verband hielden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaand oogmerk. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr. Ook het onder 2 tenlastegelegde is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen. 9.1.3 feit 3: training voor terrorisme Artikel 134a Sr ziet op gedragingen die in enig verband staan met een terroristische training. Kwalificatie onder die bepaling is slechts mogelijk indien een voldoende verband tussen die gedragingen en enige vorm van training – waaronder te verstaan: “het opdoen of overbrengen van kennis of zich een ander bekwamen in vaardigheden of technieken” – voor terrorisme bestaat. Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en op grond van de bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde is het hof van oordeel dat hier sprake van is. De verdachte heeft immers op 27 september 2018 in het huisje in Weert tezamen met de medeverdachten (met uitzondering van [verdachte 7] en [verdachte 4]) onder leiding van twee begeleiders geoefend met (onklaar gemaakte) Kalasjnikovs en (hand)vuurwapens en bomvesten gepast. De verdachte zegt tegen de begeleiders dat [verdachte 4] weliswaar niet aanwezig is, maar dat hij op de hoogte is van ‘de training’. Hieruit blijkt dat al voor 27 september 2018 duidelijk is dat er getraind gaat worden, hetgeen ook overigens is afgesproken in de bijeenkomst in het park. Er wordt gesproken over mogelijke doelen van de aanslag, zoals een festival of feest in de lhbt-sfeer. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte samen met de – in het huisje in Weert aanwezige - medeverdachten heeft deel genomen aan een training in de zin van artikel 134a Sr. Het hof oordeelt dat het onder 3 tenlastegelegde eveneens wettig en overtuigend bewezen is. 9.2 Verweren ten aanzien van feit 4 De verdediging is van mening dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot moord dan wel doodslag op een of meer politieambtenaren en voert hiertoe een drietal verweren. De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de trekker van zijn vuurwapen overhaalde op het moment dat hij dit op een of meerdere politieambtenaren richtte. Subsidiair is volgens de raadsvrouw sprake van een absoluut ondeugdelijke poging, nu het wapen onklaar gemaakt was, waardoor het onmogelijk was hiermee scherpe patronen af te schieten. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg, zodat geen sprake kan zijn van een poging tot moord. 9.2.1 Het richten van het vuurwapen De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van dit feit, omdat “niet kan worden vastgesteld dat de verdachte, toen leden van de DSI de bestelbus waarin ook de verdachte zich bevond openden teneinde hem aan te houden, de trekker van zijn vuurwapen overhaalde op het moment dat hij dit op één of meerdere DSI-leden richtte”. Naar aanleiding hiervan heeft nader onderzoek plaatsgevonden, hetgeen heeft geresulteerd in een kolommenoverzicht van de processen-verbaal met nummers 1812, 2470 en 1686 – de uitwerking van de camerabeelden en de bevindingen van verbalisanten B-173 en B-195 – en een aanvullend proces-verbaal met nummer 3051 d.d. 22 februari 2022. In het kolommenoverzicht zijn de bevindingen van de drie genoemde processen-verbaal naast elkaar weergegeven waarbij de tijdsaanduiding leidend is, zodat in één overzicht zichtbaar wordt wat op welk moment zowel binnen als buiten het busje gebeurt. Het aanvullend proces-verbaal heeft – evenals het proces-verbaal met nummer 1812 – betrekking op de camerabeelden in de bestelbus kort voorafgaand en tijdens de aanhouding van de verdachte en de medeverdachten (met uitzondering van de medeverdachten [verdachte 7] en [verdachte 4]). De beeldopnamen zijn per frame bekeken, waarbij opmerking verdient dat gebruikelijk 24, 25 of 30 frames per seconden worden bekeken en dat de beeldopnamen in het busje ongeveer 1/6 van het gebruikelijke aantal frames per seconde bevatten. Enkele frames hebben geleid tot de volgende aanvullende bevindingen met betrekking tot het richten en schieten (trekhandeling) door de verdachte gericht tegen leden van de DSI: p. 15: “Vlak voordat de schuifdeur van het vrachtcompartiment werd geopend door leden van de DSI, bemerkte [de verdachte] kennelijk dat de Glock blokkeerde, aangezien hij moeiteloos een eerste storingsreactie uitvoerde. Dit was een bewuste handeling daar [de verdachte] rekening hield met de doorgeladen positie van de Glock. Te zien is dat de rechter wijsvinger, ten tijde van de storingsreactie, gestrekt op de slede werd geplaatst. Hierna plaatste [de verdachte] de rechter wijsvinger terug in een gebogen vorm om de trekker.” p. 16: “Aan de lichtinval was te zien dat de schuifdeur van het vrachtcompartiment vervolgens werd geopend door leden van de DSI. Hierop voerde [de verdachte] wederom moeiteloos een tweede storingsreactie uit met de Glock en herhaalde feitelijk voorgaande handeling. Aan de hand van de beelden is te zien dat er ditmaal een patroon uit de ‘kamer’ van de slede werd geworpen en naast [de verdachte] belandde op de bodem van het vrachtcompartiment.” p. 17: “Na de tweede storingsreactie strekte [de verdachte] zijn rechterarm en richtte kennelijk rechtstreeks met de Glock naar de geopende schuifdeur. Ik zag via de beeldopname van de buitenkant dat diverse leden van de DSI op dat moment voor de geopende schuifdeur stonden.” Het hof neemt op de beelden op deze pagina waar dat de vinger op het onderste beeld meer gebogen is dan op het bovenste beeld. p. 18: “Aan de hand van de beelden is te zien dat dit het eerste moment was dat [de verdachte] de Glock gericht had op leden van de DSI. Te zien is dat [de verdachte] de rechter wijsvinger in een gebogen vorm op de trekker hield. Naar alle waarschijnlijkheid haalde [de verdachte] de trekker over om gericht een schot te plaatsen, echter bemerkte [de verdachte] wederom dat de Glock blokkeerde en voerde vervolgens moeiteloos een derde storingsreactie uit.” p. 20: “Te zien is dat vervolgens de achterportieren werden geopend, waarop [de verdachte] direct reageerde en zijn focus verlegde van de zijkant naar de achterkant van het vrachtcompartiment. Vanaf dat moment hield [de verdachte] de Glock onafgebroken gericht op leden van de DSI met de rechter wijsvinger op de trekker.” p. 21: “Nadat [de verdachte] zich had omgedraaid nam hij een vaardige schiethouding aan met beide armen. [de verdachte] leunde, in eerste aanleg, met zijn rug tegen de zijkant van het vrachtcompartiment en strekte zijn armen deels naar voren. Kort hierop was te zien dat [de verdachte] naar voren bewoog en zich daardoor kennelijk stabieler positioneerde om af te vuren.” p. 23: “Te zien is dat [de verdachte] de Glock naar voren richtte met gestrekte armen in een onbeweeglijke houding zoals eerder waargenomen in het vakantiehuis nadat de Glock werd verstrekt.” Het hof overweegt dat bovengenoemde handelingen plaatsvonden in een tijdsbestek van 7 à 8 seconden. Rechercheur 563 die dit aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt, verbaliseert naar aanleiding van bovengenoemde bevindingen als volgt. “Bij nadere analyse van verschillende frames is mij gebleken dat [de verdachte] meerdere malen de trekker had overgehaald, niet wetende dat de geleverde (hand)vuurwapens onklaar waren gemaakt. (…) Deze handelingen zijn pas zichtbaar door de betreffende frames achter elkaar te bekijken, waaruit blijkt dat de rechter wijsvinger van een licht gestrekte vinger naar een volledig gebogen vinger om de trekker beweegt. Deze trekker handeling komt exact overeen met de eerdere waarneming in het vakantiehuis op het moment dat [de verdachte] vaardige handelingen uitvoerde met de Glock en aldaar een schot simuleerde door de trekker over te halen met de rechter wijsvinger. Aan de hand van de frames blijkt dat [de verdachte] op de volgende momenten de trekker één of meerdere malen heeft overgehaald: Na de derde storingsreactie, gericht op één of meerdere lid/leden van de DSI staande in/bij de geopende schuifdeur van het vrachtcompartiment; Na het openen van (achter-)portieren; gericht op één of meerdere lid/leden van de DSI.” Het hof overweegt dat het gegeven dat uit de bevindingen blijkt dat de verdachte drie keer een storingsreactie heeft uitgevoerd, overeenkomt met het feit dat in het busje in ieder geval drie patronen zijn gevonden. Immers, een handeling om een storing te verhelpen is het opnieuw naar achteren trekken van de slede teneinde het eventueel storende patroon uit te werpen, waardoor het wapen opnieuw doorgeladen is. Op grond van de hierboven beschreven handelingen van de verdachte en het gegeven dat er op de bodem van het busje drie patronen zijn gevonden in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte op het moment dat hij richtte op meerdere leden van de DSI de trekker van het wapen daadwerkelijk heeft overgehaald. Het verweer wordt dan ook verworpen. 9.2.2 2 Absoluut ondeugdelijke poging De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte een vuurwapen in handen had dat niet werkte – hetgeen hij wist - en ook nooit zou kunnen werken, zodat hij een absoluut ondeugdelijk middel gebruikte. Er is daarmee geen begin van uitvoering hetgeen voor een strafbare poging wel vereist is. Verdachte veronderstelde dat het wapen werkte Het hof stelt voorop dat de verdachte op 27 september 2018 van de politie-infiltranten in het vakantiehuisje in Weert een onklaar gemaakt handvuurwapen van het merk Glock in ontvangst heeft genomen dat hij in zijn buiktasje heeft gestoken. Hierna zat hij met [verdachte 1], [verdachte 2] en [verdachte 3] achterin het bestelbusje. Hij zegt dan: “ Ik durf nu te garanderen, ze doen het. (…). Ik heb dat wapen, ik heb naar binnen gekeken, je zag ook dat het echt eentje die al wat vuur heeft gezien en niet wat de AIVD gedaan heeft., buiten (ntv) dat is Aghi, we zijn goed (…) jij hebt het niet verkeerd. Uit deze opmerkingen van de verdachte wordt afgeleid dat hij kort daarvoor in het vakantiehuisje een ander vuurwapen heeft gecontroleerd – hetgeen steun vindt in de videobeelden uit dat huisje - en heeft vastgesteld dat dat wapen al was gebruikt. Hij concludeerde dat het niet door de AIVD was geprepareerd en dat “we goed zijn”. Daaruit leidde de verdachte af dat de wapens – waaronder ook de Glock die in zijn buiktasje zat – “het doen”. Ook het doorladen van de Glock voor de aanhouding duidt erop dat de verdachte veronderstelde dat het pistool werkte. Ondeugdelijke poging De vraag is of het trachten te schieten met een onklaar gemaakt vuurwapen door de verdachte die veronderstelde dat het vuurwapen zou werken een strafbare poging oplevert. Het hof stelt vast dat vier verdachten – waaronder de verdachte – in het vakantiehuisje van de politie-infiltranten training hebben gekregen in het gebruik van de Glock. Zij vroegen vervolgens aan de politie-infiltranten of zij de wapens in hun onmiddellijke [verdachte 1]jheid mogen houden om zich te kunnen verdedigen als de politie komt. Ook de verdachte hield de Glock binnen handbereik. Verder stelt het hof vast dat de Glock die de verdachte richtte op de DSI bestemd is “om projectielen door een loop af te schieten”. Het pistool was door de politie technisch aangepast zodat het niet mogelijk was scherpe patronen af te schieten. Deze technische aanpassing was met het blote oog niet waarneembaar. Na inbeslagname onder de verdachte heeft de politie vastgesteld dat een gevuld patroonmagazijn in het wapen aanwezig was en een patroon in de kamer zat. Het vuurwapen was gespannen. De verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen doorlaadde toen het busje stopte, maar het wapen het niet deed. Tegen deze achtergrond en in het bijzonder gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over de gedragingen van de verdachte tegenover de DSI – het doorladen van de Glock, het richten op de DSI en het overhalen van de trekker – oordeelt het hof dat de bewezenverklaarde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van moord althans doodslag (vgl. HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2761). Van een absoluut ondeugdelijke poging is geen sprake. 9.2.3 Voorbedachte rade Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Het hof overweegt dat uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden niet volgt dat de verdachte een plan had beraamd om een of meerdere politieambtenaren van het leven te beroven. Het gegeven dat hij op 18 september 2018 in het park zegt dat de (hand)vuurwapens ook bestemd zijn om zich te kunnen verdedigen als de politie komt, acht het hof onvoldoende om tot een andersluidend oordeel te komen. Hetzelfde geldt op gelijke gronden voor zijn opmerking op 27 september 2018 in het huisje in Weert dat zij de handvuurwapens binnen handbereik moeten leggen zodat zij zich kunnen verdedigen als de politie binnenvalt. De vraag waarvoor het hof zich vervolgens gesteld ziet, is, of de verdachte voorafgaand aan het gewelddadig handelen of tussen de elkaar opvolgende geweldshandelingen voldoende tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning heeft gehad. Het hof beantwoord deze vraag ontkennend, nu de onder 9.3.1 beschreven handelingen plaatsvonden in een tijdsbestek van in totaal 7 – 8 seconden. Het hof stelt dan ook vast dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het verweer van de raadsvrouw slaagt derhalve. De verdachte wordt vrijgesproken van de impliciet primair tenlastegelegde poging tot moord. 9.3 Conclusie De verweren van de verdediging worden, met uitzondering van het verweer over de voorbedachte rade, verworpen. Het onder 1 primair, 2, 3 en 4 impliciet subsidiair tenlastegelegde is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen. 10Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op: eendaadse samenloop van medeplegen van voorbereiding van moord en voorbereiding van opzettelijk brand stichten en/of ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en voorbereiding van opzettelijk brand stichten en/of ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, telkens begaan met een terroristisch oogmerk. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van zich opzettelijk middelen of inlichtingen verschaffen en kennis en vaardigheden verwerven tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. Het onder 4 impliciet subsidiair bewezenverklaarde levert op: poging tot doodslag, meermalen gepleegd. 11Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 12Motivering straf en maatregel Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich samen met vier medeverdachten schuldig gemaakt aan het voorbereiden van en trainen voor een grote terroristische aanslag op willekeurige slachtoffers in Nederland. Door de verdachten wordt in dit kader gesproken over festivals en feesten in de lhbt-sfeer. De verdachte is aanwezig geweest bij een aantal belangrijke bijeenkomsten die zagen op de voorbereiding van de aanslag. Bovendien is het de verdachte die tijdens de bijeenkomst in het vakantiehuisje in Weert zegt dat “ze zoiets willen doen als de broeders in Frankrijk hebben gedaan”. De verdachte heeft daarnaast deel uitgemaakt van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, voor een periode van ongeveer vier maanden. Ook heeft de verdachte in Weert, samen met drie medeverdachten, geoefend met Kalasjnikovs en (hand)vuurwapens en heeft hij daarnaast bomvesten gepast, waarmee hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het volgen en ondergaan van een training met het oog op het plegen van terroristische misdrijven. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een of meerdere leden van de DSI, nu hij vanuit het busje – terwijl hij de trekker van zijn wapen een aantal keer overhaalde - op hen gericht heeft. Dat de leden van de DSI niet zijn geraakt, is niet aan de verdachte te danken, maar aan het feit dat het onklaar gemaakt wapen betrof. De bewezenverklaarde feiten betreffen zeer ernstige misdrijven, hetgeen sterk meeweegt bij de bepaling van (de hoogte van) de straf. De internationale gemeenschap wordt met enige regelmaat geteisterd door terroristische aanslagen. Deze aanslagen worden gepleegd vanuit een intolerante religieuze ideologie, waarbij wordt geprobeerd de eigen opvatting op gewelddadige wijze aan anderen op te leggen en waarbij willekeurige slachtoffers ernstige vrees wordt aangejaagd. Dergelijke feiten dienen op krachtige wijze te worden bestreden. Vergelding en algemene preventie moeten bij de keuze van strafsoort en duur van de op te leggen straf voorop staan. Naar het oordeel van het hof kan daarom slechts worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Vergelijkbare zaken en de eis van het Openbaar Ministerie Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gekeken naar de hoogte van straffen in zaken die (enigszins) vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. Als uitgangspunt voor deelneming aan een terroristische organisatie, ongeacht de bewezenverklaarde periode, geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Daarnaast wordt in deze zaak voorbereiding van moord met een terroristisch oogmerk, training voor terrorisme en een poging doodslag bewezenverklaard. Voorts heeft het hof acht geslagen op de straf die het Openbaar Ministerie heeft geëist in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 impliciet primair tenlastegelegde, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest. Bescherming van de maatschappij Samenlevingen die worden geconfronteerd met terroristisch geweld dienen hiertegen te worden beschermd. Met grote inzet trachten overheden, waaronder de Nederlandse, zich dan ook daartegen te weren, onder andere door wetgeving in het leven te roepen waarbij wordt getracht terrorisme in de kiem te smoren door middel van strafbaarstellingen die zien op de fase voorafgaande aan het plegen van een terroristisch misdrijf waarin voorbereidende handelingen daartoe worden getroffen, zoals in het onderhavige onderzoek. Uittreksel Justitiële Documentatie Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 maart 2022, waaruit blijkt dat de verdachte in 2016 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren in verband met het plegen van voorbereidingshandelingen voor een terroristisch misdrijf. Nu dit vonnis nog niet onherroepelijk was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten zal het hof deze veroordeling niet in strafverzwarende zin meewegen. Ook is de verdachte in 2014 veroordeeld wegens het medeplegen van een poging doodslag op een politieambtenaar en het medeplegen van voorbereiding van een diefstal met geweld. Rapportages Het hof heeft acht geslagen op een reclasseringsrapport d.d. 3 juni 2020. Uit dit rapport volgt dat de verdachte reeds sinds 2014 bekend is bij hulpverleningsinstanties en dat tevergeefs is getracht zijn delictgedrag een halt toe te roepen. De zorg van de reclassering gaat met name uit naar de ideologie van de verdachte waarbij het gewelddadig salafisme uitgangspunt is. Zijn ideologische opvattingen en het gebrek aan zelfinzicht maken dat hij in potentie een risico vormt voor de nationale veiligheid. De reclassering schat in dat sprake is van een hoge kans op recidive. Het risico op het plegen van extremistisch geweld alsook op het onttrekken aan voorwaarden wordt tevens als hoog inschat. De reclassering adviseert aan de verdachte en maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking op te leggen, als bedoeld in de Wet langdurig toezicht. Voorts is er door het Pieter Baan Centrum een rapportage d.d. 5 maart 2020 omtrent de persoon van de verdachte opgemaakt. De verdachte heeft geweigerd hieraan medewerking te verlenen, waardoor het onderzoek beperkt is gebleven. Geconcludeerd is dat een aantal stoornissen kan worden uitgesloten. Een persoonlijkheidsstoornis kan niet worden uitgesloten, maar ook niet worden vastgesteld. De feiten dienen derhalve volledig aan de verdachte toegerekend te worden. Dit weegt niet mee in het voordeel van de verdachte. De omstandigheid dat geen inschatting gemaakt kan worden door het Pieter Baan Centrum van het risico op gewelddadig extremisme, vormt voor het hof een extra onderbouwing van het nut en de noodzaak van de maatregel van artikel 38z Sr, waarover hieronder meer. Uit het duidingsrapport d.d. mei 2020 volgt dat dat de verdachte is gevormd door gewelddadige salafistische predikers en concepten. Hij keurt de democratie af en erkent de legitimiteit van het Nederlandse rechtssysteem niet. Moslims die dit wel doen, beschouwt hij als afvalligen. Tevens volgt uit dit rapport dat hij geweld in Nederland als legitiem beschouwd, nu Nederland in zijn opvatting in oorlog is met de Islam. Hij geeft daarnaast blijk van steun aan alle extremistische (jihadistische) groeperingen omdat zij volgens hem een legitieme jihad nastreven. IS heeft daarbij zijn voorkeur. Ook heeft hij de intentie om als martelaar te sterven. Redelijke termijn Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu de berechting in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 16 maanden. De termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden nu tussen de datum van inverzekeringstelling van de verdachte op 27 september 2018 en de datum van het eindvonnis op 8 oktober 2020 meer dan 16 maanden is verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim 8 maanden. Voorts is de termijn van berechting in hoger beroep overschreden nu tussen de datum van het instellen van het hoger beroep op 12 oktober 2020 en de datum van dit eindarrest meer dan 16 maanden is verstreken, een termijnoverschrijding van bijna vier maanden. In plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren, met aftrek van voorarrest, zal het hof de verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen van de hierna in het dictum te vermelden duur. Maatregel artikel 38z Sr Ter terechtzitting in hoger beroep is door de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr zal worden opgelegd. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. Aan de verdachte wordt ter zake van de onderhavige strafbare feiten – misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of meer is gesteld - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Naar het oordeel van het hof is de oplegging van de maatregel in het belang van de veiligheid van andere personen en van goederen. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de ernst van de door de verdachte begane feiten zoals hierboven uiteengezet. De verdachte heeft deelgenome