Rolnummer: 22-002827-20 Parketnummer: 10-960184-18 Datum uitspraak: 7 juni 2022 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2020 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Vught, Nieuw Vosseveld Bijzondere Afdeling te Vught. Ter bevordering van de leesbaarheid van het arrest is hieronder een lijst van gebruikte afkortingen opgenomen. AIVD Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst AOT Afstemmingsoverleg Terrorisme CTIVD Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten DSI Dienst Speciale Interventies EVRM Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden LHBT Lesbisch Homoseksueel Biseksueel Transgender LOVJ Landelijk Officier van Justitie terrorismebestrijding, inlichtingen- en veiligheidsdiensten en WOD OVC Opname vertrouwelijke communicatie RC rechter-commissaris MIVD Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst Sr Wetboek van Strafrecht Sv Wetboek van Strafvordering Wiv 2002 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 Wiv 2017 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 WOD Werken onder Dekmantel Inhoudsopgave Het hof zal in dit arrest de volgende onderwerpen behandelen: Onderzoek van de zaak p. 3 Procesgang p. 3 Tenlastelegging p. 3 Gevoerde verweren p. 9 Inleiding 4.1 De infiltratie p. 11 Inleiding Het ambtsbericht van de AIVD Het voortraject Tussenconclusie 4.2 Parallel onderzoek door AIVD en Openbaar Ministerie p. 15 Beïnvloeding door het politieonderzoek Tussenconclusie Beïnvloeding opsporingsonderzoek Conclusie 4.3 Uitlokking p. 24 Inleiding Verslaglegging Conclusie Uitlokking politie-infiltrant Conclusie 5. Vordering van de advocaat-generaal p. 31 6. Het vonnis waarvan beroep p. 32 7. Vrijspraak p. 32 8. Bewezenverklaring p. 32 9. Bewijsvoering p. 34 10. Nadere (bewijs)overwegingen feiten 1 en 2 p. 35 Inleiding Feiten waarvan het hof uitgaat Vrijspraak feit 1 primair Medeplichtigheid voorbereidingshandelingen (feit 1 subsidiair) Nadere bewijsoverweging feit 2 11. Voorwaardelijk verzoek p. 46 12. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde p. 47 13. Strafbaarheid van de verdachte p. 47 14. Motivering straf en maatregel p. 47 15. Toepasselijke wettelijke voorschriften p. 51 16. Beslissing p. 51 1Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. 2Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opgelegd. Het verzoek tot schorsing dan wel opheffing van de voorlopige hechtenis is afgewezen. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. 3Tenlastelegging Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - tenlastegelegd dat: 1. primair hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 01 januari 2018 tot en met 27 september 2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het/de misdrijf/misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten: -moord (
(5), voor iedereen. (…) . Als, als ze, ze ze, toch, wat als onze Kalashnikov stopt. We hebben een kleine nodig. (…)Een kleine voor het geval dat, want wat er ook gebeurt, wij willen ons niet overgeven. (…) En heb je een vest? (…). En indien mogelijk... over een auto. Ze vroegen zich af hoe reëel het is met een auto. (…).Wat zij willen is een auto. Broeder, wij willen gewoon ..ntv... schade veroorzaken. Ok. Omdat we ons op een festival richten, weet je, na het festival en je hebt duizend mensen, wanneer we ons op het festival richten, zetten we ook een heel grote auto in een andere stad neer. En voordat we naar het festival gaan, blazen we die gewoon op en dan doen we in het festival. Ik zei je, en we verspreiden ons, weetje, we maken een soort van cirkel om het festival heen. Het is een open festival.” Bij de ontmoeting op 30 augustus 2018 heeft [verdachte 1] op de vraag van de politie-infiltrant: “heb je nog iets bekeken sinds de vorige keer, inzake evenementen?” geantwoord: “Dat is geen probleem. Broeder, er zijn er zo veel...” Waarop de politie-infiltrant zegt: “Dus als jij het zegt, we hebben een evenement gevonden in september, we hebben er eentje in oktober gevonden. Dus we weten, ok, het zal ergens in oktober zijn. En dan kun je iets vinden wat dichterbij is. Dan begin ik met voorbereiden van uhh...” Naar het oordeel van het hof blijkt uit de gesprekken tussen [verdachte 1] en de politie-infiltrant – die, met uitzondering van het gesprek op 18 september 2018, zijn opgenomen - dat het initiatief om een aanslag te plegen van [verdachte 1] komt. De politie-infiltrant maakt vanaf het eerste contact duidelijk dat het initiatief bij [verdachte 1] ligt en hij slechts kan faciliteren als [verdachte 1] aangeeft wat zijn concrete plannen zijn. [verdachte 1] ontvouwt die plannen vervolgens en de politie-infiltrant deelt mede wat hij kan regelen op het gebied van wapens en grondstoffen voor het maken van een bom. De politie-infiltrant is als beperkt anonieme getuige als bedoeld in artikel 190 lid 3 Sv bij de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft verklaard dat hij is gebriefd door de Nederlandse begeleiders. Er is hem gezegd dat hij niet mag provoceren of uitlokken. Hij heeft verder verklaard dat hij – voorzover hem bekend – [verdachte 1] nooit iets heeft aangeboden waar hij niet zelf om had gevraagd. [verdachte 1] vroeg om vuurwapens, om bomvesten en spullen om een autobom te maken. [verdachte 1] is op grond van het hiervoor overwogene naar het oordeel van het hof niet gebracht tot handelingen waarop zijn opzet niet al tevoren was gericht. De verdachte kan niet via [verdachte 1] zijn uitgelokt. Het hof overweegt nog het volgende. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte geen contact heeft onderhouden met Abu Musab, Abu Hajar of de politie-infiltrant Abu Hamza, maar hij desalniettemin is uitgelokt, ook in het geval het hof oordeelt dat [verdachte 1] niet is uitgelokt. Aan dit verweer van de raadsvrouw ligt ten grondslag de stelling dat sprake is geweest van een tussen de AIVD en het Openbaar Ministerie afgestemd onderzoek, waarin de betrokkenheid van de verdachte is geregisseerd. Nu die stelling – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – geen steun in het dossier vindt en ook overigens niet is gebleken wordt het verweer verworpen. Conclusie Het hof verwerpt het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 5Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde en ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts dient aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, te worden opgelegd. 6Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. 7Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, het pleidooi van de verdediging en zoals hieronder onder 10.3 nader gemotiveerd - behoort te worden vrijgesproken. 8Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. subsidiair [verdachte 1] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 5] op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 01 januari juni 2018 tot en met 27 september 2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het/de misdrijf/misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten: -moord (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 juncto 83 van het Wetboek van Strafrecht), en/of -het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is, zoals bedoeld in artikel 157 sub 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht, (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht), opzettelijk een of meer Kalasjnikov(s), althans een of meer automatisch(
- e)(vuur)wapen(
- s)en/of een of meer (hand)vuurwapen(
- s)en/of grondstoffen voor een of meer (auto)bom(men) en/of grondstoffen voor explosieven voor in een of meer bomvest(en), te weten: kunstmest en/of zoutzuur en/of waterstofperoxide en/of aceton, bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, hebben/heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden hebben/heeft gehad, tot en/of bij het plegen van welk(
- e)misdrijf(ven) verdachte op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 01 januari juni 2018 tot en met 27 september 2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, door - daarvoor financiële middelen ter beschikking te stellen, en/of - voornoemde [verdachte 1] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 5] te vervoeren naar en/of te vergezellen bij bijeenkomsten/gesprekken die daarover gingen, en/of - voornoemde [verdachte 1] te vervoeren naar en/of te assisteren en/of te vergezellen bij het ophalen van de genoemde kunstmest; 2. primair hij in of omstreeks de periode van 01 januari juni 2018 tot en met 27 september 2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland, met een of meer mededader(s), waaronder (in elk geval) [verdachte 1] (geboren op [geboortedag] 1984) en/of [verdachte 2] (geboren op [geboortedag] 1997) en/of [verdachte 3] (geboren op [geboortedag] 1997) en/of [verdachte 5] (geboren op [geboortedag] 1997) en/of [verdachte 4] (geboren op [geboortedag] 1992), heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, namelijk A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (
- te)begaan nmet een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht), en/of B. doodslag (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht), en/of C. moord (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 juncto 83 van het Wetboek van Strafrecht), en/of D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176b en/of 289a en/of 96 lid 2), en/of E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie) (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie). Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. 9Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. 10Nadere (bewijs)overwegingen feiten 1 en 2 Inleiding De verdachte wordt -kort samengevat- in verschillende varianten verweten: betrokkenheid bij de voorbereiding tot moord en/of opzettelijke brandstichting en/of een ontploffing teweeg brengen met terroristisch oogmerk (feit 1); deelname (in enigerlei vorm) aan een organisatie met een terroristisch oogmerk (feit 2). De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot, kort gezegd en in de samenvatting van het Openbaar Ministerie, bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan het voorbereiden van moord met een terroristisch oogmerk en het onder 2 primair tenlastegelegde deelnemen aan een terroristische organisatie. De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak van beide tenlastegelegde feiten bepleit. Feiten waarvan het hof uitgaat Bij de beoordeling van het voorhanden zijnde bewijs ten aanzien van de eventuele betrokkenheid van de verdachte bij het onder 1 tenlastegelegde acht het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden van belang die zijn vastgesteld op basis van het dossier en op grond van het onderzoek ter terechtzitting: de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard ervan op de hoogte te zijn geweest dat de medeverdachte [verdachte 1] eerder veroordeeld is wegens een terroristisch misdrijf. Op 5 juli 2018 heeft [verdachte 1] de politie-infiltrant Abu Hamza ontmoet in Arnhem. In dit gesprek vertelt [verdachte 1] dat hij staat te popelen om iets te ondernemen, om een aanslag te plegen die grote schade zou veroorzaken. Aanvankelijk, ongeveer een jaar geleden, waren er negen broeders die iets wilden doen, iets groots voor de Islam. Nu willen hij en twee andere kerels een aanval uitvoeren. - Op 6 juli 2018 spreekt [verdachte 1] met de verdachte in de woning van [verdachte 1] te [plaatsnaam 1] en op het daarbij behorende balkon. Tijdens dit gesprek zegt [verdachte 1] onder meer: “was echt die moment gekomen... uhhh ik had heel lang gesolliciteerd, gisteren was die moment gekomen om uh.. hij heeft me uitgenodigd ... dus kom, ik bel wel als ik jullie zie. ...ntv.. ik neem niemand., ntv... behalve u. ..ntv... Ik wilde, ik wilde eerst naar broeders bellen om met me mee te gaan, wie doet mee …” - [ [verdachte 1] en de verdachte rijden op 14 juli 2018 naar Vlaardingen waar zij de medeverdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] ontmoeten. - Op 16 juli 2018 verzendt [verdachte 1] een e-mail aan Abu Hamza. Dezelfde dag bezoekt de verdachte [verdachte 1] in zijn woning. Tussen 00.23 en 01.23 fietsen zij met een onbekende derde man in [plaatsnaam 1]. - Op 24 juli 2018 verzendt [verdachte 1] een e-mail aan Abu Hamza. Deze e-mail houdt voor zover van belang in: “we are now 5. Im bust with sixth, but for now we focus on the 5 guys.” - Op 12 augustus 2018 ontmoeten Abu Hamza en [verdachte 1] elkaar in Utrecht. [verdachte 1] vertelt onder meer dat de groep die de aanslag wil plegen uit vijf personen bestaat, inclusief hijzelf. Hij wil Kalasjnikovs, bomvesten, granaten, kleine wapens en een autobom gebruiken op een festival. Tijdens deze ontmoeting volgen [verdachte 2] en [verdachte 3] op een afstand [verdachte 1] en Abu Hamza. - Op 29 augustus 2018 bevinden de verdachte, [verdachte 4], [verdachte 5] en [verdachte 2] zich met [verdachte 1] in de woning van [verdachte 1]. Tijdens dit bezoek loopt [verdachte 1] naar een andere kamer en belt met Abu Hamza. [verdachte 1] en Abu Hamza maken een afspraak voor de volgende dag. Hierna vertrekken de anderen successievelijk, de verdachte als laatste. - Op 30 augustus 2018 reist [verdachte 1] met de verdachte en [verdachte 6] (hierna: [verdachte 6]) naar Utrecht. Na het parkeren van de auto in Utrecht vraagt [verdachte 6] “Waar gaan we heen?” De verdachte antwoordt dat ze moeten parkeren en de stad in kunnen gaan. Op enig moment schudden de verdachte en [verdachte 6] de hand van Abu Hamza tijdens de ontmoeting van [verdachte 1] met Abu Hamza. In afwezigheid van de verdachte en [verdachte 6] vertelt [verdachte 1] aan Abu Hamza dat de verdachte wel de wil heeft om een aanslag te plegen, maar nog niet overtuigd is om dat nu met [verdachte 1] te doen. De verdachte zal degene zijn die na een geslaagde aanslag van [verdachte 1] mogelijk geïnteresseerd is om het contact met Abu Hamza over te nemen om een nieuwe aanslag voor te bereiden. Verder zegt [verdachte 1] dat hij liever vijf man heeft die wilskrachtig zijn dan 500 die onzeker zijn. In dit gesprek komen verder de voorbereiding van een aanslag, het trainen met wapens en het maken van een bom aan de orde. Op de terugweg vanuit Utrecht met de verdachte en [verdachte 6] zegt [verdachte 1]: “ik hoop dat mijn nieuwe simkaart binnen is. (…) ik sta voor een paar goeie uitdagingen binnenkort.” Ook zegt [verdachte 1] tegen de verdachte dat hij een nieuwe, schone telefoon nodig heeft die ook WhatsApp moet hebben.” - Op 31 augustus 2018 om 22.38 uur vertrekken [verdachte 1] en de verdachte uit [plaatsnaam 1]. Bij vertrek zegt [verdachte 1] tegen de verdachte dat hij tegen [verdachte 3] (het hof begrijpt: [verdachte 3]) moet zeggen dat hij [verdachte 2] (het hof begrijpt: [verdachte 2]) moet bellen. De verdachte vraagt of [verdachte 2] ook moet komen. [verdachte 1] zegt dat [verdachte 3] het wel weet, dat de verdachte gewoon moet bellen. Rond middernacht arriveren [verdachte 1] en de verdachte bij de woning waar [verdachte 3] verbleef op de [adres verdachte 3]. Omstreeks 00.55 uur op 1 september 2018 komen [verdachte 1], de verdachte, [verdachte 2] en [verdachte 3] naar buiten lopen. De vier mannen gaan met de auto naar de Zwart Jansstraat in Rotterdam. Volgens de verdachte hebben ze daar een fastfood restaurant bezocht. Rond 02.00 uur vertrekken [verdachte 1] en de verdachte vanaf de woning van [verdachte 3] in [plaatsnaam 2] naar [plaatsnaam 1]. - Op 7 september 2018 belt [verdachte 1] naar de verdachte en vraagt of de verdachte iets te doen heeft. [verdachte 1] haalt de verdachte vervolgens op. De verdachte heeft ter terechtzitting van 29 maart 2022 verklaard dat [verdachte 1] zegt dat hij speciale mest moet ophalen voor zijn broertje. [verdachte 1] rijdt met de verdachte naar de Mediamarkt in Breda. [verdachte 1] loopt de Mediamarkt in, opent een kluis met een code en pakt een tas met daarin een autosleutel uit de kluis. [verdachte 1] loopt ongeveer een kwartier over de parkeerplaats, vindt een bestelauto en opent de achterdeuren van deze bestelauto met de sleutel uit de kluis. De verdachte parkeert de auto van [verdachte 1] achter de bestelauto. [verdachte 1] pakt meerdere zakken uit de laadruimte van de bestelauto en plaatst deze in de kofferbak van zijn auto. De verdachte parkeert de auto van [verdachte 1]. De verdachte en [verdachte 1] lopen de Mediamarkt weer in. [verdachte 1] heeft de sleutel teruggelegd in dezelfde kluis en daarbij dezelfde code gebruikt. Voor vertrek bericht [verdachte 1] aan Abu Hamza dat hij het heeft en dat de sleutel in dezelfde kluis met dezelfde code terug is. - Op de terugweg naar [plaatsnaam 1] leest de verdachte in de auto het volgende bericht van Abu Hamza aan [verdachte 1] via Telegram letterlijk voor: "Allahu akbar akhi! lm happy to hear it went good and so quickly. Smart idea using the same locker and code. Ill message you again soon inshaAllah." [verdachte 1] reageert door te zeggen: “Zeg maar, okay see you soon". Via de telefoon van [verdachte 1] wordt door de verdachte om 16.07 uur per Telegram aan Abu Hamza bericht: “YazakAllahu ghiar. I see jou soon inshaAllah" Om 16.09 uur schrijft Abu Hamza aan [verdachte 1]: Insha Allah". Omstreeks 17.03 uur is op de OVC van de Peugeot te horen dat [verdachte 1] een bericht in het Engels dicteert aan de verdachte. De verdachte moet van [verdachte 1] schrijven dat de dingen goed gaan en ze een stap dichter bij hun plan zijn. - Bij de woning van [verdachte 1] parkeert [verdachte 1] de auto bij de ingang naar de berging. De verdachte gaat de ingang van de berging in en [verdachte 1] loopt met de zakken naar de berging, waar zij later ook zijn aangetroffen. - Op 17 september 2018 heeft [verdachte 1] een fysieke ontmoeting met Abu Hamza in Arnhem. Tijdens de ontmoeting zegt [verdachte 1] tegen Abu Hamza dat de groep met wie hij een aanslag wil plegen Abu Hamza wil ontmoeten. Hij zal die avond met de groep bespreken of ze Abu Hamza op 18 september 2018 willen ontmoeten. [verdachte 1] legt geen contact met de verdachte, maar wel met anderen. - Op 18 september 2018 stelt [verdachte 1] de medeverdachten [verdachte 3], [verdachte 5], [verdachte 2] en [verdachte 4] voor aan Abu Hamza in een park in Arnhem. Afgesproken wordt binnenkort samen te komen om te oefenen. Abu Hamza vraagt of de mannen hetzelfde willen als [verdachte 1]. De vier mannen antwoorden ja. - Op 20 september 2018 ontmoeten [verdachte 5], [verdachte 4], [verdachte 2] en [verdachte 3] elkaar in Rotterdam. - Op 21 september 2018 bericht Abu Hamza via Telegram aan [verdachte 1] dat de ontmoeting op 27 september zal plaatsvinden. [verdachte 1] antwoordt met de tekst: “Clear”. - Op 22 september 2018 laat [verdachte 1] aan Abu Hamza weten dat hij “hen” vandaag of morgen ziet. - Diezelfde dag, tussen 20.00 uur en 21.15 uur, zijn [verdachte 1], de verdachte, [verdachte 2] en [verdachte 3] bij elkaar in de woning aan [adres verdachte 3], zijnde het verblijfadres van [verdachte 3]. Kort nadat [verdachte 1] en de verdachte zijn vertrokken, komt [verdachte 5] aan bij de portiek in [straat verdachte 3]. - Op 27 september 2018 gaan [verdachte 1], [verdachte 3], [verdachte 2] en [verdachte 5] naar het vakantiehuisje in Weert, waar ze Abu Hamza en een andere politie-infiltrant ontmoeten en waar geoefend wordt met (onklaar gemaakte) wapens. Vrijspraak feit 1 primair Bij de beoordeling van het voorhanden zijnde bewijs valt allereerst op dat de verdachte, anders dan de medeverdachten, niet aanwezig is geweest bij de belangrijke bijeenkomsten, te weten in een park in Arnhem op 18 september 2018 en in het vakantiehuisje in Weert op 27 september 2018. Mede bezien in het licht van de omstandigheid dat [verdachte 1] vanaf 24 juli 2018 consequent spreekt over vijf daders, inclusief hemzelf (het hof begrijpt: [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 3], [verdachte 5] en [verdachte 4]), acht het hof, evenals het Openbaar Ministerie en de verdediging, het medeplegen van het onder 1 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Medeplichtigheid voorbereidingshandelingen (feit 1 subsidiair) Het hof stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf, zoals tenlastegelegd onder 1 subsidiair, vereist is dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader(
- s)te plegen misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader(
- s)verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht. Ingeval het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het gronddelict, moet het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband houden met het gronddelict. Of van een dergelijk verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Doorgaans kan worden aangenomen dat dit verband bestaat indien het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Maar ook in andere gevallen, waarbij zowel de aard van het gronddelict als de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang zijn, kan sprake zijn van een dergelijk verband. Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [verdachte 1] vanaf in ieder geval 5 juli 2018 voornemens is geweest een aanslag te plegen/een aanval te doen/iets groots voor de Islam te doen. Hij wil dit op dat moment doen met twee andere personen. Vanaf 24 juli 2018 geeft hij aan dit te willen doen met vijf personen, inclusief hemzelf. Dit aantal door hem genoemde (mede)daders blijft vanaf dat moment gelijk tot en met 27 september 2018. Wel is [verdachte 1] nog bezig met een zesde persoon, maar daar ligt niet de focus op, zoals blijkt uit de tekst van de door [verdachte 1] geschreven e-mail van 24 juli 2018. De tekst van de e-mail impliceert dat hierover met deze zesde persoon gesproken is en dat deze persoon gevraagd is een standpunt te bepalen. Naar het oordeel van het hof is de verdachte deze zesde persoon. Het hof leidt dit af uit het gesprek op 6 juli 2018 tussen [verdachte 1] en de verdachte, waarin [verdachte 1] in, naar het hof begrijpt, versluierde taal de verdachte vertelt dat hij heel lang gesolliciteerd heeft, dat hij nu is uitgenodigd en dat [verdachte 1] naar de broeders wil bellen om te vragen met hem mee te gaan. [verdachte 1] neemt hiermee naar het oordeel van het hof de verdachte vanaf het eerste begin in vertrouwen over zijn plannen. Dat de verdachte deze zesde persoon is, leidt het hof voorts af uit de omstandigheid dat de verdachte aanwezig is bij de ontmoetingen tussen [verdachte 1] en, in wisselende samenstelling, [verdachte 2], [verdachte 3], [verdachte 5] en [verdachte 4] op respectievelijk 14 juli 2018, 29 augustus 2018, 31 augustus 2018 en 22 september 2018. Het hof wijst er daarbij op dat deze laatste datum gelegen is kort na de ontmoeting in het park op 18 september 2018, na de communicatie tussen [verdachte 1] en Abu Hamza, en kort voor de wapentraining op 27 september 2018. Het hof leidt uit de aanwezigheid van de verdachte bij al deze bijeenkomsten af dat men de verdachte in vertrouwen blijft nemen en blijft meenemen in de ontwikkelingen. Het hof neemt zonder meer aan dat men het gezellig had met elkaar (zoals ook bleek uit de interactie tussen de verdachten en de getuigen ter terechtzitting), maar de stelling dat men louter voor de gezelligheid bij elkaar kwam en dat deze bijeenkomsten niets te maken hadden met de tenlastegelegde feiten schuift het hof als voltrekt ongeloofwaardig terzijde. Ook de opmerking van [verdachte 1] richting Abu Hamza op 30 augustus 2018 dat de verdachte, die kort tevoren de hand van Abu Hamza heeft geschud, wel de wil heeft om een aanslag te plegen, maar nog niet overtuigd is om dat nu met [verdachte 1] te doen, bevestigt dat de verdachte deze zesde persoon is van wie op 24 juli 2018 gezegd wordt dat hij er nog niet klaar voor is om op dat moment een aanslag te plegen. Gegeven de gebeurtenissen op 18 en 27 september 2018 en de data waarop de ontmoetingen/communicatie met Abu Hamza plaatsvond(en), is het hof van oordeel dat de ontmoetingen en gesprekken op 14 juli 2018, 29 augustus 2018, 31 augustus 2018 en 22 september 2018 van de verdachte met [verdachte 1] en, in wisselende samenstelling, [verdachte 2], [verdachte 3], [verdachte 5] en [verdachte 4] (mede) plaatsvonden in het kader van de door hen te plegen aanslag. Naar het oordeel van het hof weet de verdachte dat [verdachte 1] het voornemen heeft een aanslag te plegen. De verdachte is ervan op de hoogte dat [verdachte 1] eerder veroordeeld is wegens een terroristisch misdrijf. Daags na de eerste ontmoeting tussen Abu Hamza en [verdachte 1] op 5 juli 2018 wordt de verdachte door [verdachte 1] in vertrouwen genomen over deze ontmoeting. Deze wetenschap van de verdachte vindt bevestiging in de opmerkingen van [verdachte 1] op 30 augustus 2018, op de terugweg vanuit Utrecht met de verdachte en [verdachte 6], dat hij hoopt dat zijn nieuwe simkaart binnen is en dat hij voor een paar goeie uitdagingen binnenkort staat. Bovendien zegt [verdachte 1] tijdens die autorit tegen de verdachte dat hij een nieuwe, schone telefoon nodig heeft die ook WhatsApp moet hebben. Deze opmerkingen hebben alleen betekenis als de persoon tot wie ze gericht zijn kennis draagt van de achterliggende redenen waarom [verdachte 1] voor een paar goeie uitdagingen staat, als ook waarom een nieuwe simkaart en een schone telefoon met WhatsApp nodig zijn. Het hof leidt uit dit samenstel van feiten en omstandigheden af dat de verdachte vanaf 6 juli 2018, maar in ieder geval vanaf 24 juli 2018 ervan op de hoogte is dat [verdachte 1] een aanslag wil plegen. De verdachte heeft ter terechtzitting op 29 maart 2022 erkend dat [verdachte 1] voor het vertrek naar Breda op 7 september 2018 verteld heeft dat zij “speciale mest” gingen ophalen. Dat de verdachte zich op dit punt vergist heeft, zoals de raadsvrouw betoogt, is niet aannemelijk geworden. [verdachte 1] en de verdachte reizen vervolgens vanuit [plaatsnaam 1] naar Breda om bij de Mediamarkt, een winkel gespecialiseerd in elektronica, speciale mest op te halen. Wanneer [verdachte 1] vervolgens in de Mediamarkt in Breda een kluisje opent met een code, uit het kluisje een tas met daarin een sleutel pakt, een kwartier over de parkeerplaats van de Mediamarkt loopt en met de sleutel uit het kluisje de deuren van een bestelbusje opent, moeten werkelijk alle alarmbellen bij de verdachte zijn gaan rinkelen gelet op deze ongewone gang van zaken. Niet is gebleken dat de verdachte op enig moment enige opmerking heeft gemaakt over de gang van zaken richting [verdachte 1]. Ter terechtzitting in hoger beroep op 29 maart 2022 heeft de verdachte hierover verklaard: “Ik vond dat zeker niet normaal. Opvallend. Wat moest ik op dat moment doen? Ik kon doorvragen. Wat is dit allemaal? Hij kon antwoorden geven of niks zeggen. Ik dacht ik krijg dingen te weten die ik niet wil weten waar ik misschien strafbaar voor ben. (…) Ik wist op dat moment niet wat ik wilde doen. (…) Of ik kan doorvragen of ik kan zwijgen en thuiskomen en er niet meer over hebben. (…) Ik vond het raar. Apart. Het had iets waar ik de vinger niet op kon leggen. (…) Het zag er niet normaal uit, iets uit een auto halen, in een andere auto, naar kluisjes in Mediamarkt. Ik dacht: ik kan beter mijn mond houden.” Gegeven de wetenschap van de verdachte van de plannen van [verdachte 1] om een aanslag te plegen, zoals hiervoor uiteengezet, kan het niet anders dan dat de verdachte vanaf het moment dat [verdachte 1] de deuren van de bestelbus opende met de sleutel uit de kluis zich gerealiseerd heeft dat de ‘speciale mest’ opgehaald werd ten behoeve van de te plegen aanslag. De verdachte onttrekt zich niet aan de gebeurtenissen door het parkeerterrein te verlaten en naar huis te reizen, laat staan er een verwonderingsvraag over te stellen, maar haalt integendeel vervolgens de Peugeot van [verdachte 1] op en zet [verdachte 1]’s auto achter de bestelbus stil. Nadat [verdachte 1] zakken met inhoud heeft overgeladen, parkeert de verdachte de auto van [verdachte 1] elders op het parkeerterrein. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte [verdachte 1] heeft vergezeld wetend dat zij ‘speciale mest’ gingen halen, dat op het parkeerterrein de gedachte opkwam bij de verdachte dat hij zich in een strafrechtelijk relevante situatie bevond, dat hij zich heeft gerealiseerd dat de ‘speciale mest’ werd opgehaald ten behoeve van een te plegen aanslag en dat hij vervolgens daadwerkelijk handelingen heeft verricht ten behoeve van het ophalen van de kunstmest door de auto van [verdachte 1] twee keer te verplaatsen. Nadat de verdachte rond 16.00 uur Engelstalige berichten van Abu Hamza aan [verdachte 1] via Telegram over de sleutel en de kluis heeft voorgelezen, is omstreeks 17.03 uur op de OVC van de Peugeot te horen dat [verdachte 1] een bericht in het Engels dicteert aan de verdachte. De verdachte moet van [verdachte 1] schrijven dat de dingen goed gaan en ze een stap dichter bij hun plan zijn. Het hof leidt hieruit af dat er voor de verdachte een duidelijk verband moet zijn geweest tussen de bijzondere gang van zaken rond het ophalen van de speciale mest, de buitenlandse contactpersoon en het plan van [verdachte 1]. Uit de OVC-gesprekken blijkt niet van enige verbazing over de inhoud van deze Engelstalige (en niet Nederlandstalige) berichten bij de verdachte. Het hof ziet ook dit als bewijs van de omstandigheid dat de verdachte al geruime tijd voor 7 september 2018 op de hoogte is van de aard van het plan van [verdachte 1] en zich bovendien ten tijde van de door hem verrichte verplaatsingen van de auto van [verdachte 1] op het parkeerterrein realiseerde dat hij [verdachte 1] hielp bij de uitvoering van zijn plan een aanslag te plegen. Tevens ziet het hof het voorlezen van deze berichten en het typen van het Engelstalige bericht als uitvoeringshandelingen in het kader van het ophalen van de kunstmest. Aldus heeft de verdachte deze handelingen op dat moment verricht met het voor de bewezenverklaring vereiste dubbel opzet. Dit vindt bevestiging in de omstandigheid dat het vanaf 17.03 uur op 7 september 2018 later die dag voor de verdachte een zekerheid was geworden dat het ophalen van de speciale mest plaats had gevonden ten behoeve van het plan van [verdachte 1]. Desondanks loopt hij de berging van de woning van [verdachte 1] in, waar de speciale mest wordt opgeslagen. Hij distantieert zich niet, zoals ook blijkt uit zijn aanwezigheid bij de bijeenkomst bij [verdachte 3] in [plaatsnaam 2] op 22 september 2018. De kennis dat met kunstmest van een bepaalde samenstelling bommen gemaakt kunnen worden is dermate algemeen geworden dat de wetgever in 2016 ervoor gekozen heeft de illegale vervaardiging van explosieven tegen te gaan met de Wet van 25 mei 2016, houdende regels met betrekking tot het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven (Wet precursoren voor explosieven), geldend vanaf 1 juni 2016 en nadien aangescherpt en tot op heden geldend recht. Deze wet staat eraan in de weg dat [verdachte 1], dan wel de verdachte of een van de andere medeverdachten, zonder vergunning de beschikking zouden krijgen over ‘speciale mest’, bruikbaar voor het vervaardigen van een bom. Ook de verdachte moet geacht worden te weten dat van (ingrediënten van) kunstmest bommen vervaardigd kunnen worden, dat dit in strijd is met de wet en dat het voorhanden krijgen van dat soort ingrediënten, niet op de wijze waarop dat in dit geval gebeurd is, op legale wijze kan plaatsvinden. Het plegen van een aanslag met behulp van een bom, gemaakt van ingrediënten mede afkomstig uit kunstmest, is een terroristische aanslag, aangezien een dergelijke aanslag ertoe strekt de bevolking of een deel van de bevolking ernstige vrees aan te jagen. Een dergelijke aanslag beoogt een ontploffing, brand, dood, levensgevaar en/of verwondingen. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte zowel opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn bij als opzet op het voorbereiden van, kort gezegd, een aanslag met een terroristisch oogmerk. Nadere bewijsoverweging feit 2 Het hof stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het hof gaat uit van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde voor zover het betreft het assisteren bij het ophalen van kunstmest. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte gedurende de gehele periode vaak aanwezig is geweest bij bijeenkomsten zowel in [plaatsnaam 1], als in [plaatsnaam 3] en [plaatsnaam 2] en dat hierin geen verandering komt wanneer de verdachte definitief niet tot deze beoogde aanslagplegers behoort. De verdachte is op 16 juli 2018 meegegaan met een nachtelijke fietstocht van [verdachte 1] en een onbekende door [plaatsnaam 1]. Op 29 augustus 2018 verlaat de verdachte als laatste de woning van [verdachte 1]. Ook in de nacht van 31 augustus op 1 september 2018 gaat de verdachte mee eerst naar de [straat verdachte 3] en vervolgens naar de Zwart Jansstraat in Rotterdam met [verdachte 1], [verdachte 3] en [verdachte 2]. De omstandigheid dat de verdachte op 18 september 2018 niet aanwezig is geweest bij de ontmoeting in het park en op 27 september 2018 niet aanwezig zal zijn in Weert, staat er niet aan in de weg dat hij wel aanwezig is bij de bijeenkomst op 22 september 2018 in Rotterdam, die plaats vindt in aansluiting op voorafgaand contact tussen [verdachte 1] en Abu Hamza. Dit alles bevestigt dat hij volledig vertrouwd wordt en meegenomen wordt in de ontwikkeling van de plannen. Gezien de frequentie van de bijeenkomsten, de locaties waar de bijeenkomsten plaats vinden, de aanwezige personen, de nachtelijke ommetjes die gemaakt worden en de opeenvolging van contacten met Abu Hamza enerzijds en bijeenkomsten anderzijds acht het hof op basis van de uiterlijk waarneembare verschijningsvorm van dit alles bewezen dat deze bijeenkomsten plaats vonden ter verwezenlijking van het doel van de criminele organisatie, te weten het plegen van een aanslag op een festival in de lhbt-sfeer. Het verweer dat deze bijeenkomsten alleen met het oog op de gezelligheid plaatsvonden schuift het hof als ongeloofwaardig terzijde. De verdachte heeft dit samenwerkingsverband en het doel daarvan daadwerkelijk ondersteund door [verdachte 1] te helpen bij het ophalen van de kunstmest op 7 september 2018. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een op het plegen van een terroristische aanslag gericht samenwerkingsverband en dat hij daarnaast ook gedragingen heeft ondersteund die verband hielden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk. Daarom is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr. 11Voorwaardelijk verzoek Tot slot heeft de raadsvrouw bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek gedaan. Indien het hof niet tot een vrijspraak van de tenlastegelegde feiten komt en het hof niet aanneemt dat er sprake is geweest van uitlokking/ongewenste beïnvloeding/gebrekkige verslaglegging van het afgestemde onderzoek dan verzoekt de verdediging de in de pleitaantekeningen onder punt 137, pagina 52, opgesomde getuigen te (doen) horen over de aldaar vermelde punten. De voorwaarde waaronder de verzoeken zijn gedaan, is vervuld, zodat het hof toekomt aan de beoordeling daarvan. Het verzoek tot het horen als getuige van Abu Hajar en Abu Musab wordt door het hof afgewezen. De verdachte heeft nimmer fysiek of digitaal enige vorm van contact gehad met deze personen. Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2021 is vastgesteld dat het contact tussen de verdachte [verdachte 1] enerzijds en Abu Hajar en Abu Musab anderzijds alleen schriftelijk in de zin van berichtenwisselingen via Facebook, Telegram en/of e-mail heeft plaats gevonden. Onder deze omstandigheden is de verdachte niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad door het niet horen van deze getuigen. Het verzoek tot het horen als getuige van B2871 en B2882 wordt door het hof afgewezen op de gronden vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 juni 2021, blz. 29 onder randnummer 8. Het verzoek tot het horen van de AIVD-medewerkers die betrokken waren bij het overleg met de politie-infiltrant wordt afgewezen. De WOD-begeleider B2870 is reeds, in aanwezigheid van de verdediging, uitvoerig gehoord door de rechter-commissaris en de verdediging heeft deze getuige kunnen bevragen. Bovendien is de Landelijk Officier van Justitie terrorismebestrijding, inlichtingen- en veiligheidsdiensten en WOD mr. B den Hartigh als getuige zeer uitvoerig gehoord door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging en heeft de verdediging hem ook kunnen bevragen. Gelet hierop, gelet op het stadium van het proces waarin het verzoek wordt gedaan en de onderbouwing van het verzoek, acht het hof het niet noodzakelijk de AIVD-medewerkers als getuige te horen. Het hof tekent hierbij aan dat toepassing van het zogeheten verdedigingscriterium niet tot een andere afweging en uitkomst zou hebben geleid. 12Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde levert op: de voortgezette handeling van medeplichtigheid tot medeplegen van voorbereiding van moord en van opzettelijk brand stichten en/of ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is begaan met een terroristisch oogmerk en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. 13Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 14Motivering straf en maatregel Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten De verdachte heeft deel uitgemaakt van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, voor een periode van ongeveer vier maanden Daarbij heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het behulpzaam zijn van anderen bij hun voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van moord en het opzettelijke brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen met een terroristisch oogmerk, te weten een aanslag op een grote groep mensen in Nederland. De medeverdachten hadden een festival in de lhbt-sfeer, zoals de Gay Pride, in gedachten als potentieel doelwit voor de aanslag. Zij wilden hierbij zoveel mogelijk slachtoffers maken als mogelijk was en hadden daar Kalasjnikovs, een autobom en vesten met explosieven voor nodig. Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven dient op krachtige wijze te worden tegengegaan. Vergelding en algemene preventie moeten bij de keuze van strafsoort en duur van de op te leggen straf voorop staan. Naar het oordeel van het hof kan daarom slechts worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Vergelijkbare zaken en de eis van het Openbaar Ministerie Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gekeken naar de hoogte van straffen in zaken die enigszins vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. Als uitgangspunt voor deelneming aan een terroristische organisatie, ongeacht de bewezenverklaarde periode, geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Voor dit feit zal het hof - nu de rol van de verdachte tamelijk beperkt was - een lagere straf dan zes jaren rekenen. Daarnaast heeft de verdachte zich ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde schuldig gemaakt aan medeplichtigheid tot medeplegen van de voorbereidingshandelingen. Dit is strafverhogend. In strafverhogende zin weegt voorts mee dat, indien een aanslag, gepleegd door anderen, zou hebben plaatsgevonden, deze veel slachtoffers zou hebben gemaakt. Dat deze aanslag geen doorgang heeft gevonden, is te danken aan het optreden van politie en justitie. Dit alles maakt dat het hof in beginsel aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren zal opleggen. Bescherming van de maatschappij Samenlevingen die worden geconfronteerd met terroristisch geweld dienen hiertegen te worden beschermd. Met grote inzet trachten overheden, waaronder de Nederlandse, zich dan ook daartegen te weren, onder andere door wetgeving in het leven te roepen waarbij wordt getracht terrorisme in de kiem te smoren door middel van strafbaarstellingen die zien op de fase voorafgaande aan het plegen van een terroristisch misdrijf waarin voorbereidende handelingen daartoe worden getroffen, zoals in het onderhavige onderzoek. Uittreksel Justitiële Documentatie Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 maart 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, zij het zeer geruime tijd geleden (in 2008) onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit, maar niet eerder voor soortgelijke feiten. Rapportages Tot slot heeft het hof acht geslagen op het Reclasseringsadvies van 23 maart 2020 en op het Reclasseringsadvies van 28 maart 2019. Uit het reclasseringsrapport van 23 maart 2020 blijkt dat gesteld kan worden dat het sociaal netwerk van de verdachte een risico vormt, gezien zijn contacten met de medeverdachten waarvan enkelen eerder zijn veroordeeld voor een misdrijf met een terroristisch oogmerk. Doordat de verdachte slechts gedeeltelijk openheid van zaken geeft kan de reclassering geen uitspraken doen over de risico’s op extremistisch geweld. Het risico op recidive wordt door OXREC, een actuarieel instrument dat het risico op algemene- en geweldsrecidive binnen twee jaar meet, als laag ingeschat. Ook heeft het hof acht geslagen op de Rapportage Pro Justitia van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum, opgemaakt door (onder andere) D.C.W.H. Naus, psychiater en A. Witvliet, GZ-psycholoog d.d. 5 maart 2020. Uit dit rapport komt naar voren dat de verdachte het onderzoek heeft geweigerd. Door een gebrek aan informatie kunnen de gedragsdeskundigen geen valide uitspraak doen over het risico van gewelddadig extremisme bij de verdachte. Ook is het niet mogelijk om een inschatting te maken van het gevaar van herhaling van soortgelijke feiten als de tenlastegelegde gerelateerd aan eventuele psychopathologie. Dit weegt niet mee in het voordeel van de verdachte. De omstandigheid dat geen inschatting gemaakt kan worden door het Pieter Baan Centrum van het risico op gewelddadig extremisme, vormt voor het hof een extra onderbouwing van het nut en de noodzaak van de maatregel ex artikel 38z Sr, waarover hieronder meer. Redelijke termijn Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu de berechting in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 16 maanden. De termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden nu tussen de datum van inverzekeringstelling van de verdachte op 27 september 2018 en de datum van het eindvonnis op 8 oktober 2020 meer dan 16 maanden is verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim 8 maanden. Voorts is de termijn van berechting in hoger beroep overschreden nu tussen de datum van het instellen van het hoger beroep op 19 oktober 2020 en de datum van dit eindarrest meer dan 16 maanden is verstreken, een termijnoverschrijding van bijna vier maanden. In deze geconstateerde overschrijdingen van de redelijke termijn ziet het hof aanleiding om de op te leggen gevangenisstraf te verminderen. In plaats van de overwogen gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, zal het hof de verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen van de hierna in het dictum te vermelden duur. Maatregel artikel 38z Sr Ter terechtzitting in hoger beroep is door de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr zal worden opgelegd. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. Aan de verdachte wordt ter zake van de onderhavige strafbare feiten – misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of meer is gesteld - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Naar het oordeel van het hof is de oplegging van de maatregel in het belang van de veiligheid van andere personen en van goederen. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de ernst van de door de verdachte begane feiten. De verdachte heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie. Daarnaast is hij anderen behulpzaam geweest bij hun voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van moord en opzettelijk brand stichten en/of het teweegbrengen van een ontploffing met een terroristisch oogmerk. Het hof heeft voorts acht geslagen op de persoon van de verdachte. De reclassering adviseert in haar rapport d.d. 23 maart 2020 deze maatregel op te leggen nu er sprake is van een verdenking die hoge risico’s met zich meebrengt en die naar verwachting nog steeds aanwezig zal zijn na de gevangenisstraf. Daarnaast wil de verdachte niet meewerken aan het onderzoek voor een Pro Justitia rapport. Het hof acht langdurig toezicht nodig om het recidiverisico te beperken. Het hof zal daarom tot de oplegging van deze maatregel overgaan. Wet straffen en beschermen De per 1 juli 2020 ingevoerde Wet straffen en beschermen, die gevolgen heeft voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling (VI), dient naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak niet tot verdere matiging van de op te leggen straf te leiden. Deze nieuwe VI-regeling behelst de executie van straffen en aldus geen wijziging in de aard en maximale duur van de op te leggen straf. Voorgaande laat onverlet dat de rechter, bij gebreke van een overgangsbepaling in genoemde wet, in een concreet geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, in hoger beroep aanleiding kan zien in de strafoplegging in enige mate rekening te houden met het na het wijzen van het vonnis gewijzigde VI-regime. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 15Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 38z, 46, 47, 48, 56, 83, 140a, 157, 176a en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. 16BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 10 (tien) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking. Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. D.M. Thierry, in bijzijn van de griffiers mr. M.J.J. van den Broek en mr. F.A. Janse. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juni 2022. Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 juni 2020, blz. 15. Zie ook zijn verklaring in het politieverhoor ZD1, blz. 4431. ZD1, blz. 583 e.v. Proces-verbaal van bevindingen van de LOVJ van 23 januari 2020. Aanvullend proces-verbaal van bevindingen LOVJ d.d. 5 maart 2020, blz. 13. ZD1, blz. 641 e.v. Proces-verbaal verhoor van getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris d.d. 2 november 2021, blz. 6 en 7. Zie blz. 42 van het toezichtsrapport over de gegevensverstrekking door de AIVD binnen Nederland over (vermeende) jihadisten, CTIVD nr. 57 (vastgesteld op 13 maart 2018). Zie paragraaf 7.4 (blz. 41 e.v.) van CTIVD nr. 57. Aanvullend proces-verbaal van bevindingen LOVJ d.d. 5 maart 2020. Aanvullend proces-verbaal van bevindingen LOVJ d.d. 5 maart 2020, blz. 2. Proces-verbaal van bevindingen LOVJ ZD1, blz. 4482. Proces-verbaal verhoor van getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris d.d. 2 november 2021, blz. 8 en 9. Proces-verbaal van bevindingen LOVJ, ZD1, blz. 4474 en 4487. Proces-verbaal van verhoor getuige A-2346 (Abu Hamza) ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 4 december 2019, blz. 6: Ik weet niks over de relatie tussen [verdachte 1] en Abu Hajar. Ik kende hem niet en ik wist niet over wie [verdachte 1] het had. Proces-verbaal van bevindingen LOVJ, ZD1, blz. 4476; Proces-verbaal van verhoor getuige B2870 ten overstaan van de rechter-commissaris, blz. 9. Zie proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte 1] bij de RC d.d. 29 januari 2020, blz. 3 en 4. Gevraagd naar wat hij met die e-mail bedoelde heeft [verdachte 1] zich ter terechtzitting in eerste aanleg beroepen op zijn zwijgrecht; zie proces-verbaal terechtzitting in eerste aanleg d.d. 12 juni 2020, blz. 33. Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 12 juni 2020, blz. 33 en 35. Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 17 juni 2020, blz. 69-74. Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 april 2022. ZD1, blz. 667 en 668. ZD 1, blz. 668 t/m 671 ZD 1, blz. 703 en 704. ZD 1, blz. 704. ZD 1, blz. 706. ZD 1, blz. 706 e.v. ZD1, blz. 515. ZD1, blz. 3011, 3013-3023. ZD1, blz. 3141-3148. ZD1, blz. 578; 595. ZD1, blz. 3177; 3184-3191. ZD1, blz. 578; 597. ZD1, blz. 518-527. ZD1, blz. 3502-3507. ZD1, blz. 3507-3529; 533-537. ZD1, blz. 3577-3581. ZD1, blz. 580; 3627; 3629. ZD1, blz. 580; 626-628; 3629-3631. ZD1, blz. 580; 627-628; 3633-3635. ZD1, blz. 3535-3636. ZD1, blz. 538-547; 3749-3750. ZD1, blz. 3751-3758. ZD1, blz. 548-560; 3778. ZD1, blz. 3841-3843. ZD1, blz. 636. ZD1, blz. 637. ZD1, blz. 3855-3879. ZD1, blz. 561-568.