Rolnummer: 22-005503-17 Parketnummer: 09-748013-12 Datum uitspraak: 8 juni 2022 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 december 2017 in de strafzaak tegen de verdachte: [naam verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Ethiopië) op [geboortedatum] 1954, thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] te [plaats] . Onderzoeksnaam: Merens Inhoudsopgave
(16)getuigen. De raadsheer-commissaris heeft op 8 maart 2021, 30 juni 2021 en op 8 en 22 februari 2022 processen-verbaal van bevindingen opgesteld die er – kort gezegd - op neerkomen dat haar uit de berichten van de betrokken instanties in Ethiopië is gebleken dat, mede gelet op de politieke ontwikkelingen aldaar, het niet aannemelijk dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord. Met Zimbabwe was nog steeds geen rechtshulp mogelijk. De getuigen die niet konden worden gehoord behoorden alle tot de laatste 2 hiervoor genoemde groepen. In totaal werden 3 getuigen door de raadsheer-commissaris in bijzijn van de verdediging gehoord. 10.3 Oordeel van het hof De te hanteren maatstaf De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie: “Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.” In een arrest van december 2020 heeft de Hoge Raad verder de toepassing van deze maatstaf als volgt bijgesteld en verduidelijkt: “2.5.2 De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. (…) 2.5.3 In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt de onder 2.5.2 besproken maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.(…).” Onder vormverzuimen zijn begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Over niet-ontvankelijkheidsverklaring als reactie op inbreuken op verdedigingsrechten die niet onder het bereik van artikel 359a Sv vallen wijdde de Hoge Raad reeds overeenkomstige overwegingen in een arrest van 13 september 2016: “2.3.
- Bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van art. 359a Sv valt, komt de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet in aanmerking, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Daarbij verdient opmerking dat het in de eerste plaats moet gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen - in de bewoordingen van het EHRM - dat "the proceedings as a whole were not fair". Uit een en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. Aan de motivering van die beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring worden hoge eisen gesteld. Andere gevolgen dan de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging liggen meer in de rede indien sprake is van een - onherstelbare en niet voor (procedurele) compensatie vatbare - schending van de verdedigingsrechten. Ingeval bijvoorbeeld het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde uitsluitend steunt op een hem belastende tegenover de politie afgelegde getuigenverklaring, terwijl op de gronden als vermeld in HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145 moet worden aangenomen dat de verdachte niet het bij art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen die getuige te (doen) horen omtrent die verklaring, en verdachtes betrokkenheid bij het hem tenlastegelegde ook niet wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal dan wel bedoeld steunbewijs geen betrekking heeft op die onderdelen van de verklaring die door de verdachte zijn betwist, ligt het in de rede dat die betwiste getuigenverklaring niet voor het bewijs wordt gebezigd en dat de verdachte bij gebreke van ander bewijsmateriaal wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, en in een ontnemingszaak dat de ontnemingsvordering wordt afgewezen. Dat is niet anders indien het tijdsverloop een complicatie heeft gevormd bij de vergaring en de waardering van het bewijsmateriaal.” Het hof heeft het door de verdediging aangevoerde en de mogelijk daaraan te verbinden consequenties in het licht van het voorgaande beoordeeld. Hierbij heeft het hof de door de verdediging aangedragen punten - waar van toepassing gezamenlijk - in zijn overwegingen betrokken. Ad a: strijd met de verbaliseringsplicht? Artikel 152 Sv schrijft voor dat opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Uit hetgeen [journaliste] heeft verklaard is – anders dan de verdediging heeft betoogd – niet af te leiden dat in strijd met de waarheid over de start van het opsporingsonderzoek is gerelateerd. Immers, dat [journaliste] in de tien jaar voor haar verhoor bij de raadsheer-commissaris in 2018 contact heeft gehad met iemand van het openbaar ministerie verhoudt zich met hetgeen in het relaas proces-verbaal is gerelateerd, en hetgeen Berger heeft uiteengezet in het nader ingediende proces-verbaal. Ook overigens kan het hof niet inzien hoe op dit punt niet conform de waarheid is geverbaliseerd, of – zoals de verdediging stelt – de (naar het hof begrijpt: onterechte) schijn is gewekt dat men tien jaar later ineens op het artikel van [journaliste] is gestuit wat tot de start van het opsporingsonderzoek heeft geleid. Anders dan de verdediging heeft betoogd is geenszins gebleken dat in strijd met de verbaliseringsplicht (op ambtseed) een proces-verbaal is opgemaakt, en is er op dit punt geen sprake van een vormverzuim. Ad b. er zijn geen originele stukken verkregen uit Ethiopië noch een compleet strafdossier Niet ter discussie staat dat in deze zaak documenten uit Ethiopië een belangrijke plaats innemen in de bewijsvoering tegen de verdachte. Met de verdediging èn het openbaar ministerie stelt het hof verder vast dat het zonder meer de voorkeur zou hebben gehad over de originelen van deze documenten te beschikken, onder meer ten behoeve van nader forensisch onderzoek. Hoewel het hof niet inziet waarom over het complete strafdossier uit Ethiopië beschikt zou moeten worden (temeer nu het Ethiopisch strafdossier slechts ten dele betrekking heeft op de feiten waarvan de verdachte in het onderhavige, Nederlandse strafproces wordt verdacht) staat ook vast dat niet alle mogelijk relevante stukken zijn verkregen. Om deze stukken en de originelen te verkrijgen is door het openbaar ministerie middels voornoemde rechtshulpverzoeken de nodige moeite gedaan, maar zonder het gewenste resultaat. Het niet hebben kunnen verkrijgen van alle relevante en originele stukken uit Ethiopië valt niet aan te merken als een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Daarom dient het hof te beoordelen of dit een inbreuk op de verdedigingsrechten oplevert die van dien aard is en zodanig ernstig is dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM als bedoeld in voornoemd arrest. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. De verdediging heeft zich in eerste aanleg en in hoger beroep kunnen uitlaten over de vergaarde documenten en hier verweer op kunnen voeren, hetgeen zij ook heeft gedaan. De verdediging is door het openbaar ministerie in de gelegenheid gesteld zich actief te mengen bij de vergaring van aanvullende documenten in Ethiopië in de hoger beroepsfase. Handschriftdeskundigen hebben op verzoek van (onder andere) de verdediging onderzoek verricht en een van hen is in aanwezigheid van de verdediging gehoord. Hoewel beter onderzoek plaats had kunnen vinden als er originelen waren geweest, hebben de deskundigen desondanks steeds uitspraken kunnen doen op de hen gestelde vragen. De verdediging heeft tenslotte Kiros uitvoerig kunnen bevragen over de aard en herkomst van de ter beschikking gestelde documenten. Hij is tevens bevraagd over de mogelijkheid dat er met de stukken is “geknoeid”. Ook [journaliste] is in bijzijn van en door de verdediging gehoord over de documenten waarover zij heeft beschikt. Voor zover er inbreuk op de rechten van de verdediging is gemaakt door het niet de beschikking kunnen krijgen over de originelen, is die inbreuk aldus op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze gecompenseerd. Welke betekenis het ontbreken van originelen voor de bewijsvraag heeft in het licht van deze verklaring van de verdachte, is een kwestie van waardering van deze bewijsmiddelen. Daar zal het hof later op terug komen. Ad c. belangrijke getuigen niet gehoord? Hof stelt voorop dat de kwestie van het niet horen van getuigen met name de vraag raakt van de bruikbaarheid van verklaringen, voor zover afgelegd door deze personen, voor het bewijs. Ook hier geldt dat dit aspect, en de waardering van de getuigenverklaringen – mede in het licht van fair trial – het hof niet hier, maar verderop in het arrest bij de bewijswaardering zal bespreken. Daarom zal het hof zich op deze plaats beperken tot de vraag of het gegeven dat er personen/getuigen zijn die niet konden worden gehoord een dermate inbreuk op de rechten van de verdediging heeft opgeleverd dat het openbaar ministerie het recht om te vervolgen moet worden ontzegd. Het hof stelt voorop dat het wenselijk was geweest als uitvoering gegeven had kunnen worden aan de rechtshulpverzoeken op dit punt. De verzoeken waren immers door het hof toegewezen en de waarheidsvinding zou hiermee mogelijk – want we kennen de verklaringen uiteraard niet - gediend zijn geweest. Door het niet horen van deze, en de overige, niet toegewezen getuigen/personen (afkomstig uit de laatste 2 eerder genoemde groepen) kan echter niet gezegd worden dat het onderzoek zodanig gemankeerd is, dat geen effectieve verdediging gevoerd kon worden. Het hof heeft daarbij betrokken dat de verdediging weliswaar stelt dat dit allemaal belangrijke getuigen zijn, maar niet waarin dat belang gelegen is. De relevantie, noch het gewicht van de verklaringen van deze getuigen binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek kan dan ook niet vastgesteld worden. Bovendien zijn er wel degelijk getuigen gehoord, te weten getuigen uit voornoemde eerste groep. De verdediging heeft steeds vragen kunnen (doen) stellen aan hen bij de rechter-commissaris. Ook in hoger beroep zijn getuigen (onder andere) op verzoek van de verdediging gehoord, en heeft zij steeds vragen kunnen stellen. De verdachte is in eerste aanleg uitvoerig geconfronteerd met de inhoud van de verklaringen en ook in hoger beroep zijn nieuwe verklaringen besproken en heeft hij zich hierover kunnen uitlaten. Op deze plaats constateert het hof dat op dit punt geen sprake is van een inbreuk van de verdedigingsrechten als bedoeld in de hiervoor genoemde rechtspraak. Ad d. tijdsverloop en onherstelbare beperkingen voor de waarheidsvinding? De aan de verdachte verweten gedragingen hebben lang geleden plaatsgevonden; toen het opsporingsonderzoek is gestart was dat al meer dan dertig jaar geleden. Zoals wel vaker in internationale oorlogsstrafzaken maakt het tijdsverloop het strafrechtelijk onderzoek niet eenvoudig en kan de waarheidsvinding hieronder te lijden hebben. Ondanks het tijdsverloop zijn in deze zaak behoorlijk wat (kopieën van) documenten uit de ten laste gelegde periode veilig gesteld. Niet gebleken is dat getuigen door enkel tijdsverloop niet meer gehoord konden worden. Ten aanzien van de getuigen die zijn gehoord (door het TIM, de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris) is niet gebleken dat zij niet meer in staat waren naar behoren te verklaren. Voor zover niet zelf al bewust daarvan, werden zij door hun verhoorders vooraf aan hun verklaring expliciet gewezen op het gevaar van invullen of reconstrueren van gebeurtenissen en op het belang van het vermelden van de bron van hun wetenschap. Voor zover al sprake is van door de verdediging gestelde beïnvloeding door andere getuigen of door andere informatie van buitenaf, is dat een factor die meegewogen dient te worden bij de waardering van de verklaring. De verdachte heeft met name ter zitting in eerste aanleg zeer uitgebreid verklaard over de hem verweten gedragingen, waarbij hij in het algemeen niet gehinderd leek te worden door geheugenproblemen. In hoger beroep was dit soms wel vaker het geval, maar kon hij de meeste vragen afdoende beantwoorden. Naar het oordeel van het hof is dan ook niet gebleken dat het tijdsverloop zodanige belemmering heeft opgeleverd voor de waarheidsvinding dat de uitoefening van de verdedigingsrechten op onaanvaardbare wijze onder druk zijn komen te staan. 10.4 Conclusie Ondanks het tijdsverloop hebben de verdachte en zijn raadslieden afdoende verweer kunnen voeren, hebben zij tegen de opsporingsresultaten kunnen inbrengen wat zij wensten, en heeft in eerste aanleg en in hoger beroep onderzoek op verzoek van de verdediging plaatsgevonden door het horen van getuigen en deskundigenonderzoek. De verdachte zelf heeft uitvoerig kunnen verklaren. Dat niet alle getuigen gehoord konden worden en het ten laste gelegde lang geleden heeft plaatsgevonden heeft hieraan niet in de weg gestaan. Voor zover er inbreuk op de rechten van de verdediging is gemaakt door het niet kunnen beschikken over de originele documenten uit Ethiopië, is die inbreuk op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze gecompenseerd. De aangevoerde gronden kunnen dan ook afzonderlijk noch tezamen en in onderling verband bezien aanleiding geven tot het vaststellen van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv, noch kunnen zij leiden tot de slotsom dat een zodanig inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten, van dien aard en zodanig ernstig, dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijk strafproces geldt dat het hof - bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing - zal volstaan met de constatering dat hem hiervan niet gebleken is. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging. Hierna zal het hof, zoals vermeld, nog terugkomen op het gebruik en de waardering van de Ethiopische stukken en getuigenverklaringen, dit laatste mede in het licht van de “Keskin” jurisprudentie. 11Het toepasselijk recht 11.1 Artikel 8 (oud) en 9 (oud) van de Wet oorlogsstrafrecht Ten tijde van de tenlastegelegde feiten werden oorlogsmisdrijven onder andere in artikel 8 (oud) van de WOS strafbaar gesteld en de aansprakelijkheid van de meerdere in artikel 9 (oud) van de WOS. De latere hercodificatie van de WOS naar de WIM komt niet voort uit een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van de strafbaar gestelde gedragingen, zodat de wetgeving ten tijde van het ten laste van toepassing is, behoudens de aanvankelijke strafbedreiging met de doodstraf. Artikel 8 (oud) en 9 (oud) van de WOS luidden: Artikel 8 l. Hij die zich schuldig maakt aan schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren.
- Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt opgelegd: 1°. indien van het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten is; 2°. indien het feit een onmenselijke behandeling inhoudt; 3°. indien het feit inhoudt het een ander dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden; 4°. indien het feit plundering inhoudt.
- De levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren wordt opgelegd: 1°. indien het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander ten gevolge heeft dan wel verkrachting inhoudt; 2°. indien het feit inhoudt geweldpleging met verenigde krachten ten aanzien van een of meer personen dan wel geweldpleging tegen een dode, zieke of gewonde; 3°. indien het feit inhoudt het met verenigde krachten vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken van enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort; 4°. indien het feit, in het voorgaande lid bedoeld onder 3° of 4°, wordt gepleegd met verenigde krachten; 5°. indien het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan; 6°. indien het feit inhoudt een schending van een gegeven belofte, of een schending van een met de tegenpartij als zodanig gesloten overeenkomst; 7°. indien het feit inhoudt misbruik van een door de wetten en gebruiken van de oorlog beschermde vlag of teken dan wel van de militaire onderscheidingstekenen of de uniform van de tegenpartij. Artikel 9 Met gelijke straf als gesteld op de in het voorgaande artikel bedoelde feiten wordt gestraft hij die opzettelijk toelaat, dat een aan hem ondergeschikte een zodanig feit begaat. De rechter dient zich voor de invulling van de bestanddelen van artikel 8 (oud) van de WOS te oriënteren op het internationale recht en de internationale rechtspraak. 11.2 Het begrip 'de wetten en gebruiken van de oorlog' De term “wetten en gebruiken van de oorlog” in de WOS is een open norm, synoniem voor het humanitaire oorlogsrecht. Hiermee wordt gedoeld op de gebods- en verbodsnormen vervat in de vier Geneefse Conventies, de Aanvullende Protocollen I en II bij deze Conventies, andere internationale verdragen en het internationaal gewoonterecht. De vier Geneefse Conventies De vier Geneefse conventies van 1949 bepalen de regels van humanitair recht ten tijde van een gewapend conflict (hierna: de Geneefse Conventies of afzonderlijk: GC I, GC II, GC III, GC IV). Ze bevatten de verplichting voor de lidstaten ernstige schendingen van de conventies strafbaar te stellen en te vervolgen. In de afzonderlijke verdragen staat steeds centraal een categorie van beschermde personen tijdens een gewapend conflict. De Geneefse Conventies zijn in hun volle omvang van toepassing op internationale gewapende conflicten en voor een beperkt onderdeel op niet-internationale conflicten. De vier verdragen bevatten een artikel 3 dat in alle verdragen gelijkluidend is, het zogenoemde gemeenschappelijk artikel
- Het gemeenschappelijk artikel 3 bevat minimum gedragsnormen waaraan de strijdende partijen zich bij een niet-internationaal gewapend conflict dienen te houden, en luidt: In geval van een gewapend conflict op het grondgebied van één der Hoge Verdragsluitende Partijen, hetwelk geen internationaal karakter draagt, is ieder der Partijen bij het conflict gehouden ten minste de volgende bepalingen toe te passen:
- Personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak, moeten onder alle omstandigheden menslievend worden behandeld zonder enig voor hen nadelig onderscheid gegrond op ras, huidskleur, godsdienst of geloof geslacht, geboorte of maatschappelijke welstand of enig ander soortgelijk criterium. Te dien einde zijn en blijven te allen tijde en overal ten aanzien van bovengenoemde personen verboden: a. aanslag op het leven en lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder het doden op welke wijze ook, verminking, wrede behandeling en marteling; b. het nemen van gijzelaars, c. aanranding van de persoonlijke waardigheid in het bijzonder vernederende en onterende behandeling, d. het uitspreken en tenuitvoerleggen van vonnissen zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend.
- De gewonden en zieken moeten worden verzameld en verzorgd. Een onpartijdige humanitaire organisatie, zoals het Internationale Comité van het Rode Kruis, kan haar diensten aan de Partijen bij het conflict aanbieden. De partijen bij het conflict zullen er verder naar streven door middel van bijzondere overeenkomsten de andere of een deel der andere bepalingen van dit verdrag van kracht te doen worden. In de tenlastelegging van deze strafzaak is het gemeenschappelijke artikel 3 van de Geneefse Conventies genoemd als onderdeel van het verwijt van handelen in strijd met de wetten en gebruiken van de oorlog, als bedoeld in artikel 8 van de WOS. De vier Geneefse Conventies zijn door Ethiopië in 1969 geratificeerd. Aanvullende Protocollen I en II Het begrip 'de wetten en gebruiken van de oorlog' verwijst, zoals gezegd, ook naar de bij de Geneefse Conventies behorende, later tot stand gekomen Aanvullende Protocollen I en II (hierna: AP I en AP II) daterend van 8 juni
- AP I en AP II vullen een aantal hiaten op in de Geneefse Conventies. AP I doet dit voor internationale gewapende conflicten, AP II voor niet-internationaal gewapende conflicten. Doelstelling van AP II is de (verdere) verbetering van de bescherming van de burgers en anderen die niet (meer) deelnemen aan de gewapende strijd. Ethiopië trad pas in 1994 - na de tenlastegelegde periode - toe tot AP I en AP II. Internationaal gewoonterecht Naast eventueel in een concreet geval van toepassing zijnde verdragen kan tot slot voor de uitleg van het begrip 'de wetten en gebruiken van de oorlog' worden gekeken naar het internationaal gewoonterecht. Internationaal gewoonterecht ontstaat indien aan twee voorwaarden is voldaan: 1) een algemene praktijk van staten en 2) een rechtsovertuiging (opinio juris). Gewoonte kan tot recht worden indien voldoende staten zich gedurende een zekere periode op een bepaalde wijze gedragen (algemene praktijk van staten) en zij de overtuiging hebben dat deze gedragingen door internationaal recht worden toegestaan, geduld dan wel gevorderd (rechtsovertuiging). De praktijk van staten kan bestaan uit handelingen van staatsorganen, het sluiten van bepaalde verdragen, etc. Daarnaast dienen staten de praktijk niet uitsluitend te volgen omdat deze politiek wenselijk is, maar omdat zij van oordeel zijn dat deze praktijk door internationaal recht wordt vereist dan wel toegestaan. Rechtsovertuiging kan blijken uit uitdrukkelijke statements, protest of voorbehoud. Aangenomen kan worden dat staten door middel van het sluiten van een verdrag kunnen erkennen dat een bepaald gedrag door het internationaal recht wordt gevraagd of toegestaan. Ook besluiten van internationale organisaties kunnen een aanwijzing bevatten voor de rechtsovertuiging van staten. Dit zal onder meer afhangen van de inhoud van de resoluties en de voorwaarden waaronder zij zijn aangenomen. Bij een groot aantal tegenstemmen zal opinio juris niet snel worden aangenomen. Rechtsovertuiging wordt ook wel afgeleid uit algemene praktijk. Indien er geen uitdrukkelijk bewijs is van een tegengestelde rechtsovertuiging, bijvoorbeeld in de vorm van protest door staten, kan worden aangenomen dat praktijk rechtsovertuiging impliceert. 11.3 De vereisten voor oorlogsmisdrijven Op grond van gemeenschappelijk artikel 3 alsmede de invulling die daaraan door de (internationale) rechtspraak is gegeven, kan alleen sprake zijn van een oorlogsmisdrijf in een niet-internationaal gewapend conflict (zoals aan de verdachte ten laste is gelegd) indien voldaan is aan de volgende vereisten: (l) er is een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van één van de verdragsluitende partijen;
(4)tussen het strafbare feit en het gewapend conflict dient een nauwe samenhang - in de (internationale) literatuur en rechtspraak nexus genoemd - te bestaan. De strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven beoogt immers bescherming te bieden tegen misdrijven die in (nauwe) relatie staan tot de oorlog. In de volgende hoofdstukken zal het hof zich uitlaten over het bewijs (hoofdstuk 12) en het bestaan en de aard van het conflict in Ethiopië (hoofdstuk 13.1). Het hof zal ook ingaan op de taak en de functie van de verdachte (hoofdstuk 13.2) en een vaststelling doen van de feitelijke gebeurtenissen (hoofdstuk 13.3). Het hof zal beoordelen of de in de tenlastelegging genoemde slachtoffers personen zijn als bedoeld in gemeenschappelijk artikel 3 (hoofdstuk 13.4). Vervolgens zal worden vastgesteld of de vastgestelde feitelijke gebeurtenissen ook daadwerkelijk schending opleveren van gemeenschappelijk artikel 3 en het internationaal humanitair gewoonterecht (hoofdstuk 13.5). Daarna zal het hof vaststellen of de verdachte bij deze feiten een rol heeft gespeeld en, zo ja, welke rol dat was en vervolgens hoe deze eventuele rol dient te worden gekwalificeerd (hoofdstuk 13.6). Tot slot zal het hof zich uitlaten over het bestaan van een nexus (hoofdstuk 13.7). 12De waardering van het bewijs 12.1 De getuigenverklaringen Het dossier bevat een groot aantal getuigenverklaringen, waarbij het gaat om verklaringen van ooggetuigen (al dan niet van slachtoffers van de tenlastegelegde feiten) en de-auditu verklaringen. Het standpunt verdediging De verdediging heeft bepleit dat geen van de getuigenverklaringen voor het bewijs kan worden gebruikt gelet op het tijdsverloop, de contacten van getuigen onderling, vanwege ‘hear say’, en vanwege het feit dat zij boeken hebben gelezen en/of documentaires hebben gezien over de onderhavige periode of in het ‘Red Terror museum’ (het hof begrijpt: in Addis Abeba) zijn geweest. Ook hebben de getuigen geen foslo-confrontatie gehad met de verdachte hetgeen volgens de verdediging zeer onzorgvuldig is geweest, en waren de ondervragingen door de Ethiopische politie van een bedenkelijk niveau. De getuigen verklaren volgens de verdediging veelal tegenstrijdig of onvolledig. Bovendien is een motief voor ‘wraak’ niet uitgesloten, waardoor getuigen al dan niet bewust zijn beïnvloed nu de verdachte zowel in de literatuur, de Ethiopische samenleving en de Ethiopische rechter als dader is aangewezen en zelfs tot de doodstraf is veroordeeld. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft in het vonnis een uitgebreid toetsingskader geschetst ten behoeve van de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen. Daarbij heeft de rechtbank zich gebaseerd op de jurisprudentie en de literatuur en heeft zij aan de hand daarvan uiteengezet welke criteria (aandachtspunten) hierbij voor de rechtbank leidend zijn geweest. De rechtbank heeft dit toetsingskader vervolgens op alle getuigenverklaringen in het Nederlandse strafdossier toegepast en heeft daarbij per getuige gemotiveerd tot welke bevindingen zij is gekomen. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat er in het dossier geen enkele aanwijzing is dat er een getuige bewust in strijd met de waarheid heeft verklaard. Daar, waar de rechtbank een verklaring heeft uitgesloten van het bewijs, betreft het een verklaring waarvan met onvoldoende mate kan worden vastgesteld wat een getuige zelf heeft gezien en gehoord, ofwel betreft het de auditu (van horen zeggen)-verklaringen of verklaringen die betrekking hebben op gebeurtenissen die op een andere tijd of plaats hebben plaatsgevonden dan waar de tenlastelegging op ziet. Het standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft in hoger beroep betoogd dat een wat bredere toets dan die van de rechtbank de voorkeur verdient, in die zin dat hoofdzakelijk moet worden bekeken hoe een verklaring van een getuige past binnen het geheel van het strafrechtelijk dossier. Wanneer de verklaring op belangrijke onderdelen strookt met andere bewijsmiddelen, kan deze verklaring volgens het openbaar ministerie (deels) bruikbaar zijn voor het bewijs. Dit neemt niet weg dat ook volgens het openbaar ministerie bij de beoordeling bepaalde algemene criteria bruikbaar zijn, zoals die van het Internationaal Strafhof, waarnaar het openbaar ministerie in het requisitoir heeft verwezen. Het oordeel van het hof Niet ter discussie staat dat de rechter in strafzaken altijd met de nodige zorgvuldigheid en niet zelden ook met de nodige behoedzaamheid getuigenbewijs tegemoet zal dienen te treden. In strafzaken met betrekking tot internationale misdrijven spelen nog enkele andere factoren die de bruikbaarheid van getuigenverklaringen (extra) kunnen bemoeilijken. In deze zaken betreft het immers vaak feiten die het gemiddeld voorstellingsvermogen te boven gaan, zowel vanwege de aard van de feitelijkheden als vanwege de omstandigheid dat het gaat om misdrijven die lang geleden, en ver buiten Nederland en daarmee ook buiten het eigen referentiekader hebben plaatsgevonden. Het hof stelt vast dat de criteria die de rechtbank en het openbaar ministerie bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen in dit dossier hanteren in de kern niet wezenlijk van elkaar verschillen en in die zin ook voor het hof een zekere houvast bieden. Zo heeft het hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen onder meer steeds rekening gehouden met het gegeven van het conflict en het feit dat getuigen tot de EPRP (de groepering die in het conflict tegenover de Derg stond, waarover later meer) behoorden, dan wel daarmee sympathiseerden. Het is mogelijk dat de verklaring van de bewuste getuige beïnvloed wordt door het feit dat de verdachte tot het “andere kamp” behoorde. Ook is het hof zich bewust van de mogelijke trauma’s bij de getuigen vanwege de vreselijke gebeurtenissen waarover zij hebben verklaard. Daarbij betreft het hier feiten bovendien van zeer lange tijd geleden. Hierbij merkt het hof op dat het tijdsverloop niet maakt dat de verklaringen van de getuigen per definitie onbetrouwbaar zijn. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat sommige getuigen contact met elkaar hebben gehad, mogelijk boeken en/of documentaires over de Rode Terreur hebben gelezen/gezien of anderszins informatie over de onderhavige periode en feiten tot zich hebben genomen. Hoewel dit omstandigheden zijn die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een getuige, is de conclusie dat de verklaringen hierom zonder meer onbetrouwbaar zijn, zoals de verdediging lijkt voor te staan, niet gerechtvaardigd. Het hof heeft in deze zaak de getuigenverklaringen telkens behoedzaam beoordeeld en gewaardeerd, en alleen gebruikt indien en voor zover zij op essentiële onderdelen bevestiging vinden in ander bewijs, zoals andere getuigenverklaringen of documenten in het dossier, en de getuigen steeds afdoende hun redenen van wetenschap hebben aangegeven. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen voor zover die voor het bewijs zijn gebruikt, nu deze – in onderling (tijds)verband en samenhang bezien met elkaar en het overige bewijs – in de kern consistent zijn. Bovendien zijn de voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen getoetst, aangezien deze getuigen allemaal door de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris, in het bijzijn van de verdediging, zijn gehoord. De waardering van de getuigenverklaringen is in hoger beroep niet anders uitgevallen dan die van de rechtbank in haar vonnis. Dit betekent dat het hof bij de bewijsvoering uitgaat van dezelfde getuigenverklaringen als in eerste aanleg. Bovendien zal het hof de bij de raadsheer-commissaris gehoorde getuige [persoon 331] voor het bewijs gebruiken, nu de verklaring van deze getuige eveneens voldoet aan voornoemde criteria. Voor zover het openbaar ministerie heeft betoogd dat de getuigenverklaringen van [persoon 316], [persoon 325], [persoon 315], [persoon 317] en [persoon 326] ook voor het bewijs gebruikt kunnen worden (zij het met beperkingen), is het hof met de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. Het hof onderkent dat een getuige naarmate het onderzoek vordert met andere (aanvullende) vragen kan worden geconfronteerd dan die hem eerder door de opsporingsautoriteiten zijn gesteld, of enigszins afwijkend en/of in een ander verband, waardoor een getuige zich later aanvullende details zal weten te herinneren die in een eerdere fase niet aan de orde zijn geweest. Maar ook in het licht van het voorgaande is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat de verklaringen van [persoon 316], [persoon 325] en [persoon 315] zoals afgelegd bij de DLR en de rechter-commissaris onvoldoende consistent zijn, nu bepaalde gebeurtenissen met elkaar lijken te zijn verward en de verklaringen (mogelijk door tijdsverloop en/of traumatisering) onvoldoende concreet zijn, waarbij bovendien moeilijk is vast te stellen wat de getuige zelf heeft gezien of van anderen heeft gehoord. Ten aanzien van de getuige [persoon 317] overweegt het hof dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat deze getuige zich in dezelfde periode als de verdachte in Gojjam bevond, gelet op de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen op dit punt, die niet slechts verklaarbaar zijn door een misverstand vanwege de Ethiopische kalender. Met betrekking tot de getuige [persoon 326] geldt dat het hof het openbaar ministerie niet volgt in de conclusie dat de inconsistenties in de verklaringen slechts van ondergeschikt belang zijn, nu die inconsistenties niet een enkel detail betreffen maar juist zeer wezenlijke gebeurtenissen, waarbij bovendien ook niet altijd helder is wat de getuige uit eigen wetenschap heeft verklaard of wat hij van anderen heeft gehoord. De getuigen die het hof bruikbaar acht voor de bewijsvoering komen hierna, bij de bespreking van de tenlastegelegde feiten, aan de orde. 12.2 Voorwaardelijke getuigenverzoeken van de verdediging De verdediging heeft bij pleidooi, met verwijzing naar een eerder emailbericht d.d. 2 april 2022, bij herhaling verzocht om het horen van een groot aantal getuigen (het hof telt er meer dan 85), maar alleen in voorwaardelijke zin - namelijk indien het hof tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten zal komen. Nu dit, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het geval is komt het hof toe aan de beoordeling van deze getuigenverzoeken. In het verzoek heeft de verdediging onder meer een onderscheid gemaakt tussen als ‘gele getuigen’ aangeduide personen (getuigen die volgens de verdediging voorkomen in verklaringen van anderen, welke verklaringen door de verdachte uitdrukkelijk worden betwist), getuigen die in hun verklaringen naar de ‘gele getuigen’ hebben verwezen en getuigen die voorkomen in het Ethiopische dossier. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de getuigenverzoeken dienen te worden afgewezen, nu het defence witnesses betreft, de Keskin-jurisprudentie niet van toepassing is en het hof reeds op deze verzoeken heeft beslist terwijl er sindsdien geen gewijzigde omstandigheden zijn opgetreden. De eerdere beslissingen Ter terechtzittingen van 29 mei 2018 en 19 november 2018 heeft het hof ten aanzien van een groot aantal getuigen reeds geoordeeld dat deze dienden te worden afgewezen (waaronder het overgrote deel van de door de verdediging genoemde ‘gele getuigen’) vanwege het ontbreken van het verdedigingsbelang, dan wel vanwege het feit dat het bij gebreke van nadere identificerende gegevens – of in één geval wegens de weigering van de Canadese autoriteiten om uitvoering te geven aan het rechtshulpverzoek - naar het oordeel van het hof onaannemelijk was dat deze personen binnen een aanvaardbare termijn konden worden gehoord. Ten aanzien van de getuigen die naar de zogenoemde ‘gele getuigen’ hebben verwezen, heeft het hof aan de hand van het noodzaakcriterium geoordeeld dat deze getuigenverzoeken dienden te worden afgewezen nu deze getuigen al bij de rechter-commissaris, in het bijzijn van de verdediging, waren gehoord. Datzelfde heeft het hof geoordeeld ten aanzien van een andere groep getuigen zoals genoemd in het proces-verbaal van de zitting van 29 mei 2018 onder punt
- Vervolgens heeft het hof op 8 juli 2021 de verzoeken met betrekking tot de getuigen die in Ethiopië verblijven (deels die uit het Ethiopische strafdossier) en de getuige [persoon 332] (na eerdere toewijzing) alsnog afgewezen, nu geen uitvoering kon worden gegeven aan de rechtshulpverzoeken op dit punt. De beslissing op het verzoek tot het horen van de overige (eerder door het hof) afgewezen getuigen, waarbij door de verdediging een beroep is gedaan op de Keskin-jurisprudentie, heeft het hof vervolgens aangehouden tot na de inhoudelijke behandeling. het hof zal er nu op beslissen. De beoordeling van de verzoeken Uit het verzoek van de verdediging blijkt dat sprake is van getuigen à charge (prosecution witnesses) en à décharge (defence witnesses), waarbij door de verdediging overigens niet nader per getuige is gespecificeerd tot welke categorie deze behoort. In die gevallen waar het gaat om zogenoemde prosecution witnesses houdt de rechtspraak van het EHRM kort gezegd in, dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van de getuige moet worden voorondersteld. Waar het gaat om zogenoemde defence witnesses moet, als een toereikend gemotiveerd verzoek wordt gedaan om een getuige te horen, de relevantie van een verklaring van die getuige worden betrokken bij de beslissing of de getuige wordt gehoord. Bij beide categorieën getuigen geldt dat als erop zichzelf toereikende gronden zijn om de getuige te horen, het oproepen van de getuige toch achterwege kan blijven vanwege “the witness’s unreachability”. Wel zal de rechter in dat geval moeten beoordelen of, gegeven het ontbreken van de mogelijkheid om die getuige te (doen) ondervragen, de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het hof overweegt ten aanzien van de getuigen wier verhoor in eerste instantie door het hof was toegewezen, dat het rechtshulpverzoek er niet toe heeft geleid dat de getuigen door de raadsheer-commissaris in het bijzijn van de verdediging konden worden gehoord. Ook heeft de verdediging geen informatie verschaft noch is anderszins informatie naar voren gekomen waaruit zou kunnen blijken dat een nieuw rechtshulpverzoek ertoe zou leiden dat de betreffende getuigen binnen afzienbare tijd zouden kunnen worden gehoord. Bovendien is sinds het hof de getuigenverzoeken heeft toegewezen een aanzienlijke tijd verstreken. De raadsheer-commissaris heeft voorts recentelijk, bij processen-verbaal van bevindingen van 8 februari 2022 en 22 februari 2022, nog verslag gedaan van de (pogingen tot) communicatie met de Ethiopische autoriteiten in verband met de uitvoering van het rechtshulpverzoek; hierin is te lezen dat de medewerkster van de Nederlandse ambassade aldaar, mevrouw [naam medewerkster], de actuele stand van zaken typeert als “trekken aan een dood paard”. Dit alles leidt tot de slotsom dat er nog altijd geen reële verwachting is dat het rechtshulpverzoek kan worden uitgevoerd. Ten aanzien van de getuigen wier verklaring in eerste aanleg, en ook in hoger beroep, voor het bewijs is gebruikt geldt het volgende. In de lijn van de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin, en de jurisprudentie van de Hoge Raad daarna, dient het belang bij het oproepen en horen van deze getuigen te worden voorondersteld, maar alleen wanneer het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen. De onderhavige getuigen zijn echter allemaal bij de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris gehoord, waarbij de verdediging in de gelegenheid is geweest om vragen te stellen. Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van het hof de noodzaak tot het horen van deze getuigen – mede gelet op hetgeen daartoe is aangevoerd en het feit dat er ten aanzien van deze getuigen geen sprake is van nieuwe ontwikkelingen – niet gebleken. Ten aanzien van de overige, reeds eerder door het hof afgewezen getuigenverzoeken is het hof tot slot van oordeel dat de afwijzingsgronden zoals in de voornoemde beslissingen vermeld nog steeds opgaan, nu zich geen gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan. Het voorgaande brengt met zich dat het hof het verzoek van de verdediging in zijn geheel afwijst. Daarbij heeft het hof in zijn overwegingen de vraag betrokken of een eventuele veroordeling van de verdachte in overeenstemming is met de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM (‘the overall fairness of the procedure’) – ook gelet op het feit dat het de verdediging soms heeft ontbroken aan de mogelijkheid om een getuige te (doen) ondervragen, ook ingeval het verzoek daartoe aanvankelijk was toegewezen. Het hof heeft die vraag bevestigend beantwoord omdat voor het bewijs slechts worden gebruikt verklaringen van getuigen, ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen. 12.3 de documenten uit Ethiopië en de handtekening van de verdachte Inleiding De verdediging heeft bepleit dat de verdachte op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten. De documenten die zich in het dossier bevinden met de naam, handtekening en het stempel van de verdachte kunnen niet tot bewijs dienen. Verdachte betwist dat hij de handtekeningen onder deze documenten heeft geplaatst. De authenticiteit van de documenten is onvoldoende vast komen te staan. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat de handtekeningen op een later moment zijn ingevoegd door derden. Het originele dossier In dit dossier bevinden zich, zoals hiervoor overwogen, (kopieën van) 41 pagina’s met Amhaarse tekst, afkomstig uit de strafprocedure tegen de verdachte in Ethiopië. Deze zijn in het kader van de uitvoering van een internationaal rechtshulpverzoek in 2013 uit handen van het Ethiopische ministerie van justitie ontvangen (zie p. 907). Deze geschriften zijn vertaald en over de inhoud is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt (zie p. 1004 e.v.). Uit de vertaling van de Amhaarse pagina's leidt het hof net als de rechtbank af dat deze stukken zien op beslissingen over straffen die personen opgelegd zijn. Voorts bevatten deze stukken de naam van de verdachte, en veelal een handtekening en (stempels met) functieomschrijvingen van de verdachte. In voornoemd proces-verbaal van bevindingen is gerelateerd over een inhoudelijke samenhang tussen de verschillende pagina's en onderdelen. De functieomschrijvingen van de verdachte zijn weergegeven als 'Voorzitter van het Coördinerend Comité van de Revolutionaire Campagne van de provincie Gojjam' en 'Permanent vertegenwoordiger van de Derg in de provincie Gojjam'. Bij deze documenten bevinden zich de volgende stukken: Een brief (zie p. 922, met vertaling op p. 970) gedateerd 14 augustus 1978, ondertekend met de naam [naam verdachte] en een handtekening, permanent vertegenwoordiger van de Derg in de provincie, gericht aan het hoofd van de gevangenis van de provincie Gojjam, Debre Marcos, met als bijlage een lijst van namen van personen tegen wie 'revolutionaire maatregelen' moeten worden uitgevoerd (zie p. 923-925, met vertaling op p. 971-973) met de mededeling dat een bevestiging van de uitvoering van het bevel wordt verwacht; Een antwoord op deze brief (zie p. 926, met vertaling op p. 974), gedateerd 16 augustus 1978, afkomstig van het hoofd van de gevangenis in de provincie Gojjam, gericht aan [naam verdachte], permanent Derg vertegenwoordiger in de provincie Gojjam waarin is bevestigd dat 'revolutionaire maatregelen' zijn genomen tegen 73 personen, dat eerder drie personen tijdens hun ontsnapping uit de gevangenis zijn gedood en dat één van de gevangenen is ontsnapt. Daarnaast wordt hierin bevestigd dat vijf gevangenen in de gevangenis van Metekel zitten; Een brief van 16 augustus 1978 aan de gevangenis van de provincie Metekel die inhoudt dat tegen vijf gevangenen revolutionaire maatregelen moeten worden uitgevoerd (zie p. 931-936, met vertaling op p. 979-990), ondertekend met de naam [naam verdachte], permanent Derg vertegenwoordiger in de provincie Gojjam, en een handtekening; Een antwoord op deze brief (zie p. 927, met vertaling op p. 975), gedateerd 17 augustus 1978, afkomstig van [persoon 328], gericht aan [naam verdachte], permanent Derg vertegenwoordiger in de provincie Gojjam, waarin is bevestigd dat het schriftelijk en “via het telefoongesprek” gegeven bevel tot het treffen van 'revolutionaire maatregelen' tegen de vijf personen is uitgevoerd; Een briefwisseling (zie p. 948-949, met vertaling p. 1002-1003) gedateerd 17 augustus 1978, afkomstig van het hoofd van de gevangenissen in de provincie Gojjam, gericht aan Luitenant [naam verdachte], Permanent Derg vertegenwoordiger in de provincie Gojjam, dat naar aanleiding van het bevel nummer 476/11 op 17 augustus 1978 de revolutionaire maatregel is genomen tegen [persoon 78]; Twee lijsten, waarvan één ongedateerd en met aanduiding Debre Markos District, 147 tenlastelegging, met 211 namen (zie p. 937-943, met vertaling op p. 991-997) en één gedateerd in augustus 1978, met aanduiding Debre Markos District 2e ronde, 147 tenlastelegging, met 123 namen (zie p. 944-947, met vertaling op p. 998-1001). Op deze lijsten zijn bij de verschillende namen behalve 'revolutionaire maatregelen' ook straffen vermeld als drie jaar gevangenisstraf met zware arbeid (zie p. 945, met vertaling op p. 999), twee jaar gevangenisstraf met zware arbeid (zie p. 946, met vertaling op p. 1000), zes maanden gevangenisstraf met politieke lessen (zie p. 947, met vertaling op p. 1001). Onderaan de lijsten is te zien een handtekening met stempel met de naam [naam verdachte], voorzitter van het Revolutionair Coördinerend Comité van de provincie Gojjam. Nieuwe stukken in hoger beroep In hoger beroep zijn zoals eerder gemeld 22 documenten aan het dossier toegevoegd, waaronder de meeste zojuist hiervoor genoemde stukken, maar nu een betere kopie, en andere, soortgelijke documenten. Het zijn documenten waarop de naam en (stempels met de) functie van de verdachte staan vermeld, voorzien van een handtekening. De deskundigen Stukken met handtekeningen zijn bestudeerd door deskundigen. De rechtbank heeft in eerste aanleg gebruik gemaakt van het rapport van de handschriftdeskundige W.C. de Jong d.d. 4 maart 2016 en het verhoor van de deskundige bij de rechter-commissaris. De deskundige heeft op 4 maart 2016 rapport uitgebracht. Het betwiste materiaal heeft de deskundige aangeduid als XI en X2, het als (onbetwist) vergelijkingsmateriaal aangeleverde diplomatieke paspoort heeft de deskundige VI, en de militaire identiteitskaart V2 genoemd. De deskundige heeft uiteengezet dat, doordat aan hem kopieën zijn verstrekt, enkele kenmerken niet op betrouwbare wijze te beoordelen zijn. Echter, de complexiteit en het onderscheidend vermogen van de wel te beoordelen kenmerken in de betwiste handtekeningen zijn voldoende om een uitspraak te doen over het schrijverschap van de handtekeningen. De betwiste en de referentie-handtekeningen zijn op verschillende kenmerken beoordeeld en vergeleken. De betwiste handtekeningen tonen op alle kenmerken goede overeenkomsten met de referentie-handtekeningen. De conclusie in het deskundigenrapport luidt dat de onderzoeksresultaten waarschijnlijker zijn wanneer de betwiste handtekeningen, XI en X2, authentieke handtekeningen zijn afkomstig van de schrijver van de handtekeningen VI en V2 (hypothese 1) dan wanneer deze afkomstig zijn van een andere schrijver en de producten zijn van nabootsing (hypothese 2) waarbij de deskundige aantekent dat hier aldus niet een van de hogere waarschijnlijkheidsgradaties van toepassing is. De deskundige is op 28 juni 2016 door de rechter-commissaris gehoord. De verdediging was daarbij aanwezig en heeft de deskundige kunnen bevragen over zijn onderzoek en de conclusies. De deskundige heeft bevestigd dat hij niet met zekerheid kan zeggen dat de betwiste handtekeningen geen nabootsing zijn. De nabootsingshypothese is niet waarschijnlijk te achten. Zijn conclusie is dat de handtekeningen XI en X2 authentieke handtekeningen zijn, maar dat kan hij niet met zekerheid vaststellen en dat is een gevolg van de kwaliteit van het onderzoeksmateriaal. In hoger beroep heeft opnieuw handschriftonderzoek plaatsgevonden en zijn betwiste handtekeningen onderzocht door deskundigen W. de Jong, P.L. Zevenbergen en C. Verhulst. Deskundige De Jong heeft aanvullend onderzoek gedaan naar het schrijverschap van twee handtekeningen op twee lijsten, waarvan één gedateerd 16 augustus 1978 met 211 namen (zie p. 937 tot en met 943) en één gedateerd 24 augustus 1978 met 123 namen (zie p. 944 tot en met 947, vertalingen op p. 991 tot en met 997 respectievelijk 998 tot en met 1001). De Jong heeft de handtekening op deze documenten opnieuw vergeleken met verdachtes handtekeningen op diens originele paspoort en identiteitskaart. De Jongs conclusie is dat de onderzoeksresultaten waarschijnlijker zijn wanneer de betwiste handtekeningen reproducties zijn van authentieke handtekeningen van de verdachte, dan wanneer deze niet door de verdachte zijn vervaardigd. De vraag of het inderdaad verdachtes handtekeningen zijn kan niet worden beantwoord. Deskundige Verhulst heeft onderzoek gedaan naar de betwiste handtekeningen en hetzelfde materiaal onderzocht als De Jong in eerste aanleg. Hij oordeelt dat de bevindingen van het onderzoek iets waarschijnlijker zijn wanneer de betwiste handtekening een authentieke handtekening van betrokkene is, dan wanneer de betwiste handtekening een vervalsing of nabootsing van de handtekening van betrokkene is. Hij doet die uitspraak ten aanzien van het document dat De Jong aanduidde als X
- Over de handtekening op het document X1 kan hij geen oordeel geven. Deskundige Zevenbergen heeft eveneens hetzelfde materiaal onderzocht als De Jong in eerste aanleg en komt tot de conclusie dat de kwaliteit en kwantiteit van zowel het ter onderzoek aangeboden materiaal alsmede het vergelijkingsmateriaal niet toestaan dat een forensisch schrift- en documentonderzoek kan worden uitgevoerd, waarvan de conclusie voldoende overtuigend en betrouwbaar is. Hierdoor kan ook geen uitspraak worden gedaan of de betwiste handtekeningen al dan niet het product zijn van toegepaste ‘listige kunstgrepen’(zoals knippen, plakken, printen, fotokopiëren of bewerken met een fotobewerkingsprogramma). Wanneer de bezwaren en beperkingen van het gebruik van het ter beschikking gestelde materiaal terzijde worden geschoven, is het evenwel gelet op zowel het aantal, de aard, en de kwaliteit van (de combinatie van) de als essentieel te kwalificeren schriftkundige overeenkomsten, zonder schriftkundige verschillen, veel waarschijnlijker dat de betwiste handtekeningen echte handtekeningen zijn van de persoon die ook het vergelijkingsmateriaal heeft geproduceerd , dan dat de betwiste handtekeningen zijn geproduceerd door een willekeurig ander persoon.Aan deze conclusie kan slechts een indicatieve betekenis worden toegekend. Ook heeft deze deskundige ten aanzien van beide betwiste handtekeningen vastgesteld dat er geen imitatiekenmerken zijn waar te nemen, hetgeen een zwaarwegende indicatie vormt ten faveure van de authenticiteit van deze handtekeningen. Er zijn geen sporen van nabootsing aangetroffen. De verdediging heeft bij pleidooi in hoger beroep bepleit dat het rapport en de verklaring bij de rechter-commissaris van deskundige De Jong dienen te worden uitgesloten van bewijs, omdat deze deskundige niet betrouwbaar zou zijn. Ter onderbouwing wordt gewezen op bepaalde tentatieve formuleringen die de deskundige in zijn rapport zou hebben gebruikt en die niet overeen zouden komen met zijn stelliger conclusies tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris. Tevens wordt gesteld dat de deskundige in zijn rapport ten onrechte uitgaat van de conclusie dat het “waarschijnlijker” is dat de handtekeningen van dezelfde persoon afkomstig zouden zijn, terwijl de deskundige zou hebben bedoeld dat het “iets waarschijnlijker” is. Met betrekking tot de overige rapporten, ook het aanvullende rapport van De Jong, merkt de verdediging op dat er tussen de onderzoekers veel verschil van mening bestaat en dat de rapporten daarom met terughoudendheid zouden moeten worden gebruikt. Het rapport van De Jong en zijn verklaring bij de rechter-commissaris zouden geheel moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het oordeel van het hof Het hof zal zich allereerst uitspreken over de betrouwbaarheid van het onderzoek van deskundige De Jong. Deze deskundige heeft twee rapporten opgemaakt en is gehoord bij de rechter-commissaris. De deskundige is ingeschreven in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen op het gebied van forensisch schriftonderzoek. Alle deskundigen in dit register worden getoetst aan de hand van objectieve criteria voor kwaliteit, betrouwbaarheid en bekwaamheid. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet het hof, gelet op de inhoud van de beide rapportages en de toelichting van de deskundige bij de rechter-commissaris geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid en de betrouwbaarheid van het onderzoek dat door deze deskundige is uitgevoerd. Te meer, daar ook de andere, ook de door de verdediging verzochte, deskundigen op basis van hetzelfde onderzoeksmateriaal tot min of meer vergelijkbare conclusies komen. Voor zover de verdediging vraagtekens plaatst bij de verklaring van de deskundige bij de rechter-commissaris, merkt het hof op dat de verdediging bij dat verhoor aanwezig is geweest en alle ruimte heeft gekregen om haar vraagtekens rechtstreeks voor te leggen aan de deskundige. Het verzoek om het rapport en de getuigenverklaring van De Jong uit te sluiten van het bewijs zal dan ook worden afgewezen. Zoals al eerder aangegeven, betreurt het hof met de verdediging en het openbaar ministerie dat ook na pogingen daartoe door het openbaar ministerie de originelen van de onderzochte documenten niet zijn verkregen. Het hof acht het echter niet aannemelijk dat nader onderzoek van de originelen tot een andere conclusie met betrekking tot de handtekeningen zou leiden. Hoewel zij allen wijzen op de beperkingen van het onderzoek, biedt het onderzoek van de deskundigen, zoals dat steeds wèl heeft kunnen plaatsvinden en zoals hiervoor weergegeven, daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Verder geldt dat de verdachte weliswaar heeft ontkend de brieven te hebben getekend, maar ook heeft nagelaten een aannemelijke verklaring te geven voor de handtekening met zijn naam en functie op de brieven. Toch zal het hof onderzoeken of een alternatief scenario plausibel is. Alternatief scenario? Voor zover de verdachte heeft willen suggereren dat de handtekeningen destijds door een ander in Gojjam moeten zijn vervalst, overweegt het hof met de rechtbank dat dit bijzonder onwaarschijnlijk is. Niet alleen omdat het antwoord op de brieven, te weten de bevestigingen van de revolutionaire maatregelen, naar het kantoor van de verdachte werden verzonden maar ook omdat blijkens de brief van het hoofd van de gevangenis van Metekel van 17 augustus 1978 de eerder gegeven schriftelijke opdracht tot het nemen van revolutionaire maatregelen ten aanzien van 5 personen ook telefonisch was gegeven. Daarbij komt nog dat De Jong nabootsing onwaarschijnlijk acht en ook deskundige Zevenbergen heeft geconcludeerd dat het ontbreken van imitatiekenmerken een zwaarwegende indicatie vormt ten faveure van de authenticiteit van de handtekeningen. Voor zover is bedoeld te suggereren dat de inhoud van de brieven en de handtekeningen op de brieven pas veel later zijn vervalst door montage ten tijde van (en ten behoeve van) het strafproces tegen de verdachte in Ethiopië, overweegt het hof als volgt. De handtekeningen op twee van deze brieven zijn zoals gezegd onderzocht door drie handschriftdeskundigen. Hoewel zij niet hebben kunnen uitsluiten dat montage mogelijk is, komt dit het hof zeer onwaarschijnlijk voor. Immers: de betwiste handtekeningen op de (vele, zeker na toevoeging van nieuwe, eveneens betwiste documenten in hoger beroep) documenten verschillen alle wel iets van elkaar, hetgeen falsificatie door montage hoogst onwaarschijnlijk maakt. Het hof verwerpt tenslotte de door de verdediging nog geopperde mogelijkheid van persoonsverwisseling. Dat er mogelijk in Ethiopië ook andere personen waren met de naam [naam verdachte] is daartoe ontoereikend; de verdachte heeft bovendien ook ter zitting in hoger beroep verklaard dat er geen andere [naam verdachte] bij de Derg zat. Alternatieve scenario’s zijn dan ook niet aannemelijk geworden. Nu het hof ook anderszins geen redenen heeft om te twijfelen aan de authenticiteit van de handtekeningen, komt het hof, mede bezien in het licht van de getuigenverklaringen en de (overige) vaststellingen met betrekking tot de taken en functie van de verdachte (zie ook hierna), tot de conclusie dat de verdachte de brieven met namen en lijsten heeft ondertekend. Dat er geen originele documenten zijn verkregen en dus ook niet onderzocht konden worden maakt deze conclusie niet anders. Nu er geen enkele reden is te veronderstellen dat deze van een ander dan de verdachte afkomstig zijn, geldt voornoemde conclusie niet alleen voor de documenten die zijn onderzocht, maar ook voor de andere brieven en stukken uit Ethiopië, met naam van de verdachte, functie en handtekening. Het hof schrijft ook deze toe aan de verdachte. 12.4 Verzoeken tot aanvullend onderzoek van de Ethiopische documenten De verdediging heeft voorwaardelijk verzocht tot aanvullend onderzoek van de documenten uit het Ethiopische strafdossier, inclusief de documenten zoals vermeld op de ‘list of documents’. Daarbij is niet nader onderbouwd welk soort onderzoek zou moeten plaatsvinden, en evenmin door wie dat onderzoek zou moeten worden gedaan. Gelet op dit gebrek aan onderbouwing ziet het hof geen noodzaak tot het gelasten van nader onderzoek. 12.5 Het rapport van de deskundige Abbink Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het deskundigenrapport van prof. dr. G.J. Abbink d.d. 29 april 2016, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, voor het bewijs kan worden gebruikt. Weliswaar heeft Abbink opmerkingen gemaakt over de verdachte en zijn schuld, maar dat is geen grond om het gehele rapport van Abbink buiten beschouwing te laten nu dat voor het overgrote deel over andere onderwerpen gaat dan de rol en schuld van verdachte. Het rapport van Abbink kan dan ook in ieder geval in relatie met die onderwerpen voor het bewijs worden gebruikt en het openbaar ministerie verzoekt het hof dat te doen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat geen onderscheid kan worden gemaakt in hoeverre de deskundige alleen heeft gerapporteerd en verklaard over hetgeen zijn wetenschap en kennis hem leren, of dat hij zich bij zijn bevindingen ook (deels) heeft gebaseerd op hetgeen hij in het hem ter beschikking gestelde strafdossier over de verdachte heeft gelezen. Nu hij zich – al dan niet baserend op de stukken uit het dossier – tevens heeft uitgelaten over de schuldvraag kan de deskundige niet langer als objectief worden beschouwd. Dat het rapport slechts deels (expliciet) ziet op de verdachte en zijn schuld, kan niet afdoen aan dit oordeel. Het hof zal het rapport en de verklaringen van deze deskundige dan ook niet tot het bewijs bezigen. 12.6 Fair trial Het hof zal tenslotte in dit hoofdstuk stilstaan bij de vraag of de door de verdediging aangedragen punten tezamen (dat wil zeggen ter onderbouwing van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, en de – afgewezen - voorwaardelijke verzoeken) maken dat de procedure nog voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM. Het hof heeft hierbij onder ogen gezien dat getuigen niet konden worden gehoord, en originelen van documenten uit Ethiopië niet zijn verkregen. Het gaat om feiten van lang geleden en niet alle getuigen weten nog alles. Ook de verdachte moest bij zijn verklaringen en zijn verdediging meestal ver terug in zijn geheugen gaan. Daar staat tegenover dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep getuigen op verzoek van de verdediging zijn gehoord, zij daarbij het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen en dat uitsluitend die getuigen voor het bewijs zullen worden gebruikt. Ten aanzien van zich in het dossier bevindende documenten heeft (ook) door de verdediging verzocht deskundigenonderzoek plaats gehad. Door het aanpassen van de zittingslocatie is het hof tegemoet gekomen aan de medische situatie van de verdachte, om hem alle gelegenheid te geven ter zitting zijn verklaring af te leggen. De verdachte en zijn raadslieden hebben als zodanig tegen de opsporingsresultaten kunnen inbrengen wat zij wensten. Dat het ten laste gelegde lang geleden heeft plaatsgevonden heeft hieraan niet in de weg gestaan. Het hof heeft alternatieve scenario’s in ogenschouw genomen en onderzocht. Het hof is dan ook van oordeel dat de conclusie dat sprake is van een eerlijke procedure “as a whole” nog steeds gerechtvaardigd is. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep was dit het geval.
- De beoordeling van de tenlastelegging 13.1 Het bestaan en de aard van het conflict 13.1.1 Gewapend conflict Zoals hiervoor overwogen is het internationaal humanitair recht van toepassing wanneer sprake is van een gewapend conflict op het grondgebied van een van de verdragsluitende partijen. De dader moet – wil hij voor een oorlogsmisdrijf veroordeeld kunnen worden – bovendien kennis hebben van het bestaan van dit gewapend conflict. Toetsingskader Onderscheid wordt gemaakt tussen internationaal gewapende conflicten tussen staten en niet-internationaal gewapende conflicten binnen een staat. De regels voor deze twee typen conflicten verschillen op onderdelen. Nu er geen reden is om het ten laste gelegde in verband te brengen met een conflict tussen Ethiopië en een andere staat zal het hof slechts bezien of er sprake is van een niet-internationaal conflict. Vooropgesteld moet worden dat de vaststelling of sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict in hoge mate een feitelijke beoordeling is, die afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Met name het ICTY heeft door de jaren heen het begrip ‘niet- internationaal gewapend conflict’ in zijn rechtspraak nader uitgewerkt en criteria ontwikkeld voor de beoordeling van de vraag of hiervan sprake is. Ook het ICC hanteert deze criteria, en heeft onder verwijzing naar de commentaren van het ICRC vastgesteld dat deze door staten als gezaghebbend worden beschouwd en een algemene praktijk van staten is geworden. In de eerste plaats dient de intensiteit van het conflict van het niveau van aanhoudend gewapend geweld (“protracted armed violence”) te zijn en in de tweede plaats dienen de betrokken gewapende groeperingen voldoende georganiseerd te zijn. Factoren die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de intensiteit van een conflict omvatten het aantal, de duur en de intensiteit van de afzonderlijke confrontaties; het type wapens en ander militair materiaal; aantal en kaliber van de afgevuurde munitie; het aantal personen en het soort gewapende groeperingen die deelnemen aan het gevecht; het aantal slachtoffers; de omvang van de materiele schade; en het aantal vluchtelingen uit de gevechtsgebieden. De betrokkenheid van de VN Veiligheidsraad kan ook een indicatie van de intensiteit van het conflict vormen. Hoewel het geweld niet voortdurend en onafgebroken hoeft plaats te vinden, wordt de drempel van “protracted armed conflict” niet gehaald als sprake is van interne ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen en op zichzelf staande en sporadisch voorkomende gevallen van geweld. Voor de vaststelling van de organisatiegraad van de gewapende groeperingen kunnen de volgende factoren van belang zijn: het bestaan van een commando structuur en disciplinaire regels en mechanismen binnen de groep; het bestaan van een hoofdkwartier; de omstandigheid dat de groep een bepaald territoir controleert; de mogelijkheid om de groep toegang tot wapens te geven en ander militair materiaal, rekrutering en militaire training; de mogelijkheid om militaire operaties te plannen, coördineren en uitvoeren, inclusief troepenbeweging en daarmee samenhangende logistiek; de mogelijkheid een uniforme militaire strategie te bepalen en het gebruik van militaire tactieken, en de mogelijkheid om met een stem te spreken en te onderhandelen en overeenkomsten af te sluiten zoals een staakt het vuren of een vredespact. Het betreft geen uitputtende lijst en geen van de factoren is daarbij op zichzelf beslissend. Een staat wordt verondersteld strijdkrachten te hebben die voldoen aan het vereiste van organisatie. Als eenmaal is vastgesteld dat sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict, dan is het internationaal humanitair recht van toepassing op het hele grondgebied dat onder controle staat van een bij het conflict betrokken partij, of daar nu gevochten wordt of niet. Een niet-internationaal gewapend conflict in Ethiopië? Alvorens de vraag te beantwoorden of in Ethiopië in de ten laste gelegde periode sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict zal het hof kort ingaan op relevante ontwikkelingen in Ethiopië in de jaren ervoor. 12.1.2 Relevante ontwikkelingen in Ethiopië vanaf 1974 In 1974 greep het leger de macht in Ethiopië. De groep militairen die de macht in handen kreeg vormde “de Derg”, Amhaars voor (letterlijk:) een comité van gelijken. De Derg bestond aanvankelijk uit 126 leden. Op 12 september 1974 kwam de Derg met een proclamatie waarbij keizer Haile Selassie werd afgezet en de Derg werd omgevormd tot de Provisional Military Administrative Council (hierna: PMAC). Bij latere proclamaties werd de grondwet opgeschort, het parlement ontbonden en er werd een verbod afgekondigd op stakingen en demonstraties. Tijdens de eerste jaren van de revolutie werden grond en bedrijven door de Derg genationaliseerd en met de vorming van boerenassociaties en wijkverenigingen (urban dwellers' associations), ook wel kebeles genoemd, veranderde ook het bestuur. Marxistisch-leninistisch onderwijs werd verplicht gesteld. Scholen werden gesloten en scholieren werden in het kader van de National Campaign for Development het platteland opgestuurd. In november 1974 deelde de PMAC mee dat zij haar voorzitter, Aman Andom, had doodgeschoten en een groep van ongeveer zestig gedetineerden, bestaande uit zowel hoge functionarissen van het voormalig keizerlijk regime als haar eigen leden, had geëxecuteerd. Op 3 februari 1977 pleegde vice-voorzitter van de Derg Mengistu Haile Mariam een coupe en kreeg hij, met de moord op Derg-voorzitter Teferri Banti en 3 leden van de Standing Comittee de volledige macht. In november 1977 werd majoor Atnafu Abate, vicevoorzitter van de PMAC samen met 46 officieren geëxecuteerd. Zo kwam het dat de Derg in 1978 nog maar 80 leden telde. Er waren verschillende linkse (contra-)bewegingen, zoals de Ethiopian People’s Revolutionary Party (hierna: EPRP) en de All Ethiopian Socialist Movement (hierna: Meison). Meison schaarde zich aanvankelijk nog in het kamp van de Derg, maar behoorde in de loop van 1976 ook tot de tegenstanders van het regime. Een meer aristocratische onafhankelijkheidsbeweging werd gevormd door de Ethiopian Democratic Union (hierna: EDU). In 1975 en 1976 hadden gewapende EDU-eenheden veel van de Gondar regio onder controle, met name langs de grens met Soedan. Daarnaast had de Derg te kampen met de Eritrese onafhankelijkheidsbewegingen Eritrean Liberation Front (ELF) en Eritrean People’s Liberation Front (EPLF) die vanaf januari 1975 gezamenlijk strijd voerden tegen het Ethiopische leger. De EPRP en het EPLF hadden ook contacten met het Tigray People’s Liberation Front (hierna: TPLF), een in 1975 opgerichte linkse studentenbeweging, die in de volgende jaren steeds meer controle over de provincie Tigray verwierf. 13.1.3 Partijen bij conflict De EPRP/EPRA De EPRP was zoals vermeld een linkse oppositiebeweging en is opgericht in
- De militaire training van EPRP-leden startte in 1973 en in 1975 bestond de kern van het leger uit 30, deels door het Eritrean People's Liberation Front (EPLF) bewapende personen die opereerden vanuit de Tigray provincie. Vanaf juni 1974 kende de EPRP een centraal leiderschap, een politiek programma en gaf het een periodiek met de titel “Democracia” uit. Naast een centraal leiderschap was de EPRP georganiseerd per geografische zone. Deze zogenoemde “inter zonal committees” kregen de bevoegdheid zelfstandig besluiten te nemen en aan ieder inter zonal committee werd een lid van het centraal comité toegevoegd. Tijdens het eerste congres van de EPRP in 1972 werd het besluit genomen om een leger te formeren. Dit leger staat bekend als het Ethiopian People's Revolutionary Army (EPRA). De EPRA had een grote aantrekkingskracht onder jongeren en vanaf begin 1977 groeide het aantal leden fors. De EPRA basis in Assimba telde in maart 1977 meer dan duizend man, die in Tigray en Begemidir meer dan vijftienhonderd. Ook Ghelawdewos Araia spreekt van groei van de EPRA aan het eind van 1977 en begin van
- De toename in omvang van de EPRA, samen met een grote toename van wapenleveranties via het buitenland comité van de EPRP in dezelfde periode, maakten hervormingen nodig. Een “Rectification Movement” leidde tot de totstandkoming van een eigen EPRA statuut, waarin behalve de grondbeginselen (democratisch centralisme, centraal leiderschap), de rechten en plichten van de EPRA leden werden beschreven. Ook kwam er een nieuwe commandostructuur: het Central Committee van de EPRP voerde vanaf dan het bevel over de strijdkrachten en gaven operationele sturing via het Military Committee. Ook voorzag het statuut in een militaire rechtbank. Naast een leger beschikte de EPRP over Urban Armed Wings, ook Urban Defense Wings genoemd, die in de organisatiestructuur onder het Military Committee stonden. In 1977 had elk Zonal Committee tussen de vier en zes Urban Military Units onder zijn bevel staan. In bepaalde gevallen zelfs achttien units. In Addis Abeba waren tussen de vijftig en zestig Urban Military Units actief met in totaal 225 tot 250 leden. De bevelstructuur was als volgt: bovenaan stond het Central Committee, daaronder de Military Committee, daaronder het Rural and Urban Armed Wing Leadership Committee en daaronder het Operations Committee. Het Rural and Urban Armed Wing Leadership Committee was verantwoordelijk voor het implementeren en opvolgen van beslissingen van het Central Committee van de EPRP ten aanzien van militaire activiteiten in de stad. Het Operations Committee bestond uit gekwalificeerde en professionele militaire activisten. De Staat De EPRP streed tegen de Derg, de toenmalige (militaire) overheid in Ethiopië, en vice versa. De Derg beschikte over het regeringsleger dat in de jaarrapportage 1974-1977 van de Nederlandse ambassade te Addis Abeba werd geschat op 80.000 man en blijkens de jaarrapportage 1977-1978 was gegroeid tot 400.000 man. In augustus 1977 werd het National Revolutionary Operations Command (NROC) opgericht (Kiflu Tadese duidt dit orgaan aan als de National Revolutionary Campaign Council (NRCC)). Bij proclamatie 129/1977 werden alle militaire eenheden onder bevel van het NROC gebracht. Mengistu c.s. benoemden de leden van dit orgaan, dat aldus het bevel had over leger, politie en milities. Mengistu heeft daarnaast een strijdgroep opgezet, bekend onder de naam Nabalbal (“Vlam”), die tevens functioneerde als een speciale verzetsbestrijdingseenheid. Het militaire bevel was voorzien van een parallelle structuur van zowel kaders en (links politieke) commissarissen, bestaande uit slechts Mengistu getrouwen. Door deze politieke invloed verstevigde hij de grip op het militaire apparaat. Tegenstanders, ook binnen de Derg, werden op efficiënte wijze geëlimineerd. Bij de uitvoering van de Rode Terreur (zie hierna) waren behalve het leger, de (militaire geheime) politie, de veiligheidsdienst (“the Security”) en de Nebalbal units ook diverse squadrons betrokken. De kebeles hadden hun eigen “Revolutionary Defense Squads”, waarmee ze effectief toezicht hielden op de bewoners van een kebele, en hen controleerden. De kebeles kregen gaandeweg vergaande bevoegdheden bij de opsporing en arrestatie van personen. Daarnaast waren er de partijkaders en squadrons, waarvan de bekendste was de Seded (Seded betekent razend vuur). Tussenconclusie Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de EPRP met de militaire tak EPRA en de Urban Armed Wings in de relevante periode een voldoende georganiseerde, gewapende groep was. Hetzelfde geldt voor de Derg. 13.1.4 Gewapende strijd Strijdhandelingen Derg De Derg verklaarde de EPRP in september 1976 tot vijand van de revolutie. Vanaf dat moment - ook wel het begin van de "War of Annihilation" genoemd - werden duizenden EPRP-leden en sympathisanten door de overheid gevangengenomen en geëxecuteerd. Het extreme geweld waarmee De Derg reageerde op (onder meer) de EPRP, staat bekend als de Rode Terreur. Eind 1976 gaven de Derg-leiders de gewapende kebeles de opdracht om 'contrarevolutionairen uit te wissen’ (to wipe out counterrevolutionaries). Middels zoek- en vernietigingscampagnes was de regering in staat EPRP-militanten die ondergronds waren gegaan op te sporen en te elimineren of op te sluiten, en de burgerbevolking te ontwapenen. Bahru Zewde schrijft: “These exercises formed a dress rehearsal for the full-blown Red Terror, in which thousands of the regime’s opponents were brutally murdered on the streets. Directed primarily against the EPRP this licence to kill subsequently engulfed other opponents of the regime like the EPLF and TPLF — as well as, ironically, Ma’ison, once a rift was created between that organization and the Darg.” Na de coupe van 3 februari 1977 werd Mengistu de opperbevelhebber van de strijdkrachten. Vanaf dat moment verhevigde het geweld. In een speech op 17 april 1977 riep Mengistu op om te vechten tegen de vijanden van de revolutie en gooide flessen gevuld met een rode vloeistof kapot op de grond. Eind april 1977, anticiperend op 1 mei demonstraties, werden van EPRP-sympathie verdachte personen in groten getale door het hele land - ook in Gojjam - vermoord. Geschat werd dat ongeveer duizend kinderen waren gedood in Addis Abeba, waarbij hun lichamen op straat bleven liggen. Aan families van de doden werd het rouwen verboden. De massale moordpartijen werden onder meer gebaseerd op de belofte “for every revolutionary killed, a thousand counter-revolutionaries executed”. Er vonden ook massale arrestaties plaats van vermeende EPRP-aanhangers. Familieleden die naar vast gebruik voedsel en eten naar de gevangenis brachten moesten begrijpen dat de betrokken persoon dood was, als ze werden weggestuurd en te horen kregen dat ze niets meer behoefden te brengen. Hoewel rond maart 1978 de meest massale moordpartijen voorbij waren, ging het gevangenzetten en executeren door, met name ook in de provincie. Het inluiden op 27 juni 1977 van de "Red Campaign" gebeurde middels een 4,5 uur durende parade in Addis Abeba van ca. 60.000 man, waarvan ruim 50.000 man uit militia bestond, waarbij Mengistu zijn toespraak afsloot met de woorden: “the EPRP, EDU and the Eritrean secessionist reactionary organisations will be crushed’. Vermeende tegenstanders van de Derg dienden publiekelijk hun EPRP-lidmaatschap te bekennen. Dat gebeurde onder dreiging met de dood tijdens zogeheten exposure meetings, massale bijeenkomsten. Wanneer men niet zichzelf bekend maakte maar door iemand anders zou worden aangegeven, zou executie volgen. Op scholen werden studenten en leraren opgepakt tijdens dit soort bijeenkomsten. Ouders en kinderen werden gedwongen elkaar aan te geven. In november 1977 werd zoals vermeld majoor Atnafu Abate, vicevoorzitter van de PMAC samen met 46 officieren geëxecuteerd. Atnafu werd ervan verdacht de kant van EPRP en de EDU te hebben gekozen. Brieven en posttelegrammen van de Nederlandse ambassadeur voornoemd van oktober, november en december 1977 verhalen van gewapende acties om EPRP-leden in Addis Abeba uit hun schuilplaatsen te verdrijven, zuiveringsacties middels moorden en terechtstelling van contrarevolutionairen behorend tot de EPRP. In het jaarrapport van de ambassade staat dat er vanaf december 1977 in de hoofdstad honderden lijken in de vroege ochtenduren werden achtergelaten langs de straten als afschrikwekkend voorbeeld voor de bevolking. Strijdhandelingen EPRP Ook de EPRP legde vanaf september 1976 het primaat bij de gewapende strijd. In Democracia verscheen in de tweede week van september 1976 de volgende tekst: "Understanding the nature and the last ditch efforts that the fascist will make and understanding that in the final analysis the decisive role would be played by a force supported by the people, it has been quite a while since the EPRA was formed and engaged in an armed struggle. In order to counter the anti-EPRP campaign, the organization will pay more attention to this wing." Het begin van de rode terreur ging dan ook samen met het plegen van aanslagen op prominente leden van de Derg door de EPRP, met behulp van de EPRA; voorbeelden zijn de op 23 september 1976 mislukte aanslag op Mengistu (die aan de EPRP wordt toegeschreven), en de moord later die maand van Meison prominent Feqre Mare’d. Gedurende de laatste maanden van 1977 lokte de EPRA in Begedemir het 217e Nebelbal regiment in een hinderlaag, waarbij officieren gevangen werden genomen en wapens en munitie werden buitgemaakt. In februari 1978 voerde de EPRA een actie uit in Tigray waarbij officieren van Nebelbal werden gedood. In juli 1978 vond in het Begedemirgebied een operatie van de EPRA plaats tegen een militair kamp van de Derg, dat weliswaar werd vernietigd, maar waarbij veel EPRA strijders het leven lieten. Het aantal EPRA leden groeide echter weer door instroom uit de stedelijke gebieden waar mensen de Rode Terreur ontvluchtten. De EPRA was daardoor in staat om in drie regio’s contingenten in te zetten, die ieder hun eigen bevelstructuur hadden. In december 1978 was het R-3 Command nog in staat een aanval op Addis Zémen uit te voeren. De EPRP/EPRA ontving ook wapens van het ELF, en de EPRA voerde ook een aantal militaire acties uit samen met het EPLF. De Urban Armed Wings pleegden in augustus en september 1976 aanslagen en overvallen om aan wapens te komen, pleegden een aanslag op leden van Meison – onder wie de rechterhand van Mengistu - en pleegden de mislukte aanslag op Mengistu. EPRP-leden pleegden in 1977 aanslagen en moorden. Meerdere permanent secretarissen van verschillende ministeries en ongeveer dertig kebele leiders werden door de EPRP gedood. De hiervoor beschreven strijdhandelingen vinden steun in de verklaringen van de verdachte. Ter zitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat, in de tijd dat hij in Gojjam was, Gojjam en Gondar conflictgebieden waren. De EPRP had grote invloed en de verdachte noemde de EPRP “een in die tijd onbeschrijflijk gewelddadige organisatie”. Zijn fotoalbum staat vol met vrienden en kameraden die zijn geliquideerd door de EPRP. De EPRA/EPRP basis in Metekel (hof: in het westen van Gojjam) was door zijn ligging naast Soedan heel bedreigend voor de hele natie. Verder heeft de verdachte verklaard dat er in die tijd ook heftig gevochten werd in het Noorden, in Eritrea. De enige grote weg van Addis Abeba naar het noorden liep via Debre Marcos in Gojjam. De EPRP had deze weg geblokkeerd, zodat de Derg troepen zich niet naar het noorden konden verplaatsen. De militaire eenheid die de weg had vrijgemaakt is op verzoek van de verdachte naar Metekel gegaan om daar de EPRP basis te ontmantelen. Deze ontmanteling is van groot belang geweest om de macht van de EPRP in Gojjam te doen afnemen, aldus de verdachte. Ook in hoger beroep heeft de verdachte verklaard over het gewelddadige karakter van de EPRP. Hij heeft verklaard dat duizenden mensen zijn gedood door de EPRP. Er moest tegen de EPRP gevochten moest worden, omdat zij de wapens hadden opgepakt en hadden gezworen om de Derg met geweld uit de macht te werken. Wetenschap verdachte Uit voornoemde verklaringen blijkt genoegzaam dat de verdachte wetenschap had van het gewapend conflict tussen de Derg en de EPRP. Conclusie Uit het voorgaande volgt dat er in Ethiopië voorafgaand en in de ten laste gelegde periode sprake was van langdurig en intensief geweld. Het gewapend conflict speelde zich af tussen enerzijds de Derg (de overheid) en anderzijds de binnenlandse oppositiegroep EPRP. De gewelddadigheden tussen de Derg en de EPRP zijn zonder meer intens te noemen. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat er tijdens de ten laste gelegde periode in Ethiopië sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict in de zin waarin die uitdrukking voorkomt in het humanitair oorlogsrecht en dat daarop gemeenschappelijk artikel 3 van toepassing is. Tenslotte Het hof volstaat met de constatering dat er sprake was van een gewapend conflict tussen de Derg en het EPRP en zal - anders dan de rechtbank - niet ook nog nagaan of er nog gewapende conflicten bestonden tussen de Derg en andere groepen. Het hof ziet daartoe, ook met het oog op de ten laste gelegde feiten, geen reden. Zoals uit het voorgaande blijkt heeft het hof bij het voorgaande, anders dan door het openbaar ministerie bepleit, niet het door het hof aan het dossier toegevoegde boek “Love of Assimba” door Kahsay Abraha Bisrat, betrokken, omdat – ook voor vaststelling van de wijze waarop de EPRA georganiseerd was – daartoe geen aanleiding bestond, terwijl de verdediging tegen het gebruik bezwaar heeft gemaakt. 13.2 De taak en functie van de verdachte De aan verdachte ten laste gelegde feiten zien op gedragingen in de periode dat de verdachte voor de Derg in Gojjam gestationeerd was. Voordat het hof toekomt aan de bespreking van deze feiten, zal het als tussenstap eerst vaststellen welke functie en taken de verdachte had. De functie van de verdachte in Gojjam Niet ter discussie staat dat de verdachte één van de leden van de Derg was. Er was geen andere [naam verdachte] lid van de Derg. Na een training in Moskou is hij omstreeks 1976 naar Gondar gestuurd en later naar Gojjam, waar hij in 1977/1978 als provinciaal vertegenwoordiger van de Derg was gestationeerd. Hij was daar - als enige Derg vertegenwoordiger - voorzitter van het revolutionair coördinerend campagnecomité (hierna ook: het campagnecomité). Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte het voorgaande – dat de rechtbank eerder had vastgesteld - bevestigd, hoewel hij ook te kennen gaf niet meer precies te weten wanneer hij in Gojjam zat. Daarnaast vervulde de verdachte op landelijke niveau binnen de Derg de functie van substituut lid van het Centrale Comité. Een beschrijving van de taken en bevoegdheden van het campagnecomité is te vinden in de door de Derg uitgebrachte proclamatie 177/
- De tekst van deze proclamatie is opgenomen in de Ethiopische krant Negarit Gazeta van 27 augustus
- De verdachte heeft verklaard de proclamatie te (her)kennen. Deze proclamatie, slechts in de Engelse taal in het dossier voorhanden, maakt melding van de oprichting van een zogeheten National Revolutionary Operations Command, aangevoerd door de Derg-voorzitter. In artikel 12 van de proclamatie is vastgelegd dat er per regio een Revolutionary Operations Coordinating Committee wordt ingesteld (het hof begrijpt: het campagnecomité). Artikel 14 handelt om de bevoegdheden en taken van dit comité, en houdt onder meer in: to follow up anti-revolutionary and anti-unity activities. Vanuit het perspectief van de Derg bezien kan dit naar het oordeel van het hof begrepen worden als het actie ondernemen tegen de politieke weerstand van de oppositie. Hoewel de proclamatie ook melding maakt van een Sector Command, met een door de regering aan te stellen sectorvoorzitter, was hierin niet voorzien voor Gojjam, zo heeft de verdachte ter zitting in hoger beroep verklaard. De verdachte was als voorzitter van het campagnecomité derhalve de enige vertegenwoordiger van de Derg in Gojjam. In geval van overtreding (op enigerlei wijze) van de proclamatie, zo blijkt uit artikel 25, volgde bestraffing: een ieder die orders voortvloeiend uit de proclamatie niet opvolgde of deze orders trachtte te ontwijken, of die iemand anders aanspoorde tot dergelijke ongehoorzaamheid, werd bestraft met gevangenisstraf tot vijf jaar en in meer serieuze gevallen tot levenslange gevangenisstraf of de doodstraf. De verdachte heeft verder verklaard dat de comités in de districten maatregelen treffen tegen antirevolutionaire bewegingen. Een van de taken in de proclamatie is dat er actie moest worden ondernomen tegen de antirevolutionaire groepen wanneer zij saboteerden of de eenheid van het land bedreigden. Met antirevolutionaire groepen worden meerdere groeperingen bedoeld, waaronder EPLF, TLF (het hof begrijpt: TPLF), EPRP, OLF, ONLF, SLF, enzovoort. De verdachte heeft in hoger beroep over zijn taken als voorzitter van het revolutionair coördinerend campagnecomité verklaard dat hij, als EPRP of een andere groepering in Gojjam geweld pleegde, hij dat dan met de politie of een andere stadsorganisatie ging bespreken. Hij had een coördinerende functie en zag erop toe dat er iets gedaan werd tegen gevechten. Zijn rol hield in het houden van toezicht, wat betekende dat hij toezicht hield op de hele politieke atmosfeer van de regio, inclusief de manier waarop de EPRP en andere organisaties werden bestreden. Over het Central Comité, waarvan de verdachte plaatsvervangend lid was, heeft hij verklaard dat het verantwoordelijk was voor de organisatie van een (nieuwe) socialistische partij. Over dit comité behelst het dossier niet veel informatie, behalve dat het de toezichthouder was op het Standing Comittee, dat beschouwd kan worden op als een soort uitvoerende macht, bestaande uit 17 Derg leden. Over de invulling van de functie van en door de verdachte kan verder de getuige [persoon 333] verklaren. Het hof ziet in hem wat dit betreft een waardevolle getuige, aangezien hij destijds net als de verdachte voorzitter van het campagnecomité was, maar dan in een andere regio (Illubabur). Hij werkte dus ook voor de Derg, en kende de verdachte kennelijk goed, want heeft verklaard 17 jaar met de verdachte samen te hebben gewerkt. Over de verdachte heeft hij verklaard dat hij, net als Mengistu, lid was van de radicale groep binnen de Derg. Er waren namelijk twee groepen binnen de Derg, die verschil van inzicht hadden over politieke kwesties en over de vraag of conflicten met geweld opgelost moesten worden. De extremisten vonden dat (onder andere) de EPRP met geweld vernietigd moesten worden. De verdachte was een actieve deelnemer tijdens vergaderingen en hij was voor radicale veranderingen, aldus [persoon 333]. De verdachte werd erop uitgestuurd om taken te verrichten, hij was dichtbij de leider. Extremistische leden van de Derg werden gestuurd naar plaatsen waar veel weerstand tegen de overheid was. De verdachte is daarom naar Gojjam gestuurd. Dat er in Gojjam veel tegenstanders waren werd verteld tijdens vergaderingen. In Gojjam had de verdachte volgens [persoon 333] in de hoedanigheid van zowel voorzitter van het revolutionaire campagnecomité als vertegenwoordiger van de Derg de politieke leiding. Hij diende de politieke situatie daar te controleren. Het revolutionaire campagne coördinerend comité ontving rapporten van de provincies of van verschillende instanties van het staatsdeel over de veiligheidssituatie, over mensen die de veiligheid verstoorden en vervolgens nam het comité daar beslissingen over. Er waren verschillende aankondigingen gedaan door de overheid. Het comité moest erop toezien dat de aankondigingen werden geïmplementeerd. Het comité ontving ook rapporten van de politie en van de veiligheidsdienst op staatsdeel niveau. Daarover vergaderde het comité en nam beslissingen. Het comité op staatsdeelniveau had volgens de aankondiging (het hof begrijpt: de proclamatie) de bevoegdheid om te beslissen over mensen die het comité tegenwerkten, of de implementatie tegenwerkten. Het comité besliste na onderzoek. De leider van de recherche afdeling van de politie was ook lid van het revolutionaire campagne coördinerend comité. Vanaf de lagere niveaus werden zaken naar het comité gestuurd. De periode dat de verdachte in Gojjam zat Ten aanzien van het tijdsbestek dat de verdachte in Gojjam gestationeerd was stelt het hof vast dat dit in elk geval in de periode februari 1978 tot en met augustus 1978 geweest moet zijn. De verdachte zelf heeft verklaard dat hij er in elk geval in 1978 was, en dat hij er voor 7 of 8 maanden geweest is. Niet alleen zijn er de nodige getuigen die over de aanwezigheid van de verdachte in Debre Marcos in Gojjam verklaren in die periode, maar ook zijn er de documenten (brieven met bevelen en bijgevoegde lijsten), steeds met de naam en functie van de verdachte eronder, welke documenten de periode 7 april 1978 - 24 augustus 1978 bestrijken. De functieomschrijvingen van verdachte zijn hierop weergegeven als ‘Voorzitter van het Coördinerend Comité van de Revolutionaire Campagne van de provincie Gojjam’ en ‘Permanent vertegenwoordiger van de Derg in de provincie Gojjam’. Ook herkende de verdachte bij verhoor zichzelf op een foto die is aangetroffen bij de doorzoeking in zijn woning. De verdachte heeft verklaard dat achterop die foto geschreven staat “Ginbot 26 1970 Bahir Dar”. Vertaald en omgerekend is dit 3 juni 1978 en feit van algemene bekendheid is dat Bahir Dar een plaats is in Ethiopië, gelegen in het toenmalige Gojjam. In het dossier bevindt zich tenslotte een artikel uit de Ethiopian Herald van 16 juni 1978 over Gojjam, waarin de verdachte "a member of the Provisional Military Administratie Council assigned to the region.." wordt genoemd, en waarin hij waarschuwt: the broad masses of the Ethiopian People should guard against subversive and reactionary plots. 13.3 De vaststelling van de feiten Het hof zal thans overgaan tot het vaststellen van de feitelijke g