GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.300.495/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/550828 / HA ZA 18-380 Publicatienummer rechtbank : ECLI:NL:RBDHA:2021:5653 Arrest van 31 januari 2023 in de zaak van [appellante] , wonend in [woonplaats], appellante, advocaat: mr. S.G. Blasweiler, kantoorhoudend in Ede, tegen 1 [verweerster], wonend in [woonplaats]
- [verweerder], wonend in [woonplaats] niet verschenen. Het hof zal partijen hierna noemen [appellante], [verweerster] en [verweerder], en de laatste twee samen [verweerders] 1Procesverloop in hoger beroep 1.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 1 september 2021 waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2019 en 2 juni 2021; de memorie van grieven van [appellante], met bijlagen. 1.2 [verweerders] zijn in deze procedure niet verschenen. Op 5 oktober 2021 is tegen hen verstek verleend. 2Procedure bij de rechtbank 2.1 [verweerders] hebben [appellante] gedagvaard en gevorderd: a. te verklaren voor recht dat [appellante] op het moment van overlijden van vader de beschikking had over de volgende drie schilderijen en twee beelden: - 1 olieverfschilderij op doek, in lijst, boer en boerin in landschap, gesigneerd Vincent, - 1 olieverfschilderij op doek, in lijst, meisje en jongen in de duinen, gesigneerd Daniël Noteboom, - 1 olieverfschilderij op doek, in lijst, strandgezicht Scheveningen, toegeschreven aan Louis Bron, - 1 bronzen beeld, vrouwenfiguur, “naar Chiparus”, - 1 rijk bewerkte speksteen groep, Chinees, (hierna gezamenlijk ook: de goederen) zoals genoemd op pagina 4 van het als productie 1 bij dagvaarding overgelegde expertiserapport; b. te verklaren voor recht dat [appellante] haar aandeel in de goederen op grond van artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft verbeurd aan [verweerders]; c. [appellante] te veroordelen tot betaling van 50% van de waarde van de goederen aan [verweerster] en 50% van de waarde van de goederen aan [verweerder], hetgeen neerkomt op betaling door [appellante] aan ieder van hen van een bedrag van ten minste € 12.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2017; d. [appellante] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten aan [verweerders], tot het moment van dagvaarding begroot op een bedrag van € 450,68 (inclusief btw), welke kosten nog dienen te worden vermeerderd met de kosten voor overbetekening van het inleidende processtuk, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding; e. [appellante] te veroordelen tot betaling van 50% van de buitengerechtelijke incassokosten aan [verweerster] en 50% van de buitengerechtelijke incassokosten aan [verweerder], hetgeen neerkomt op betaling door [appellante] aan ieder van hen van een bedrag van € 1.122,28 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding; f. [appellante] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de nakosten. 2.2 [verweerders] hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat [appellante] zonder toestemming van hun vader aan hem toebehorende goederen, te weten de hiervoor gespecificeerde drie schilderijen en twee beelden, voor zijn overlijden uit zijn woning heeft weggenomen en deze goederen vervolgens voor zichzelf heeft gehouden als ware zij eigenaar. [appellante] is gehouden een bedrag aan [verweerders] te voldoen gelijk aan de waarde van de ontvreemde goederen van ten minste € 25.000,--. 2.3 In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] heeft gesteld dat zij het bronzen vrouwenfiguurbeeld in 2006 van vader heeft gekregen en dat [verweerders] hun stelling dat [appellante] dit beeld rond 2008/2009 uit de woning van vader heeft gestolen onvoldoende hebben onderbouwd. Voor wat betreft de drie schilderijen en het speksteenbeeld heeft de rechtbank [verweerders] toegelaten tot bewijs dat [appellante] deze op 8 maart 2011 zonder toestemming van vader uit zijn woning in Wassenaar heeft meegenomen en deze goederen vervolgens voor zichzelf heeft gehouden en/of daarover heeft beschikt als ware zij eigenaar. 2.4 Nadat getuigen zijn gehoord, heeft de rechtbank in het eindvonnis van 2 juni 2021 overwogen dat [verweerders] het bewijs niet hebben geleverd. De rechtbank heeft alle vorderingen van [verweerders] afgewezen en de proceskosten gecompenseerd gelet op de aard van de procedure en de familiale band tussen partijen. 3Het bezwaar van [appellante] tegen de beslissing van de rechtbank 3.1 [appellante] is in hoger beroep gekomen. Het enige bezwaar dat [appellante] tegen het oordeel van de rechtbank heeft, is dat de proceskosten zijn gecompenseerd. Zij wil dat het hof dit onderdeel van de beslissing vernietigt en [verweerders] alsnog veroordeelt in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg. 4Beoordeling in hoger beroep 4.1 Niet alleen [appellante] is in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2019 en 2 juni
- Ook [verweerders] hebben tegen deze vonnissen beroep ingesteld. Dat hoger beroep is bij het hof geregistreerd onder nummer 200.300.498/
- In die parallelle zaak (waarin [appellante] is verschenen en verweer heeft gevoerd) heeft het hof eveneens op 31 januari 2023 uitspraak gedaan: het hof heeft de vonnissen van de rechtbank vernietigd, [verweerders] grotendeels in het gelijk gesteld en [appellante] veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. 4.2 Gelet op de beslissing van het hof in de parallelle zaak met nummer 200.300.498/01, faalt het hoger beroep van [appellante] in deze zaak met nummer 200.300.495/
- De eis van [verweerders] om de vonnissen van de rechtbank te vernietigen en [appellante] te veroordelen in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg is immers toegewezen. 4.3 Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van deze procedure in hoger beroep, tot op heden aan de kant van [verweerders] begroot op nihil. Beslissing Het hof: - wijst af wat [appellante] in dit hoger beroep heeft gevorderd (en verwijst verder voor de beslissing in deze zaak naar het tussen partijen op 31 januari 2023 gewezen arrest met zaaknummer 200.300.498/01); - veroordeelt [appellante] in de proceskosten van de procedure in hoger beroep van deze zaak met nummer 200.300.495/01, tot op heden aan de zijde van [verweerders] begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door mrs. H.J.M. Burg, A.A. Muilwijk-Schaaij en R.M. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2023 in aanwezigheid van de griffier.