Rolnummer: 22-001869-21 Parketnummer: 09-153038-21 Datum uitspraak: 15 augustus 2023 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 14 juni 2021 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum], ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in [PI]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de voorlopige hechtenis van de verdachte zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 11 juni 2021 te 's-Gravenhage, een fiets, merk/type E-Cult, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; 2.hij op of omstreeks 11 juni 2021 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak feit 2 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormde. De advocaat-generaal heeft geen inhoudelijk standpunt ten aanzien van het verweer ingenomen. Het hof overweegt als volgt. Het juridisch kader Naar vaste jurisprudentie dient de rechter bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van artikel 197 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) in voorkomende gevallen te onderzoeken of de ongewenstverklaring in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van Unierecht alsmede, indien ter zake verweer is gevoerd, van dat onderzoek in zijn uitspraak te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen. Het voorgaande geldt ook indien tegen de desbetreffende beschikking een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan en de verdachte van deze rechtsgang geen gebruik heeft gemaakt. Voor een veroordeling is immers vereist dat komt vast te staan dat de ongewenstverklaring berust op enig wettelijk voorschrift (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2854, NJ 2010/573 en HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:617). De Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 ziet op het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie (hierna: de Verblijfsrichtlijn). Artikel 27, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn is een rechtstreeks werkende bepaling van het Unierecht. In deze bepaling staat onder meer dat de om redenen van openbare orde genomen maatregelen (in dit geval: de ongewenstverklaring) uitsluitend gebaseerd mogen zijn op het gedrag van de betrokkene. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie mag een bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving niet automatisch worden vastgesteld op basis van een eerdere strafrechtelijke veroordeling voor specifieke strafbare feiten. De omstandigheden die tot die veroordeling hebben geleid, kunnen wel in aanmerking worden genomen om een dergelijke vaststelling te rechtvaardigen, voor zover na een onderzoek van het individuele geval blijkt dat sprake is van een persoonlijke gedraging die een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Toepassing van het juridisch kader De verdachte heeft de Poolse nationaliteit. Derhalve is hij een burger van de Europese Unie in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Bij beschikking van 11 februari 2019 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de verdachte ongewenst verklaard, welke beschikking op 14 februari 2019 in persoon aan hem is uitgereikt. Vast staat dat de ongewenstverklaring op de tenlastegelegde datum, 11 juni 2021, nog van kracht was. Het hof dient daarom te onderzoeken of de ongewenstverklaring op de tenlastegelegde datum nog immer in overeenstemming was met de rechtstreeks werkende bepalingen van het Unierecht. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval was. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 juli 2023 valt het volgende op te maken. Tussen de ongewenstverklaring en het feit waarvan de verdachte wordt verdacht, is er een aantal politiecontacten geweest die niet hebben geleid tot een veroordeling. De enige veroordeling – naast één voor overtreding van artikel 197 Sr in de periode van 14 februari 2019 tot en met 5 mei 2019 - is die voor een winkeldiefstal op 8 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.