GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.293.713/01 Zaaknummer rechtbank : 8661479 RL EXPL 20-12497 arrest van 7 maart 2023 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] Veiligheid B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante, eiseres in eerste aanleg, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. J.W. Hilhorst, tegen 1 [geïntimeerde 1],
- [geïntimeerde 2], beiden wonende te [woonplaats], geïntimeerden, gedaagde in eerste aanleg, hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden 2], niet verschenen. 1Het procesverloop 1.
- Bij exploot van 23 maart 2023 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het door de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (zittingsplaats ’s-Gravenhage) tussen partijen gewezen vonnis van 24 december
- 1.
- Dat exploot is niet ingeschreven op rol voor de rolzitting van 4 april
- Op 13 april 2021 is het herstelexploot aan [geïntimeerden 2] betekend. 1.
- Op de rolzitting van 4 mei 2021 is [geïntimeerden 2] verstek verleend. 1.
- [appellante] heeft vervolgens een memorie van grieven met producties genomen. 2De beoordeling 2.
- [appellante] vordert betaling van € 2.788,66 (hoofdsom, rente en incassokosten). Aan die vordering legt zij – onweersproken – het volgende ten grondslag. 2.
- [appellante] had twee overeenkomsten met “Suit Home” voor een camerasysteem en een elektronisch inbraakbeveiligingssysteem. Dat waren duurovereenkomsten (“abonnementen”) voor onderhoud van de systemen en meldkameraansluitingen. De v.o.f. G&P Flowers en Plants (hierna: de v.o.f.), waarvan [geïntimeerden 2] de vennoten waren, heeft beide overeenkomsten overgenomen van “Suit Home”. Daarvoor heeft de v.o.f. twee overnamecontracten getekend en aan [appellante] toegezonden. [appellante] heeft het camerasysteem en het elektronisch inbraakbeveiligingssysteem geïnstalleerd in het pand van de v.o.f. 2.
- [appellante] heeft – op grond van de overeenkomsten – vanaf 1 december 2018 aan de v.o.f. in rekening gebracht: - € 249,00 aan verhuiskosten, - € 39,54 (excl. btw) per maand, per 1 januari 2019 geïndexeerd naar € 41,40 (excl. btw) voor het beveiligingssysteem, - € 48,47 (excl. btw) per maand, per 1 januari 2019 verlaagd tot € 29,70 (excl. btw) voor het camerasysteem. 2.
- De desbetreffende facturen zijn door de v.o.f. ontvangen en zonder protest behouden. De eerste factuur, van € 39,54, is door de v.o.f. betaald, de overige facturen niet. Om die reden heeft [appellante] de overeenkomsten ontbonden en bij factuur van 1 juni 2020 een afkoopsom voor de resterende contractduur van de beide overeenkomsten in rekening gebracht (€ 403,04 en 609,40 respectievelijk). De door [geïntimeerden 2] onbetaald gelaten facturen bedragen in totaal € 2.384,
- 2.
- [geïntimeerden 2] hebben in eerste aanleg als verweer gevoerd: “Ik ben het niet eens met de vordering omdat hij 2e hands overgenomen is van een ander bedrijf.” Op de mondelinge behandeling in eerste aanleg zijn [geïntimeerden 2] (en de v.o.f.) niet verschenen. Ook in hoger beroep zijn [geïntimeerden 2] niet verschenen. 2.
- Dat betekent dat zij geen verweer hebben gevoerd tegen de hoogte van de hoofdsom (€ 2.384,38) en de verschuldigdheid van de wettelijke handelsrente noch tegen de hoogte en verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten. Ook is geen verweer gevoerd tegen de aansprakelijkheid van [geïntimeerden 2] voor deze bedragen als voormalig vennoten van de v.o.f. 2.
- De kantonrechter heeft de vordering als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Daartegen richt zich grief 1, met een nadere toelichting op de vordering. Die grief slaagt: de vordering van [appellante] is toewijsbaar. [geïntimeerden 2] zullen – zoals in eerste aanleg gevorderd – hoofdelijk tot betaling worden veroordeeld. 2.
- Het hof zal het vonnis vernietigen, de vorderingen van [appellante] alsnog toewijzen en [geïntimeerden 2] als de in het ongelijk te stellen partijen (hoofdelijk) veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep. De kosten van het herstelexploot laat het hof voor rekening van [appellante]. 3De beslissing Het hof: vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (zittingsplaats ’s-Gravenhage) van 24 december 2020, en opnieuw rechtdoende: - veroordeelt [geïntimeerden 2] hoofdelijk tot betaling van € 2.788,66 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over €2.384,38 vanaf 2 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; - veroordeelt [geïntimeerden 2] hoofdelijk in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] tot op 24 december 2020 begroot op € 499,00 en € 94,93 aan verschotten en € 360,00 aan salaris gemachtigde; - veroordeelt [geïntimeerden 2] hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 772,00 en € 89,41 aan verschotten en € 836,00 aan salaris advocaat; - verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; - wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, C.J.H.G. Bronzwaer en J.G.A. Struycken en ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2023 door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers in aanwezigheid van de griffier.