dRolnummer: 22-002336-21 PO Parketnummer: 10-994555-18 Datum uitspraak: 20 maart 2023 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag economische kamer Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2021 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], adres: [adres], [woonplaats]. Procesgang Bij arrest van de economische kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 20 maart 2023 is de betrokkene ter zake van het in zijn strafzaak onder 4 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een straf. De economische kamer van de rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 22 juli 2021 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 91.503,77 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat dat bedrag. Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. Vordering van het Openbaar Ministerie De oorspronkelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 933.229,25 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie deze vordering beperkt tot een bedrag van € 214.048,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.