GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie zaaknummers : 200.242.581/01 en 200.242.582/01 rekestnummers rechtbank : FA RK 16-9396 (echtscheiding) en FA RK 17-5207 (verdeling) zaaknummers rechtbank : C/09/523292 (echtscheiding) en C/09/535735 (verdeling) beschikking van de meervoudige kamer na terugwijzing door de Hoge Raad van 5 april 2023 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag, tegen [verweerster] , wonende te [woonplaats] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. N.T. Vogelaar te Maasdijk. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep na verwijzing 1.1 Bij (tussen)beschikking van 16 april 2021 heeft de Hoge Raad zowel de man als de vrouw ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoep tegen de beschikking van dit hof van 4 september 2019. Het cassatieberoep van de man (met nummer 19/05489) is in die beschikking verworpen. 1.2 Bij beschikking van 17 december 2021 in het cassatieberoep van de vrouw (met nummer 19/05481) heeft de Hoge Raad de beschikking van het hof van 4 september 2019 vernietigd en het geding teruggewezen naar het hof ter verdere behandeling en beslissing. 1.3 Voor het eerdere verloop van de procedure in hoger beroep tot 4 september 2019 wordt verwezen naar de voornoemde beschikkingen van de Hoge Raad (met zaaknummers 19/05489 en 19/05481). 1.4 Bij het hof zijn, na de beschikking van 4 september 2019, de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: op 19 november 2019 een brief van diezelfde datum, met bijbehorend journaalbericht: op 14 januari 2020 een brief van diezelfde datum, met bijbehorend journaalbericht; op 24 januari 2023 een brief met bijlagen, getiteld “akteverzoek vooruitlopende op het getuigenverhoor”; op 15 februari 2023 een e-mailbericht, met bijlagen; van de zijde van de vrouw: op 25 oktober 2019 een brief van diezelfde datum, met bijbehorend journaalbericht, met bijlagen; op 20 december 2019 een brief van diezelfde datum, met bijhorend journaalbericht; op 7 juni 2021 een brief van 4 juni 2021, met bijbehorend journaalbericht, met bijlage; op 17 september 2021 een brief van diezelfde datum; op 16 september 2022 een brief van diezelfde datum; op 3 februari 2023 een brief van diezelfde datum, met bijbehorend journaalbericht, met bijlagen. 1.5 De mondelinge behandeling heeft op 16 februari 2023 plaatsgevonden. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door mr. J.A.J. Hendriks die heeft meegedeeld waar te nemen voor zijn kantoorgenoot mr. Vogelaar. 2Het geschil in eerste aanleg, bij het hof en de Hoge Raad Eerste aanleg 2.1 De vrouw heeft in eerste aanleg de echtscheiding van partijen met nevenvoorzieningen verzocht. 2.2 De man heeft, behoudens voor wat betreft de echtscheiding, verweer gevoerd. Tevens heeft de man in eerste aanleg zelfstandig de echtscheiding met een aantal nevenvoorzieningen verzocht. 2.3 De rechtbank Den Haag heeft in de bestreden beschikking van 19 april 2018 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 1.360,- per maand, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van elke maand, te voldoen. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning te [adresgegevens echtelijke woning] , en het gebruik van de zaken, die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de man wordt bewoond en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt en dat de man gedurende die tijd een gebruiksvergoeding van € 1.400,- per maand, telkens voor de eerste van de desbetreffende maand bij vooruitbetaling, aan de vrouw dient te voldoen. In zoverre is de beschikking, met uitzondering van de beslissing tot echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder heeft de rechtbank in de beschikking - voor zover in hoger beroep nog van belang - bepaald dat partijen hun huwelijkse voorwaarden dienen af te wikkelen zoals in het lichaam van de beschikking vermeld. Het meer of anders verzochte is afgewezen. Hoger beroep 2.4 De man is in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 april 2018. Hij heeft het hof verzocht de bestreden beschikking, behoudens voor wat betreft de uitgesproken echtscheiding, te vernietigen en, opnieuw beschikkende, alsnog het verzoek van de vrouw in eerste aanleg af te wijzen en alsnog zijn (tegen)verzoek in eerste aanleg toe te wijzen, welk oorspronkelijk tegenverzoek inhield: partijen te bevelen ingevolge de huwelijkse voorwaarden tot uitkering over te gaan en een opstelling vermogen en verdeling vast te stellen zoals door de man bijgevoegd, met veroordeling van de vrouw om terug te betalen aan de man al hetgeen de man voldaan zal hebben aan de vrouw op grond van de bestreden beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente over iedere betaling aan de vrouw met de wettelijke rente van de datum van die betaling, tot de dag van betaling door de vrouw aan de man. Kosten rechtens. 2.5 De vrouw heeft verweer gevoerd en tevens incidenteel hoger beroep tegen de bestreden beschikking ingesteld. De vrouw heeft het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van de man ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de overwegingen met betrekking tot de partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden voor zover het betreft het perceel tuinland met toebehoren aan het (naar het hof begrijpt:) [adres] te [plaats] en voor zover het betreft de Groeirekening Delta Lloyd nr. [rekeningnummer 1] , Regiobank Lijfrente Sparen nr. [rekeningnummer 2] en SNS Lijfrente Sparen nr. [rekeningnummer 3] , en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - de door de man aan haar te betalen partneralimentatie, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, te bepalen op € 1.975,- per maand, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van elke maand te voldoen; te bepalen dat de waarde van de activa van het tuinbouwbedrijf en het loonbedrijf geheel in de verrekening moet worden betrokken zodat de vrouw aanspraak maakt op 50% van de waarde van de activa van de onderneming; te bepalen dat de man medewerking dient te verlenen tot splitsing van de lijfrentepolissen/producten Groeirekening Delta Lloyd nr. [rekeningnummer 1] , Regiobank Lijfrente Sparen nr. [rekeningnummer 2] en SNS Lijfrente Sparen nr. [rekeningnummer 3] en dat, voor zover splitsing niet mogelijk mocht zijn, subsidiair verrekening in geld dient plaats te vinden. 2.6 Op 4 september 2019 heeft het hof een (deel)beschikking gegeven. In die beschikking heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd voor wat betreft het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de gebruiksvergoeding en de bestreden beschikking vernietigd voor wat betreft de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en, in zoverre opnieuw beschikkende (voor zover op dit moment nog van belang): de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) met ingang van 5 juni 2018 bepaald op € 1.030,- per maand; de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; het verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden afgewezen, en alvorens verder te beslissen: de man toegelaten tot het leveren van bewijs van zijn stelling dat tussen partijen een afspraak heeft bestaan op grond waarvan de vrouw met het oog op zaakscrediteuren van de man slechts in naam eigenaar is geworden van de echtelijke woning aan het [adresgegevens echtelijke woning] , en dat de man in de onderlinge verhouding tussen partijen in economische zin de eigenaar zou blijven en de vrouw het bedrag van ƒ 110.000,- nimmer daadwerkelijk uit haar vermogen aan hem heeft betaald; met aanhouding van iedere verdere beslissing. Hoge Raad 2.7 Tegen de beschikking van 4 september 2019 hebben zowel de man als de vrouw beroep in cassatie ingesteld. 2.8 Van de zijde van de man zijn vier middelen van cassatie ingediend. De Hoge Raad heeft in de beschikking van 16 april 2021 geoordeeld dat de klachten van middel 1 van de man, die zich richten tegen de aan de man gegeven bewijsopdracht, niet tot cassatie kunnen leiden omdat deze zich keren tegen voorlopige beslissingen van het hof (art. 399 Rv). Ten aanzien van de klachten van middel 4 van de man, betreffende de partneralimentatie, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze evenmin tot cassatie kunnen leiden en deze klacht afgedaan op grond van artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). Ten aanzien van de middelen 2 en 3 van de man heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze middelen niet tot cassatie kunnen leiden, omdat zij uitgaan van een onjuiste lezing van de beschikking van het hof. Anders dan de middelen veronderstellen, heeft het hof namelijk geen onvoorwaardelijke vergoeding voor het gebruik van de woning toegekend aan de vrouw, maar is die vergoeding afhankelijk van de uitkomst van het geschil tussen partijen omtrent de eigendom van de woning, waarop de door het hof bevolen bewijslevering ziet. 2.9 De vrouw heeft één cassatiemiddel ingediend, dat bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel 1 van het middel betreft in de kern de vraag of het hof bij zijn beslissing in rechtsoverweging 11 van de beschikking van 4 september 2019 de regels van stelplicht en bewijslast en de geldende wettelijke bewijsvermoedens juist heeft toegepast. In die rechtsoverweging heeft het hof geoordeeld dat het tot de voorhuwelijkse onderneming van de man behorende vermogen, althans de daarvan deel uitmakende onroerende zaken, niet zijn aan te merken als te verrekenen vermogen aan de zijde van de man. Het hof is tot dit oordeel gekomen op grond van zijn overweging dat de op de huwelijksdatum bestaande lening van ƒ 250.000,- niet zonder meer kan worden gekoppeld aan de verwerving van het onroerend goed, zodat niet vaststaat dat de verkrijging van (een deel van) de onderneming is gefinancierd met een ten tijde van het aangaan van het huwelijk bestaande geldlening en dat op die geldlening is afgelost met overgespaarde, niet gedeelde inkomsten. De Hoge Raad heeft in de beschikking van 17 december 2021 geoordeeld dat het onderdeel slaagt. Daartoe heeft de Hoge Raad overwogen dat het hof met zijn oordeel de bewijsvermoedens van artikel 1:136 (lid 2) van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 1:141 (lid 3) BW heeft miskend. Het hof heeft daarmee ten onrechte de onzekerheid over de vraag hoe de door de man ten huwelijk aangebrachte onroerende zaak is gefinancierd, voor rekening van de vrouw laten komen. Verder heeft de Hoge Raad in de beschikking van 17 december 2021 geoordeeld dat de overige klachten van het middel niet tot cassatie kunnen leiden. 3De motivering van de beslissing Het juridisch kader na cassatie en verwijzing 3.1 Artikel 424 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schrijft voor dat de rechter naar wie het geding is verwezen de behandeling daarvan voortzet en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. 3.2 Het hof zal om te beginnen moeten vaststellen welke onderdelen van de rechtsstrijd van partijen als gevolg van de door de Hoge Raad in deze zaken gewezen beschikkingen nu nog ter beslissing aan het hof voorliggen. Daarbij geldt het volgende. Volgens vaste rechtspraak is de verwijzingsrechter (in dit geval opnieuw het hof Den Haag) als regel gebonden aan alle in cassatie niet of tevergeefs bestreden beslissingen van het eerste hof. De in cassatie niet bestreden beslissingen hebben kracht van gewijsde gekregen en kunnen daarom niet alsnog worden bestreden. De vraag of en in hoeverre de verwijzingsrechter aan de beslissingen in de vernietigde uitspraak is gebonden, moet van geval tot geval door uitlegging van de vernietigde uitspraak en de beschikking van de Hoge Raad aan de hand van de gegrond bevonden cassatieklachten worden beantwoord. Dit geldt ook voor de beantwoording van de vraag of van voortbouwende beslissingen of van beslissingen die onverbrekelijk met de vernietigde beslissing samenhangen, sprake is. Verder geldt volgens vaste rechtspraak als uitgangspunt dat de verwijzingsrechter het overgebleven deel van het geschil moet beoordelen naar de stand waarin het zich bevond op het moment van wijzen van de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het aan partijen evenwel toegestaan desgewenst hun stellingen aan te passen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.