GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.299.548/01 Zaaknummer rechtbank : 843547 RP VERZ 19-50215 Arrest van 9 mei 2023 in de zaak van [appellante] , wonend in [woonplaats] , appellante, advocaat: mr. I.L. Madu, kantoorhoudend in Rotterdam, tegen 1.de publiekrechtelijke rechtspersoon, rechtspersoon met wettelijke taak, de Politie gevestigd in [plaats], 2.Achmea Schadeverzekeringen N.V., gevestigd te Apeldoorn, verweerders, advocaat: mr. A.T. Bolt, kantoorhoudend in Arnhem. Het hof zal partijen hierna noemen: [appellante] , de Politie en Achmea. 1De zaak in het kort 1.1 [appellante] is in 2014 aangehouden bij haar woning. Volgens [appellante] bestond jegens haar geen redelijke verdenking van een strafbaar feit en was de aanhouding, waarbij geweld is gebruikt, onrechtmatig. Zij heeft daardoor materiële en immateriële schade opgelopen. Volgens de Politie verhinderde [appellante] het binnentreden in haar woning. De betrokken politiebeambten hadden reden om aan te nemen dat de dochter van [appellante] in gevaar verkeerde en daarom waren zij op grond van artikel 7 lid 2 Politiewet gerechtigd om de woning van [appellante] binnen te treden voor het verlenen van hulp aan de dochter. Doordat [appellante] zich vervolgens hevig verzette moest de Politie gepast geweld gebruiken om haar onder controle te brengen. 1.2 Het hof oordeelt, anders dan de kantonrechter, dat de Politie niet gerechtigd was om de woning van [appellante] binnen te treden en dat de aanhouding van [appellante] onrechtmatig was. Wel oordeelt het hof voorshands dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [appellante] door zich hevig tegen de aanhouding te verzetten. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: het arrest van dit hof van 28 december 2021, waarin een mondelinge behandeling is gelast; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 februari 2022; de memorie van grieven van [appellante] , met bijlagen; de memorie van antwoord van de Politie. 3Feitelijke achtergrond 3.1 Op 14 november 2014 ontving de politie een melding van geluidsoverlast van buren van [appellante] . Twee politiebeambten zijn vervolgens ter plaatse gaan kijken. Zij zijn eerst bij de buren geweest, waar zij geluidsoverlast hebben geconstateerd in de vorm van bonken en stampen, en vervolgens hebben zij aangebeld bij [appellante] . [appellante] heeft de voordeur van haar woning voor de politiebeambten geopend. De politiebeambten hebben aan [appellante] kenbaar gemaakt dat zij wilden binnenkomen omdat zij wilden weten hoe het ging met de dochter van [appellante] . [appellante] heeft de politiebeambten niet willen binnenlaten. 3.2 Rond 20:40 is [appellante] door twee politiebeambten aangehouden bij haar woning. Ook de dochter is aangehouden. Uiteindelijk zijn [appellante] en haar dochter geboeid afgevoerd naar het politiebureau. 3.3 In het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt op 14 november 2014 door de twee politiebeambten in kwestie, staat het volgende. De namen van de verbalisanten zijn in verband met hun privacy verkort tot G. en D. “Op vrijdag 14 november 2014 omstreeks 20.09 uur bevonden wij, verbalisanten G . en D . , ons in uniform gekleed en met wijkzorgsurveillance belast binnen bureau van politie […] . Alhier kregen wij van de dienstdoende wachtcommandant het verzoek te gaan naar [adres] alwaar geluidsoverlast uit die woning zou komen. (…) Wij, verbalisanten, hoorden dat er meerdere malen op verschillende plaatsen in de bovenliggende woning hard gebonkt en gestampt werd. Wij, verbalisanten, hadden de indruk dat er een schermutseling in perceel [huisnummer] plaatsvond. Dit vermoeden werd bevestigd door de melder welke verklaarde dat er zojuist, vlak voordat wij, verbalisanten, ter plaatse kwamen, hard geschreeuwd werd uit perceel [huisnummer] en dat het leek alsof er dingen kapot gegooid werden. (…) Nadat wij, verbalisanten, voldoende geluidsoverlast hadden geconstateerd, besloten wij aan te bellen bij het overlastveroorzakende adres, [adres]. Alhier opende de ons, verbalisanten, ambtshalve bekende mevrouw [appellante] (verder: moeder), de deur. De moeder bleef in de deuropening staan, hield de deur op een kier en blokkeerde het zicht van de hal van de woning. Wij, verbalisanten, vertelden moeder dat wij een melding hadden ontvangen terzake geluidsoverlast en dat wij wilden weten of alles in orde was. Hierop begon moeder direct te schreeuwen dat ik, verbalisant G . , agressief was en dat ik de vorige keer dat ik in haar woning was haar ook al agressief had behandeld. Wij, verbalisanten, benadrukten dat wij ons zorgen maakten en dat wij de indruk hadden dat er geweld danwel een schermutseling in de woning had plaatsgevonden. Wij, verbalisanten, vroegen aan de moeder of haar dochter naar de deur wilde komen zodat we goed konden zien hoe het gesteld was met de gezondheid van de dochter en teneinde te bekijken of de dochter zichtbaar letsel had. (…) De dochter bleef zich verschuilen achter de deur en weigerde naar de deur te komen. Wij, verbalisanten, hoorden dat de dochter met een timide stem zei dat alles in orde was. Gezien het feit dat wij, verbalisanten, de dochter niet gezien hadden en niet hebben kunnen controleren of daadwerkelijk alles in orde was hebben wij, verbalisanten, tegen moeder gezegd dat wij op grond van hulpverlening (art. 3 Politiewet 2012) de woning gingen betreden teneinde zorg te verlenen aan hen die dat behoeven. De dringende noodzakelijkheid bleek uit het feit dat moeder haar dochter niet aan de deur wilde laten zien, uit het feit dat er veel gebonk en andere herrie uit de woning kwam en dat er volgens de melder geschreeuw uit de genoemde woning kwam. Hierop blokkeerde moeder de toegang naar de woning door de deur stevig vast te houden en in de deuropening te blijven staan. Moeder schreeuwde hierbij dat we niet naar binnen mochten. Vervolgens hebben wij, verbalisanten, moeder aangehouden terzake het veroorzaken van overlast en belemmering van ambtshandelingen (het rechtmatig betreden van de woning). Hierop pakten wij, verbalisanten, moeder bij twee armen vast en trokken wij moeder naar de gallerij. (…) Moeder verzette zich hevig door haar arm krachtig een andere richting op te trekken dan waar wij haar naar toe trokken en door naar ons, verbalisanten, te slaan en schoppen. Ik, verbalisant G. . , voelde dat moeder mij met haar arm en/of hand of mijn linker bovenarm sloeg. Ik, verbalisant G . , ondervond hieraan geen pijn of letsel. Ik, verbalisant D . , voelde en zag dat moeder mij tegen mijn rechterbeen schopte. Ik, verbalisant D . , zag dat moeder kennelijk opzettelijk en met veel kracht haar been boog en met de binnenkant van haar voet tegen mijn been aan schopte. Ik, verbalisant D . , ondervond hieraan pijn en letsel. Dit letsel is (nog) niet zichtbaar. Op het moment dat wij, verbalisanten, probeerden de moeder onder controle te krijgen middels de ons, verbalisanten, aangeleerde controletechnieken, hoorden en zagen wij dat dochter de galerij op kwam rennen. Wij, verbalisanten, zagen en voelden dat dochter ons sloeg en schopte. Dochter schreeuwde hierbij: “Als je mijn moeder niet loslaat spring ik naar beneden”. Voorts zei ik, verbalisant G . , tegen verbalisant D . dat hij moest voorkomen dat dochter naar beneden zou springen en dat hij moest proberen dochter onder controle te brengen en dat ik, verbalisant G . , zou proberen moeder onder controle te krijgen. In de tussentijd voelde ik, verbalisant G . , dat moeder mij met haar rechter hand bij de hals van mijn jas beetpakte en niet wilde loslaten. Ik, verbalisant G . , pakte met mijn linkerhand mijn portofoon teneinde via de dienstdoende meidkamercentralist met spoed een politieauto erbij te vragen. Ik, verbalisant G . , sommeerde moeder meerdere malen op niet mis te verstane wijze dat als zij haar verzet niet staakte, dat ik dan nog meer geweld zou gaan gebruiken en dat ik uiteindelijk pepperspray zou gaan gebruiken tegen moeder. Vervolgens zag ik, verbalisant G . , dat dochter al schreeuwend naar mij toe kwam rennen en druk met haar armen zwaaide terwijl verbalisant D . haar onder controle probeerde te brengen. Teneinde te voorkomen dat dochter mij, verbalisant G . , nog meer in gevaar zou brengen plaatse ik, verbalisant G . , een vuiststoot op de borst van dochter. Wij, verbalisanten, zagen dat dochter hierop lastig adem haalde en vervolgens begon te hyperventileren op de grond. Op dit moment zagen wij, verbalisanten, kans om moeder naar de grond de werpen middels een heupworp en op de grond onder controle te brengen en in de transportboeien te plaatsen. Op het moment dat moeder op de grond in de transportboeien lag, stibbelde zij nog steeds tegen door wild met haar benen te schoppen. Terwijl verbalisant D. op moeder bleef zitten om haar onder controle te houden probeerde ik, verbalisant G., de transportboeien bij dochter aan te leggen teneinde haar op die manier onder controle te krijgen. (…) Uiteindelijk hebben wij, verbalisanten, zowel dochter en moeder onder controle gehouden totdat een extra politie-eenheid ter plaatse was.” 3.4 Het mutatierapport, opgemaakt op 15 november 2014 om 01:40 uur door de twee politiebeambten in kwestie, vermeldt (letterlijk weergegeven) voor zover relevant het volgende: “Eenmaal tp gingen wij eerst naar de meldster woonachtig op perceelnummer [huisnummer]. Wij zijn in de woning geweest om de overlast te constateren. In de woonkamer hoorden je inderdaad laawaai en geschreeuw. wij zijn vervolgens naar boven gelopen om te kijken of alles in orde is in de woning op perceelnummer [huisnummer]. Bij het open doen kwam een vrouwspersoon naar buiten. Die later bleek te zijn: Naam: [appellante] . (…) Bij het aanspreken hoorden wij dat mevrouw al begon te schreeuwen. Zij was het daarom ook niet eens dat wij aan de deur kwamen. Ook wilden zij niet naar ons luisteren om medewerking te verlenen. Wij wilden in de woning kijken of alles in orde was. Wij mochten de woning niet in hierbij zijn wij toch naar binnen gegaan op grond van artikel 3 Politiewet. Wij hebben dochter gezien en gesproken hiermee ging alles goed. Vervolgens bleef mevrouw doorgaan met [met] het luid schreeuwen tegen ons. Hierop hebben wij mevrouw gewaarschuud als zij zo doorgaat dat zij aangehouden zal worden. Hieraan heeft mevrouw geen gehoord gegeven. Wij hebben mevrouw hierop met geweld aangehouden voor geluidsoverlast, wederspannigheid, belemmering. Omdat mevrouw niet wilde luisteren of wilden meewerken aan de aanhouding. Vervolgens bemoeide dochters ook ermee en wilden niet naar binnen in de woning. Dochter schreeuwde dat zij ook wilden gaan springen van het gebouw. Ook dochter is met geweld aangehouden omdat zij ook niet wilden luisteren. Wij zijn vervolgens naar bureau […] gereden. Op bureau hebben wij moeder en dochter in gesloten.” 3.5 Op 11 maart 2015 heeft de officier van justitie de politie bericht niet over te gaan tot strafvervolging van [appellante] wegens wederspannigheid, met als voorwaarde een proeftijd van één jaar. 3.6 Op 13 maart 2015 heeft de vorige belangenbehartiger van [appellante] een klacht over het optreden van de twee politiebeambten op 14 november 2014 bij de politiechef ingediend. Op 5 september 2017 heeft een hoorzitting bij de klachtencommissie politie eenheid [plaats] plaatsgevonden. De politiechef heeft, conform het advies van de klachtencommissie, de klacht ongegrond verklaard met als voornaamste reden dat van de politie wordt verwacht dat zij signalen die duiden op problematiek in de huiselijke sfeer onderzoekt en dat [appellante] zelf een belangrijk aandeel had in de wijze waarop de politie jegens haar optrad. 3.7 [appellante] heeft vervolgens de Nationale Ombudsman verzocht een onderzoek in te stellen naar haar klacht. De twee politiebeambten in kwestie zijn daarbij door de Nationale Ombudsman gehoord. De Nationale Ombudsman komt in zijn rapport van 11 maart 2019 tot de volgende conclusie. “ Omdat niet is gebleken dat er sprake was van een noodsituatie die het direct binnentreden door de politie in de woning van verzoekster rechtvaardigde, ontbrak een goede grond om verzoekster aan te houden voor weerspannigheid en belemmering van ambtshandelingen. Dit betekent dat de politieambtenaren niet hebben gehandeld in de rechtmatige uitoefening van hun functie door verzoekster, toen zij hen niet binnen wilde laten, met geweld aan te houden en te boeien. De onderzochte gedraging is niet behoorlijk. ” 3.8 [appellante] heeft de politie bij brief van 16 september 2019 aansprakelijk gesteld. Achmea heeft bij e-mail van 8 november 2019 de aansprakelijkheid afgewezen. 4De procedure bij de kantonrechter 4.1 [appellante] is een deelgeschilprocedure begonnen bij de kantonrechter. Zij heeft een verklaring voor recht verzocht dat de politie aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de aanhouding op 14 november 2014, een verklaring voor recht dat Achmea als aansprakelijkheidsverzekeraar van de Politie op grond van artikel 7:954 BW gehouden is tot vergoeding van de volledige schade aan [appellante] , en veroordeling van Achmea tot betaling van een bedrag van € 2.000,- als voorschot op de door haar geleden schade, met veroordeling van Achmea in de kosten van de deelgeschilprocedure. 4.2 Aan haar verzoek legde [appellante] samengevat ten grondslag dat de politiebeambten onrechtmatig hebben gehandeld omdat de politie inbreuk heeft gemaakt op haar recht op lichamelijke integriteit. Het geweld van de politiebeambten bij de aanhouding van [appellante] was niet subsidiair en niet proportioneel. Er was geen sprake van een dringende noodzakelijkheid om de woning binnen te treden en [appellante] stond dus in haar recht toen zij hen niet binnenliet. [appellante] verwees daarbij naar het onderzoek van de Ombudsman, die tot de conclusie kwam dat de politiebeambten niet hebben gehandeld in de rechtmatige uitoefening van hun functie. 4.3 De Politie heeft gemotiveerd verweer gevoerd, heel kort samengevat inhoudend dat de politiebeambten gerechtigd waren de woning van [appellante] zonder machtiging binnen te treden ter voorkoming of bestrijding van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen. Zij hadden immers redenen om aan te nemen dat de dochter van [appellante] gevaar liep. Toen [appellante] het binnentreden verhinderde, en haar dochter niet aan de deur liet verschijnen, waren de politiebeambten gerechtigd om [appellante] aan te houden. Daarbij heeft zij zich hevig verzet, zodat de politiebeambten genoodzaakt en gerechtigd waren om gepast geweld toe te passen om haar onder controle te brengen. De Politie heeft subsidiair aangevoerd dat niet is aangetoond dat [appellante] als gevolg van het incident schade heeft geleden en dat het causale verband tussen de door [appellante] gestelde (letsel)schade en het voorval niet vaststaat. Meer subsidiair heeft de Politie een beroep op eigen schuld aan de zijde van [appellante] gedaan. [appellante] heeft het incident zelf in gang gezet door zodanig ernstige geluidsoverlast te veroorzaken dat haar onderburen zich genoodzaakt voelden om de politie te bellen. [appellante] heeft er verder zelf voor gekozen de politiebeambten niet binnen te laten ondanks een redelijk verzoek daartoe en heeft de aanwijzingen van de politiebeambten niet opgevolgd en vervolgens zelf geweld toegepast door de agenten te schoppen en te slaan. 4.4 De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. De kantonrechter overwoog dat de civiele rechter niet gebonden is aan het oordeel van de Ombudsman. De politiebeambten hadden goede grond om [appellante] aan te houden wegens geluidsoverlast, zodat in het midden kan blijven of er voldoende grond was om zonder machtiging binnen te treden in de woning van [appellante] . Doordat [appellante] zich tegen de aanhouding heeft verzet hebben de politiebeambten zich genoodzaakt gezien gepast geweld te gebruiken bij de aanhouding; dat is niet onrechtmatig. 4.5 [appellante] is aansluitend op de deelgeschil een bodemprocedure begonnen en heeft verlof gevraagd en gekregen om (tussentijds) hoger beroep in te stellen van de – als tussenvonnis geldende – beschikking in de deelgeschilprocedure. 5Vordering in hoger beroep 5.1 [appellante] heeft verschillende bezwaren (hierna aangeduid als grieven) tegen het vonnis aangevoerd. [appellante] vordert dat het hof alsnog de in de deelgeschilprocedure gedane verzoeken toewijst, en Achmea veroordeelt om de kosten van de gevoerde deelgeschil te vergoeden, te weten een bedrag van € 3.674,28, met veroordeling van de Politie in de kosten van beide instanties. 5.2 De grieven van [appellante] houden samengevat het volgende in. De directe aanleiding voor de aanhouding van [appellante] was niet de geluidsoverlast, maar de weigering van [appellante] om de politiebeambten toegang te verlenen tot haar woning. Daarom is het oordeel van de kantonrechter dat de aanhouding rechtmatig was omdat [appellante] geluidsoverlast veroorzaakte onjuist. Schreeuwen tegen politiebeambten dat zij niet naar binnen mogen in een woning is geen strafbaar feit, althans valt niet te kwalificeren als (geluids)overlast. De Officier van Justitie heeft [appellante] ook niet verdacht van het veroorzaken van (geluids)overlast, maar enkel van wederspannigheid. Ook uit de verklaringen die de politiebeambten hebben afgelegd bij de Ombudsman volgt dat de geluidsoverlast niet de reden was om [appellante] aan te houden, maar de weigering van [appellante] om de politiebeambten binnen te laten. De kantonrechter heeft mede daarom ten onrechte overwogen dat het rapport van de Ombudsman geen gewicht in de schaal legt (grief 1). De kantonrechter heeft verder ten onrechte aangenomen dat [appellante] zich heeft verzet tijdens de aanhouding. [appellante] heeft niet geschopt en geslagen. Het door de politie toegepaste geweld bij de aanhouding was niet subsidiair en niet proportioneel. De politiebeambten hadden – als professionele partij – een andere, de-escalerende, interventie kunnen en moeten doen (grief 2). 5.3 De Politie heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de uitspraak van de kantonrechter, eventueel met aanvulling of wijziging van gronden. 6Beoordeling in hoger beroep Geluidsoverlast onvoldoende grond voor aanhouding 6.1 Aanleiding voor de aanhouding van [appellante] vormde de weigering om de politiebeambten toe te laten tot de woning. Dat de geluidsoverlast reeds (voldoende) aanleiding vormde voor de aanhouding, zoals de kantonrechter heeft overwogen, volgt het hof niet; partijen zijn het er over eens dat het gesprek met de politiebeambten er niet over is gegaan dat [appellante] het veroorzaken van geluidsoverlast moest staken. Het ging er om dat de politiebeambten wilden dat [appellante] toegang tot haar woning zou verlenen. De aanhouding heeft plaatsgevonden omdat zij dat niet deed. Het hof zal daarom beoordelen of [appellante] verplicht was de politiebeambten toe te laten. Wettelijk kader: ernstig en onmiddellijk gevaar 6.2 Het wettelijke kader is als volgt. Op grond van artikel 12 Grondwet is het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen. Artikel 3 Politiewet bepaalt dat de politie tot taak heeft in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Artikel 7 lid 2 Politiewet bepaalt nader over het verlenen van hulp dat de ambtenaar van politie toegang heeft tot elke plaats, voor zover dat voor het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, redelijkerwijs nodig is. Voor zover het daarbij gaat om het binnentreden in een woning is van belang artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi):
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.