GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie zaaknummers : 200.306.594/01, 200.306.594/02 en 200.306.596/01 zaaknummers rechtbank : C/10/611381 / FA RK 21-271 en C/10/616628 / FA RK 21-2858 beschikking van de meervoudige kamer van 17 mei 2023 inzake [appellante] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. E.E. Nauta-Rijsdijk te Rotterdam tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. M.M.E. Bowmer te Rotterdam. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2021, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 De vrouw is op 7 februari 2022 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De man heeft op 15 april 2022 een verweerschrift tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep en verzoek om voorlopige voorzieningen ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend. 2.3 De vrouw heeft op 27 mei 2022 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.4 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de vrouw: - op 2 maart 2022 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen; - op 9 augustus 2022 een journaalbericht van 8 augustus 2022 met bijlage; - op 1 maart 2023 een journaalbericht van 28 februari 2023 met bijlagen; - op 1 maart 2023 een e-mail met zeven producties in het Engels van de zijde van mr. R-J.H. Kijne, die de vrouw als tweede advocaat bijstaat; van de zijde van de man: - op 28 februari 2023 een e-mail met als bijlage een akte overlegging nadere producties en wijziging verzoeken. 2.5 De mondelinge behandeling heeft op 10 maart 2023 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en door mr. Kijne en mevrouw [tolk 1] , tolk in de taal Russisch; - de man, bijgestaan door zijn advocaat en mevrouw [tolk 2] , tolk in de taal Engels. De advocaten van partijen en mr. Kijne hebben pleitnotities overgelegd. 2.6 Mr. Bowmer heeft op 3 maart 2023 bezwaar gemaakt tegen de door mr. Kijne op 1 maart 2023 ingediende legal opinion, als zijnde in strijd met de tweeconclusieregel. Mr. Nauta-Rijsdijk heeft daarop per e-mail van 6 maart 2023 gereageerd. Het hof neemt geen kennis van de van de zijde van de vrouw ingediende legal opinion en de van de zijde van de man ingediende wijziging van verzoeken als zijnde in strijd met de goede procesorde. Deze stukken zijn omvangrijk en niet eenvoudig te doorgronden en zonder noodzaak op en vlak na de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingekomen ter griffie van het hof. Het hoger beroepschrift is ruim een jaar geleden ingediend, zodat partijen ruimschoots de gelegenheid hebben gehad om aanvullende stukken bijtijds in te dienen, het hof daarvan kennis had kunnen nemen en de wederpartij zich had kunnen verweren. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2 Partijen zijn met elkaar gehuwd te [locatie 1] , Letland , op [huwelijksdatum] 2005. Bij notariële akte van 23 juli 2018 zijn in Letland tussen partijen huwelijkse voorwaarden opgemaakt. 3.3 Partijen hebben de Letse nationaliteit. De eerste woon- en verblijfplaats na het sluiten van het huwelijk was in Letland . Partijen wonen inmiddels negen jaar in Nederland. 3.4 Partijen zijn de ouders van: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] , Letland , en - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] . 3.5 Bij beschikkingen van 17 december 2020 en 7 mei 2021 van de rechtbank Rotterdam zijn voorlopige voorzieningen getroffen tussen partijen. 3.6 De man heeft op 13 januari 2021 het inleidend verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen bij de rechtbank ingediend. 3.7 In hoger beroep is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking, zijnde de bestreden beschikking, op 4 februari 2022 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts, voor zover in dit hoger beroep van belang: - bepaald dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adresgegevens] , die aan de man mede toebehoort of ten gebruike toekomt, nog bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning voort te zetten tot 8 april 2022, zulks tegen een redelijke vergoeding, die is gesteld op het bedrag van € 554,- per maand die de vrouw voldoet aan de VvE behorende bij de [adresgegevens] ; - toegekend ten laste van de man aan de vrouw met ingang van de datum van levering van de woning aan een derde, tenzij de echtscheidingsbeschikking later dan voornoemde datum wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand dan zal de datum van inschrijving gelden, een uitkering tot levensonderhoud van € 1.389,- bruto per maand, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen; - partijen gelast over te gaan tot afwikkeling van de tussen hen bestaande gezamenlijke eigendommen zoals weergegeven onder rechtsoverwegingen 2.9.18 tot en met 2.9.31, die luiden als volgt: “a. de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening 2.9.18. Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning verkocht gaat worden aan een derde. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat de vrouw toegang tot de woning aan de man zal verlenen om te inventariseren welke reparaties er door partijen aan de elektra en verwarming doorgevoerd moeten worden om een zo gunstig mogelijke verkoopprijs voor de woning te verkrijgen. Partijen zullen vervolgens deze reparaties laten uitvoeren. Daarna zal Ooms Makelaars de opdracht krijgen om de woning in de verkoop aan te bieden. De kosten van de reparaties zullen partijen bij helfte dragen, dit kan ook betekenen dat de kosten in mindering worden gebracht op de eventuele overwaarde voortkomend uit de verkoop van de woning. 2.9.19. Op de verkoopopbrengst moet de hypothecaire schuld ten tijde van de levering van de woning in mindering worden gebracht. De aanspraken uit hoofde van een eventuele aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering strekken in mindering op de hypothecaire schuld. Voor zover de verkoopopbrengst (vermeerderd met de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering) hoger is dan de hypothecaire schuld, is sprake van overwaarde die partijen gelijkelijk verdelen. Als de verkoopopbrengst lager is dan de hoogte van de hypothecaire schuld, waarop de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering in mindering strekken, is sprake van onderwaarde, die partijen gelijkelijk dragen. 2.9.20. De kosten verbonden aan de verkoop en levering van de woning worden door partijen bij helfte gedragen. 2.9.21. De rechtbank zal de verzoeken van de man genoemd onder 4. en 5. afwijzen, gelet op hetgeen partijen zijn overeengekomen. Niet is gebleken dat de vrouw haar medewerking weigert te verlenen aan de verkoop van de woning en het verlaten van de woning. b. de inboedelgoederen in de echtelijke woning en c. de inboedelgoederen in de huurwoning 2.9.22. Partijen maken over en weer aanspraak op inboedelgoederen die de ander onder zich heeft. Omdat vast staat dat iedere partij een gedeelte van de inboedelgoederen heeft behouden en de waarde van tweedehands inboedelgoederen tegenwoordig beperkt is, zal de rechtbank op grond van de redelijkheid en billijkheid bepalen dat iedere partij krijgt toegedeeld wat hij of zij onder zich heeft zonder verdere verrekening. d. het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] op naam van partijen 2.9.23. Partijen zijn het eens dat het saldo op de peildatum bij helfte gedeeld moet worden. Uit productie 27 overgelegd door de man blijkt dat het saldo op 12 januari 2021 € 521,69 bedraagt. Ieder van partijen heeft recht op € 260,85. Partijen moeten uiteindelijk deze gezamenlijke bankrekening opheffen of op naam van een van hen voortzetten. 2.9.24. Partijen verschillen van mening over de vraag of de man, zoals door de vrouw verzocht onder 1., een bedrag van € 17.000,- aan haar moet voldoen. De vrouw stelt dat op deze bankrekening de opbrengst van de verkoop van hun appartement in Letland is gestort. De man nam op 14 oktober 2020 van het mede aan de vrouw toekomende saldo een bedrag van€ 17.000,- op. De man erkent dat hij voornoemd bedrag heeft opgenomen, echter hij voert aan dat het geld is gestort op de bankrekening genoemd onder bestanddeel e. en het saldo van deze rekening zal verrekend worden. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar stelling dat partijen nog geld moeten verrekenen vanwege de verkoop van een appartement in Letland , tegen deze achtergrond onvoldoende heeft onderbouwd. Het verzoek van de vrouw genoemd onder 1. zal daarom worden afgewezen. e. het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] op naam van de man 2.9.25. Partijen zijn het eens dat het saldo op de peildatum bij helfte gedeeld moet worden. Uit productie 27 overgelegd door de man blijkt dat het saldo op 12 januari 2021 € 15.459,87 bedraagt. De man moet € 7.729,94 aan de vrouw voldoen. f. het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw, g. het saldo op de bankrekening in Letland met nummer [rekeningnummer 4] op naam van de vrouw en h. het saldo op de bankrekening in Letland met nummer [rekeningnummer 5] op naam van de vrouw 2.9.26. Partijen zijn het eens dat de saldi op de peildatum bij helfte gedeeld moet worden. Uit het bericht van de vrouw van 19 oktober 2021 blijkt dat het saldo van de bankrekening genoemd onder f. op de peildatum € 4.580,32 bedraagt, dat het saldo van de bankrekening genoemd onder g. op de peildatum € 3,03 bedraagt en dat het saldo van de bankrekening genoemd onder h. op peildatum € 7.419,94 bedraagt. De vrouw moet € 6.001,65 aan de man voldoen. i. het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 6] op naam van de man 2.9.27. Partijen zijn het eens dat het saldo op de peildatum bij helfte gedeeld moet worden. Omdat het saldo op 12 januari 2021 niet is gebleken, moet de man een bankafschrift aan de vrouw overleggen waaruit het saldo op de peildatum blijkt. De man moet de helft van het saldo aan de vrouw voldoen. j. de personenauto 2.9.28. Partijen zijn het eens dat de auto voor een bedrag van € 14.500,- aan de vrouw wordt toegedeeld, onder verrekening van de helft van de waarde met de man. De vrouw moet€ 7.250,- aan de man voldoen. k. de IB-schuld over de jaren 2019 en 2020 2.9.29. De man verzoekt te bepalen dat partijen ieder bij helfte draagplichtig zijn voor de IB-schuld ter hoogte van € 26.206,- in 2019 en € 16.259,- in 2020. De man stelt dat hij een deel van zijn inkomen in Letland geniet en dat hij als inwoner van Nederland verplicht is ook dit Letse inkomen in Nederland op te geven. Het verschil tussen de in Letland afgedragen inkomstenbelasting en hetgeen hij in Nederland verschuldigd is, wordt dan alsnog in Nederland aangeslagen. Omdat het deel van zijn inkomen dat hij in Letland heeft genoten ten goede is gekomen aan de huishouding, moet de IB-schuld ook bij helfte worden gedragen. De vrouw voert verweer. 2.9.30. De rechtbank is van oordeel dat gelet op artikel 3.3. van de huwelijkse voorwaarden ieder aansprakelijk is voor zijn of haar eigen schulden waarbij de eigen schulden als eerste op ieders privé vermogen worden verhaald. Van een uitzondering op basis van de huwelijkse voorwaarden en artikel 130 van het Lets Burgerlijk wetboek is in de feitelijke onderbouwing van de man niet gebleken. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen. l. de IB-teruggaven over de jaren 2019 en 2020 2.9.31. De man verzoekt de vrouw te veroordelen om de haar toekomende IB-teruggaven over 2019 ter hoogte van € 2.827,- en 2020 ter hoogte van € 3.890,- bij helfte met de man te delen. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De vrouw moet daarom € 3.358,50 (€ 6.717,- : 2) aan de man voldoen. - voor recht verklaard dat de in artikel 2.6. van de huwelijkse voorwaarden omschreven appartementsrechten in [locatie 2] uitsluitend aan de vrouw in privébezit toebehoren en derhalve buiten de verdeling van de huwelijksgemeenschap blijven; - voor recht verklaard dat de in artikel 2.7. van de huwelijkse voorwaarden omschreven aandelenbelangen op naam van de man uitsluitend aan de man in privébezit toebehoren en derhalve buiten de verdeling van de huwelijksgemeenschap blijven. Voorts heeft de rechtbank de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders verzochte afgewezen. 4.2 De vrouw kan zich niet vinden in de beslissing van de rechtbank voor zover dit ziet op de verdeling van het huwelijksvermogen en de partneralimentatie. Zij verzoekt het hof om, uitvoerbaar bij voorraad: - te bepalen dat de huwelijkse voorwaarden niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, omdat zij niet ingevolge art. 1 van het Lets Burgerlijk Wetboek in goed vertrouwen tot stand zijn gekomen; - te bepalen dat de rechtbank in de bestreden beschikking ten onrechte de ondernemingen [onderneming 1] , [onderneming 2] , Letland , [onderneming 4] en [onderneming 5] niet heeft aangemerkt als gezamenlijk eigendom; - een deskundige te benoemen die een waardering kan maken van de waarde van [onderneming 1] en van de aandelen [onderneming 2] , Letland , [onderneming 4] , [onderneming 6] en [onderneming 5] ; - de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen de helft van de waarde van [onderneming 1] per peildatum en de helft van de waarde van de aandelen [onderneming 2] , Letland , [onderneming 6] , [onderneming 4] en [onderneming 5] ; - tot herberekening over te gaan van de partneralimentatie na ontvangst van de volledige inkomensgegevens van de man uit Nederland en Letland en voorafgaand aan de overdracht van de aandelen [onderneming 2] ; - de man te veroordelen in de kosten van de procedure. 4.3 De man verweert zich tegen de verzoeken van de vrouw en verzoekt het hof: - in principaal appel: om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen; - in voorwaardelijk incidenteel appel, indien en voor zover het verzoek van de vrouw tot compensatie voor bedrijfsvermogen voor een of meerdere vennootschappen c.q. eenmanszaak wordt toegewezen, te bepalen dat de betreffende rechtspersoon c.q. eenmanszaak aan de man wordt toebedeeld; - in incidenteel appel: de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen en, opnieuw rechtdoende: I. primair: de vrouw te veroordelen om vanaf 4 februari 2022 de helft van de bruto hypotheeklasten en de helft van de VVE bijdrage, althans een zodanige gebruiksvergoeding als het hof in goede justitie juist acht, als gebruiksvergoeding te voldoen tot aan de datum dat zij de woning daadwerkelijk zal hebben verlaten; subsidiair: bij handhaving van de reeds door de rechtbank bepaalde gebruiksvergoeding, te bepalen dat de gebruiksvergoeding verschuldigd is vanaf de datum van echtscheiding tot het moment dat de vrouw de woning zal hebben verlaten; II. voor zover nog niet geschied ten tijde van de uitspraak in hoger beroep, te bevelen dat de vrouw medewerking verleent aan de verkoop van de woning aan het adres [adresgegevens] door binnen 7 dagen na het wijzen van uw beschikking een verkoopopdracht te verlenen aan Ooms makelaars, dan wel een in overleg tussen partijen te bepalen makelaar te Rotterdam, tegen een door de makelaar te adviseren verkoopprijs, bij gebreke waarvan de beschikking van het hof in de plaats treedt van de verkoopopdracht van de vrouw; III. voor zover nog niet geschied ten tijde van de uitspraak in hoger beroep, te bevelen dat de vrouw de woning aan het adres [adresgegevens] uiterlijk binnen 14 dagen na het wijzen van de eindbeschikking van het hof dient te hebben verlaten, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat zij niet aan dit bevel voldoet, met een maximum van€ 10.000,-, althans een zodanige dwangsom als het hof in goede justitie juist acht; IV. te bepalen dat de kosten van reparaties aan de woning, voor zover voortvloeiend uit handelen of nalaten van de vrouw, voor uitsluitende rekening van de vrouw komen; V. de vrouw te veroordelen om een bedrag van € 7.957,03 aan de man te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 februari 2022, althans de datum van de beschikking van het hof tot aan de datum der algehele voldoening; VI. de vrouw te veroordelen ter zake van de belastingschulden van 2019 en 2020 om binnen 14 dagen na de door het hof te wijzen beschikking een bedrag van € 14.286,- aan de man te voldoen, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie juist acht ter zake van de belastingschulden, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na het ten deze te wijzen beschikking. Provisioneel verzoek ex. artikel 223 RV in incidenteel appel: de man verzoekt het hof, bij wijze van voorlopige voorzieningen bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: 1. te bepalen dat: a. partijen binnen 7 dagen na de te wijzen beschikking gezamenlijk Ooms makelaars te Rotterdam, opdracht dienen te geven tot taxatie en verkoop van de van de woning aan [adresgegevens] , tegen de naar plaatselijke maatstaven door de desbetreffende makelaar getaxeerde/ geadviseerde hoogst haalbare marktconforme prijs; b. indien de vrouw niet binnen die 7 dagen opdracht heeft gegeven tot de taxatie en verkoop van de woning aan Ooms makelaars, aan de man in plaats van de vrouw vervangende toestemming te verlenen tot het verstrekken van een taxatie- en verkoopopdracht aan Ooms makelaars, althans een door het hof als voorzieningenrechter aan te wijzen makelaar, tegen een door die makelaar getaxeerde/geadviseerde hoogst haalbare marktconforme prijs; c. de vrouw te veroordelen om aan het verkooptraject medewerking te verlenen, waaronder begrepen het verlenen van toegang van de makelaar tot de woning voor de taxatie, het meewerken aan bezichtigingen en het meewerken aan ieder redelijk verzoek van de makelaar in het kader van de verkoopopdracht, alsmede te voldoen aan alle overige formaliteiten verband houdende met het verkooptraject van de woning aan het [adresgegevens] , waaronder ook het toelaten van reparaties die de verkoopprijs van de woning naar het oordeel van de makelaar zullen verbeteren, zo lang zij nog de woning bewoont; d. de vrouw binnen 48 uur dient te reageren op een bod en haar medewerking zal verlenen aan de verkoop en levering voor zover dit bod gelijk is of hoger dan het door de makelaar geadviseerde taxatiewaarde; e. deze beschikking in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke rechtshandelingen van de vrouw zoals bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BW, in het geval zij niet binnen 7 dagen, na daartoe bij deurwaardersexploot in gebreke te zijn gesteld, overgaat tot ondertekening van de koopovereenkomst respectievelijk medewerking verleent aan het passeren van de notariële leveringsakte; f. de vrouw uiterlijk binnen 30 dagen na het wijzen van de onderhavige beschikking de woning dient te hebben ontruimd, althans een zodanige termijn te bepalen voor ontruiming als het hof in goede justitie juist acht; 2. de vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoet aan (een van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.