GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-23/730 Uitspraak van 10 juli 2024 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.J.J.G. Fernandes) en de heffingsambtenaar van de gemeente Leidschendam-Voorburg, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 juni 2023, nummer SGR 22/1430. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] , voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 364.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de Heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende aanslagen onroerende-zaakbelasting, afvalstoffenheffing en rioolheffing van de gemeente Leidschendam-Voorburg opgelegd (de aanslagen). 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de beschikking en de aanslagen gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een stuk met het opschrift "verweerschrift" ingediend. Dat stuk is, gelet op het moment waarop het is ingediend, aangemerkt als een stuk in de zin van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 1.5. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 17 mei 2024. 1.6. Het Hof heeft belanghebbende op 22 mei 2024 een afschrift gezonden van de door Inspecteur in eerste aanleg overgelegde pleitnota. 1.7. Een mondelinge behandeling van de zaak was gepland voor 29 mei 2024. Partijen hebben op voornoemde datum schriftelijk (belanghebbende) dan wel telefonisch (de Heffingsambtenaar) laten weten niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en niet verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling. Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:57 Awb is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek op 29 mei 2024 gesloten. Feiten 2.1. Bij brief van 12 maart 2021 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de voor het jaar 2021 vastgestelde WOZ-waardebeschikking en de op hetzelfde aanslagbiljet vermelde aanslagen. Die brief luidt onder meer als volgt: “Betreft: Pro forma bezwaarschrift (…) Hierbij maak ik, namens belanghebbende, (…), tijdig (pro forma) bezwaar tegen de door u aan belanghebbende opgelegde WOZ-waardebeschikking ten aanzien van het belastingjaar 2021, gedagtekend 30 januari 2021, betreffende het object [adres] ([…]) [woonplaats] , met aanslagnummer […] . Ik maak tevens bezwaar tegen de bij diezelfde beschikking opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing.” 2.2. Bij brief van 24 maart 2021 heeft de Heffingsambtenaar de gemachtigde van belanghebbende (de gemachtigde) in de gelegenheid gesteld om het bezwaarschrift te motiveren. Die brief luidt onder meer als volgt: “Onderwerp: Pro-forma bezwaarschrift waardebeschikking (…) In uw brief van 12 maart 2021 heeft u, namens [belanghebbende], bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde van het object [adres] te [woonplaats] voor belastingjaar 2021 en verzoekt u om toezending van het taxatieverslag. Uw bezwaarschrift is niet gemotiveerd. Op grond van artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht dient een bezwaarschrift gemotiveerd te zijn. Dit houdt in dat u dient aan te geven wat de redenen zijn waarom u het niet eens bent met de vastgestelde waarde.” 2.3. Bij brief van 2 juni 2021 heeft de Heffingsambtenaar de gemachtigde een tweede keer verzocht het bezwaarschrift te motiveren. Die brief is ook bij e-mailbericht van 2 juni 2021 aan de gemachtigde gestuurd en luidt onder meer als volgt: “In uw brief van 12 maart 2021 heeft u, namens [belanghebbende], bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde van het object [adres] te [woonplaats] . Uw bezwaarschrift is niet gemotiveerd. Op grond van artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht dient een bezwaarschrift gemotiveerd te zijn. Dit houdt in dat u dient aan te geven wat de redenen zijn waarom u het niet eens bent met de vastgestelde waarde.” 2.4. De gemachtigde heeft het bezwaar betreffende de voor het jaar 2021 vastgestelde WOZ-waardebeschikking bij brief van 22 juni 2021 gemotiveerd. Hij heeft daarbij tevens een verzoek gedaan om te worden gehoord. 2.5. Bij e-mailbericht van 30 september 2021 heeft Heffingsambtenaar de gemachtigde uitgenodigd voor een hoorzitting op 18 oktober 2021 om 10.30 uur. Deze e-mail luidt onder meer als volgt: “Bijgaand de uitnodiging voor de te houden hoorzitting inzake het door u ingediende bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde 2021 van de [adres] te [woonplaats] .” Nadat de gemachtigde heeft laten weten niet beschikbaar te zijn op de genoemde datum en tijdstip, is een telefonische hoorzitting gepland op 27 oktober 2021 waarbij ook een taxateur aanwezig zou zijn. De gemachtigde heeft uiteindelijk afgezien van de mogelijkheid om het bezwaar toe te lichten omdat de bezwaargronden naar zijn oordeel reeds voldoende schriftelijk zijn toelicht. 2.6. De Heffingsambtenaar heeft vervolgens op 18 januari 2022 uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak op bezwaar luidt onder meer als volgt: “Hierbij doe ik uitspraak op het door u, namens [belanghebbende], ingediende bezwaarschrift tegen de op basis van de Wet WOZ vastgestelde waarde van het object [adres] te [woonplaats] . De waarde is, naar het prijspeil van 1 januari 2020, bepaald op € 364.000,00 Conclusie Hierbij verklaar ik uw bezwaarschrift ongegrond en handhaaf daarmee de inhoud van de waardebeschikking. Gelet op de bijgevoegde argumenten en alle waardebepalende factoren in acht genomen, heeft de taxateur geen aanleiding gezien de waarde te herzien. Overwegingen (…) 9. In uw pro forma bezwaarschrift van 12 maart 2021 maakt u bezwaar tegen de onroerendezaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing. Omdat de WOZ-waarde gehandhaafd blijft, wordt de daaraan gekoppelde onroerendezaakbelasting ook gehandhaafd. Het door u ingediende bezwaar tegen de afvalstoffenheffing en /of rioolheffing is niet verder aangevuld. Er zijn geen punten aangedragen waarom deze heffingen onjuist zouden zijn opgelegd, de aanslagen worden derhalve gehandhaafd.” 2.7. Bij brief van 6 juni 2023, welke blijkens de datumstempel is ingekomen op de griffie van de Rechtbank op 9 juni 2023, heeft de gemachtigde onder meer het volgende laten weten: “Betreft:Afmelden zitting (…) Ten aanzien van de zitting van maandagochtend as., waarop de behandeling van het opgemelde beroep is geappointeerd door uw Rechtbank, deel ik u namens eiser het volgende mede. Ondergetekende noch eiser zullen ter zitting verschijnen. Eiser verzoekt Uw Rechtbank uitspraak te doen op grond van de gedingstukken.” 2.8. Het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van 12 juni 2023 in eerste aanleg vermeldt het volgende: “De gemachtigde is aanvankelijk zonder bericht van verhindering niet op de zitting verschenen. Omdat de rechtbank aan de hand van informatie van Post.nl niet heeft kunnen vaststellen dat de uitnodiging tijdig en juist naar de gemachtigde was verzonden, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst. Pas na de schorsing heeft de rechtbank een bericht van de gemachtigde ontvangen waarin hij laat weten niet op de zitting te zullen verschijnen. Het onderzoek ter zitting is daarom in de middag hervat, waarbij verweerder telefonisch is gehoord. Verweerder heeft zich hierbij laten vertegenwoordigen door […] en […] . Verweerder heeft een pleitnota voorgelezen. In aanvulling daarop heeft verweerder verklaard dat in het eerste en het tweede verzoek de gemachtigde wordt verzocht om het bezwaar aan te vullen. Deze twee verzoeken zien niet specifiek op de woz-waarde. De rechtbank sluit het onderzoek ter zitting en deelt mee dat over twee weken uitspraak zal worden gedaan.” Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder: “Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2023. De gemachtigde en eiser zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door […] en […] . (…) 3. In geschil is of verweerder het bepaalde in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden en of verweerder de hoorplicht heeft geschonden. 4. Eiser stelt dat verweerder artikel 6:6 van de Awb heeft geschonden door hem niet in de gelegenheid te stellen zijn bezwaar tegen de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing te motiveren. Verder stelt eiser dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden door eiser niet uit te nodigen voor een hoorzitting inzake de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing. 5. In artikel 6:6 van de Awb is bepaald: “Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien: a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.” 6. Verweerder heeft het bezwaar tegen de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing niet niet-ontvankelijk verklaard. Hij heeft de bezwaren tegen die aanslagen ongegrond verklaard. Van een schending van artikel 6:6 van de Awb is reeds daarom geen sprake. Overigens heeft verweerder bij brieven van 24 maart 2021 en 2 juni 2021 en bij e-mailbericht van 16 juni 2021 de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om het bezwaarschrift te motiveren. Nu in het pro forma bezwaarschrift niet alleen bezwaar is gemaakt tegen de WOZ-waardebeschikking maar ook tegen de op dat gecombineerde aanslagbiljet bekendgemaakte aanslagen had de gemachtigde redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat de uitnodiging om het bezwaarschrift te motiveren ook zag op de bezwaren tegen de aanslagen. Daaraan doet niet af dat in de brieven en het e-mailbericht wordt gerefereerd aan het bezwaar tegen de WOZ-waardebeschikking. Indien de gemachtigde daaruit zou hebben geconcludeerd dat verweerder de bezwaren tegen de aanslagen over het hoofd had gezien, dan had het op de weg van de gemachtigde gelegen om daarover contact op te nemen met verweerder. 7. Ook de stelling dat de hoorplicht is geschonden faalt. De gemachtigde is bij e-mailbericht van 30 september 2021 uitgenodigd voor een hoorzitting op 18 oktober 2021. De gemachtigde heeft op 7 oktober 2021 aan verweerder meegedeeld dat hij op de voorgestelde datum verhinderd is. Hij stelt hierbij nieuwe data voor. Daarop nodigt verweerder de gemachtigde uit voor een hoorgesprek op 27 oktober 2021. Bij e-mailbericht van 25 oktober 2021 laat de gemachtigde aan verweerder weten dat de bezwaargronden naar zijn oordeel reeds voldoende schriftelijk zijn toegelicht en dat hij daarom afziet van een hoorzitting. Hiermee heeft de gemachtigde, die wist dat hij zijn bezwaar tegen de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing nog niet had gemotiveerd, zichzelf de mogelijkheid ontnomen om dat bezwaar tegen die aanslagen nader toe te lichten. Dat in de uitnodiging voor de hoorzitting alleen wordt gerefereerd aan het bezwaar inzake de WOZ-waardebeschikking maakt dat niet anders. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, lag het op de weg van de gemachtigde om contact op te nemen met verweerder indien hij meende dat verweerder het bezwaar tegen de aanslagen over het hoofd zou hebben gezien. Van een schending van de hoorplicht is dan ook geen sprake. De verwijzing naar de uitspraak van Hof Den Haag van 4 november 2020[1] leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Die zaak is niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak. In de zaak die daar aan de orde was, was immers nog verzocht om nadere informatie inzake de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing en die informatie werd pas verstrekt op de dag van de hoorzitting en bovendien zag de hoorzitting op de woz-waarden van onroerende zaken van meerdere belastingplichtigen. De uitnodiging voor de hoorzitting kon om die redenen niet mede betrekking hebben op de riool- en afvalstoffenheffing. Iets dergelijks doet zich hier niet voor. 8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard. [1] ECLI:NL:GHDHA:2020:2092.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In geschil is of: de Rechtbank de regels van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het bepaalde in artikel 8:64, lid 2, Awb heeft geschonden door belanghebbende niet uit te nodigen voor de op 12 juni 2023 in de middag gehouden nadere zitting; de Rechtbank het verdedigingsbeginsel heeft geschonden door uitspraak te doen mede op basis van een door de Inspecteur ter zitting voorgedragen en aan de Rechtbank nagezonden pleitnota, terwijl die pleitnota eerst in hoger beroep aan belanghebbende is verstrekt; de Rechtbank het motiveringsbeginsel heeft geschonden omdat niet is gerespondeerd op belanghebbendes klacht dat het verweerschrift niet binnen de gegeven termijn is ingediend; e Heffingsambtenaar het bepaalde in artikel 6:6 Awb heeft geschonden, althans of de Rechtbank belanghebbendes klacht dienaangaande had moeten opvatten als een klacht over schending van de beginselen van een zorgvuldige procesvoering op grond waarvan aan belanghebbende een redelijke termijn dient te worden geboden voor het indienen van de gronden van bezwaar (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 22 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10365); de Heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden (vgl. Hof Den Haag 4 november 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2092); en of de Rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek om vergoeding van immateriële schade en of belanghebbende daar terecht om heeft verzocht. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar een andere rechtbank, alsmede tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht. 4.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot afwijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Beoordeling van het hoger beroep
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.