GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummer BK-23/954 Uitspraak van 14 augustus 2024 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: G. Gieben) en de heffingsambtenaar van de gemeente Nissewaard, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 31 augustus 2023, nummer ROT 22/
(3), waardoor de gemiddelde m2-prijs € 1.481,40 bedraagt. Indien dit wordt gecorrigeerd naar factor 4 (plus 7%) voor onderhoud resulteert een m2-prijs van € 1.585, hetgeen hoger is dan de voor de woning gehanteerde basis m2-prijs van € 1.513. De conclusie luidt dan ook dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. 5.5.1. Hetgeen belanghebbende ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, doet niet af aan het oordeel dat de Heffingsambtenaar aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat [adres 2] een identieke buurwoning is. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting toegelicht dat er verschillen bestaan tussen de woning en [adres 2] , omdat [adres 2] ten tijde van de verkoop over de originele voorzieningen (keuken en badkamer) uit het bouwjaar van de woning beschikte. Verder heeft de Heffingsambtenaar onweersproken gesteld dat de woning een schuifpui heeft en kunststof kozijnen. Het Hof is daarom van oordeel dat de koopprijs van [adres 2] niet één-op-éen kan worden overgenomen ter bepaling van de waarde van de woning. 5.5.2. Belanghebbendes stelling over [adres 4] kan evenmin leiden tot een vermindering van de waarde van de woning, omdat dit object een m2-prijs heeft van € 1.480,91. Indien dit object niet in de vergelijking wordt betrokken, blijft de gemiddelde m2-prijs volgens de matrix € 1.481,65 (en € 1.585 als voor onderhoud wordt gecorrigeerd naar factor 4). Toezendplicht 5.6.1. Belanghebbende stelt dat de Rechtbank bij het bepalen van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase ten onrechte de vergoeding heeft verminderd op grond van artikel 2, lid 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp). De Rechtbank heeft de proceskostenvergoeding toegekend in verband met schending van de artikelen 7:4, lid 4, Awb en 40, lid 2, Wet WOZ door de Heffingsambtenaar. Tevens stelt belanghebbende dat hij recht heeft op een kostenvergoeding voor het bezwaar. De Rechtbank had het bestreden besluit moeten vernietigen en zij had niet artikel 6:22 Awb mogen toepassen, aldus belanghebbende. De Heffingsambtenaar heeft daartegen aangevoerd dat als gevolg van beperkingen in de automatisering voor de onderhavige waardepeildatum geen indexeringspercentage is toegepast. In de beroepsfase is de indexering onderbouwd met indexeringsgegevens van Vastgoedpro. Volgens de Heffingsambtenaar is de toezendplicht niet geschonden. 5.6.2. Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens te worden verstrekt. De hiervoor bedoelde gegevens kunnen ook betrekking hebben op de voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, BNB 2023/156). 5.6.3. Het Hof oordeelt, anders dan de Rechtbank, dat de Heffingsambtenaar de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet heeft geschonden. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting onweersproken gesteld dat als gevolg van menselijk falen in combinatie met de beperkingen van zijn automatiseringssysteem geen indexeringspercentage is toegepast voor de onderhavige waardepeildatum. De Heffingsambtenaar is bij het vaststellen van de waarde van de woning uitgegaan van de model-vierkantemeterprijs (zie 5.4.2). De indexeringsgegevens zijn dus geen gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de woning. 5.6.4. De Rechtbank had het beroep met betrekking tot artikel 40, lid 2, Wet WOZ daarom ongegrond moeten verklaren. De Heffingsambtenaar is op dit punt ten onrechte door de Rechtbank veroordeeld tot vergoeding van de kosten van belanghebbende voor het geding in beroep. Belanghebbendes grief dat de door de Rechtbank toegekende (proces)kostenvergoeding te laag is, faalt derhalve. Vergoeding van immateriële schade 5.7.1. Niet in geschil is dat de redelijke termijn voor de behandeling van het geschil in de bezwaar- en beroepsfase is overschreden. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen op 10 maart 2021. Op dat moment is de in aanmerking te nemen termijn gaan lopen. De Rechtbank heeft op 31 augustus 2023 uitspraak gedaan. De redelijke termijn is hierdoor overschreden met afgerond zes maanden. Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn kunnen rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken. 5.7.2. Belanghebbende stelt zich onder verwijzing naar onder meer de arresten van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567 en ECLI:NL:HR:2024:775 op het standpunt dat aan hem een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend van € 500. De Heffingsambtenaar stelt dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade terecht op € 50 heeft gesteld. 5.8. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, geoordeeld over het recht op vergoeding van immateriële schade indien het financiële belang bij de procedure (zeer) gering is: “Rechtspraak over vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting 3.2.1 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, die is samengevat in zijn arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, wordt in belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden, als regel – dat wil zeggen behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) kan door de belastingrechter tot vergoeding van die schade worden veroordeeld, indien de belanghebbende daarom heeft verzocht.[3] Voor deze schadevergoeding dient als uitgangspunt en behoudens wettelijke uitzonderingen een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.[4] Betreft een procedure zowel een belastingaanslag als een daarmee samenhangende boete, dan worden die schadevergoeding, en de boetevermindering of schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de boete, zo nodig naast elkaar toegepast.[5] 3.2.2 De Hoge Raad heeft in belastingzaken, afgezien van geschillen over een bestuurlijke boete, tot de hiervoor in 3.2.1 bedoelde bijzondere omstandigheden gerekend het geval dat het financiële belang bij de procedure zeer gering is. In zo’n geval mag zonder meer worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid. De Hoge Raad heeft daarom geoordeeld dat bij een geschil over een zeer gering financieel belang geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.[6] (…) Gedeeltelijke aanpassing van regels over de hiervoor samengevatte rechtspraak 3.4.1 De Hoge Raad ziet aanleiding tot gedeeltelijke aanpassing van regels uit zijn hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 weergegeven rechtspraak over vergoeding van immateriële schade in gevallen waarin de beslechting van een belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft tot nu toe aangenomen dat de omvang van het financiële belang alleen dan tot gevolg heeft dat geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, wanneer het financiële belang bij een belastingprocedure minder is dan € 15.[10] 3.4.2 Zoals blijkt uit de conclusie van de Advocaat-Generaal, worden in sterk toenemende mate belastingprocedures over een belang van meer dan € 15 gevoerd in de hoop en verwachting een vergoeding van immateriële schade en een daaraan gekoppelde vergoeding van proceskosten te verkrijgen vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. In deze ontwikkeling ziet de Hoge Raad aanleiding voor een aanpassing van de hoogte van het bedrag van € 15. De Hoge Raad zal in verband daarmee de grens voortaan op een aanzienlijk hoger bedrag dan € 15 stellen. 3.4.3 Voortaan zal de Hoge Raad tot uitgangspunt nemen dat zich een bijzondere omstandigheid als hiervoor in 3.2.1 bedoeld voordoet, wanneer het financiële belang bij de procedure, zoals hiervoor nader beschreven in 3.3.1 tot en met 3.3.5, minder dan € 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. De belastingrechter kan dan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 3.4.4 Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken.[11] Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 3.4.5 Met de hiervoor in 3.4.3 weergegeven aanpassing wordt aangesloten bij de rechtspraak van de Hoge Raad in strafzaken en in belastingzaken waarin een bestuurlijke boete in het geding is, en waarin wordt volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden indien het gaat om een boete die minder dan € 1.000 bedraagt.[12] Ook het EHRM verlangt niet dat een financiële compensatie wordt geboden in alle gevallen waarin een overschrijding van de redelijke termijn plaatsvindt. Het EHRM aanvaardt de mogelijkheid dat de lange duur van een procedure in bepaalde gevallen leidt tot geen enkele of slechts zeer geringe immateriële schade, en dat de rechter dan volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.[13] 3.4.6 Voor het overige handhaaft de Hoge Raad zijn hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 beschreven rechtspraak over het recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en over de omvang van een dergelijke vergoeding. Overgangsrecht 3.5 De hiervoor in 3.4.3 en 3.4.4 weergegeven wijzigingen gelden niet voor zaken waarin (
- i)de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (
- ii)de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van dit arrest is overschreden. Aldus wordt een aanspraak op vergoeding van immateriële schade geëerbiedigd die op grond van een daartoe vóór de datum van dit arrest gedaan verzoek is verkregen op basis van de toenmalige rechtspraak van de Hoge Raad. (…) [3] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.9.1 en 3.13.1. [4] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.10.1. [5] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.9.1, en HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, rechtsoverweging 5.3.1. [6] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.9.6. [10] HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.9.6, en HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292, rechtsoverweging 2.3. [11] Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.4. [12] Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverweging 3.6.2, aanhef en onderdeel C, derde gedachtestreepje, en HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.3, aanhef, punt 2, tweede gedachtestreepje. [13] Vgl. EHRM 29 maart 2006, nr. 36813/97 Scordino tegen Italië, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397, paragraaf 204, en HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rechtsoverweging 3.3.” 5.9. Uit de arresten van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, en 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, in samenhang bezien leidt het Hof af dat als uitgangspunt voor de toekenning van een vergoeding van immateriële schade een tarief wordt gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Daar wordt, behoudens hier niet aan de orde zijnde bijzondere omstandigheden, alleen dan van afgeweken indien het financiële belang bij de procedure, zoals in het hier aan de orde zijnde geval, minder dan € 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval kan de belastingrechter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Bij dit laatste geldt nog wel dat de Hoge Raad heeft voorzien in overgangsrecht. 5.10. Voor de door de Rechtbank gekozen variant tot matiging van het tarief van € 500 naar € 50 biedt deze jurisprudentie naar het oordeel van het Hof gelet op het vorenstaande geen ruimte (zie HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.6). Het andersluidende standpunt van de Heffingsambtenaar wordt dus verworpen. 5.11. Aangezien de overschrijding van de termijn in de onderhavige zaak afgerond zes maanden bedraagt, betekent dat met inachtneming van het overgangsrecht dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 500. 5.12. De overschrijding van de redelijke termijn kan gedeeltelijk worden toegerekend aan de bezwaarfase en gedeeltelijk aan de beroepsfase. Aan de bezwaarfase wordt een totale overschrijding van afgerond drie maanden toegerekend (een overschrijding tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 10 maart 2021 en de uitspraak op bezwaar van 27 december 2021) en aan de beroepsfase wordt een overschrijding van afgerond drie maanden toegerekend (tussen de uitspraak op bezwaar van 27 december 2021 en de uitspraak van de Rechtbank van 31 augustus 2023). De Heffingsambtenaar zal daarom worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 250 (€ 500 x 3/6) aan belanghebbende en de Minister van Justitie en Veiligheid (de Minister) zal worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 250 (€ 500 x 3/6) aan belanghebbende. Slotsom 5.13. Het hoger beroep is gegrond voor wat betreft de hoogte van de vergoeding van immateriële schade. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond. Proceskosten en griffierecht 6.1. Het Hof zal de Heffingsambtenaar en de Minister, ieder voor de helft, veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor de hogerberoepsfase. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 875 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor de zitting à € 875 x 0,5 (zwaarte van de zaak)). Deze vergoeding komt voor de helft voor rekening van de Heffingsambtenaar en voor de helft voor rekening van de Minister (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, r.o. 3.14.1 en 3.14.2). Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding. 6.2. Het Hof ziet aanleiding om bij de onderhavige uitspraak een richtsnoer op te nemen dat het Hof vanaf 1 augustus 2024, evenals de andere gerechtshoven, hanteert voor beslissingen over de (proces)kostenvergoeding. Het richtsnoer is omwille van leesbaarheid als bijlage bij deze uitspraak gevoegd en maakt daarvan onderdeel uit. 6.3. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 136 te worden vergoed. Deze vergoeding komt voor de helft voor rekening van de Heffingsambtenaar en voor de helft voor rekening van de Minister. Beslissing Het Gerechtshof: - vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de beslissing over de hoogte van de vergoeding van immateriële schade; - veroordeelt de Heffingsambtenaar tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 250; - veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 250; - veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 437,50; - veroordeelt de Minister in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 437,50; - draagt de Heffingsambtenaar op het door belanghebbende betaalde griffierecht voor de helft, zijnde € 68, aan deze te vergoeden; en - draagt de Minister op het door belanghebbende betaalde griffierecht voor de helft, zijnde € 68, aan deze te vergoeden. Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier N. Veenstra. De beslissing is op 14 augustus 2024 in het openbaar uitgesproken. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 Aanleiding De gerechtshoven zien aanleiding om het richtsnoer proceskostenvergoeding met name op het punt van de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak (wegingsfactor C1) op enige punten te verduidelijken en/of te nuanceren en aan te passen aan de huidige stand van het recht. 1Wegingsfactor C1 (gewicht van de zaak) Het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in wegingsfactor C1, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van de zaak wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang en de ingewikkeldheid. De uitkomst van de beoordeling van het gewicht van de zaak dient in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. Dit richtsnoer kan daarom slechts als niet-bindende handreiking worden beschouwd. Een afwijking van het richtsnoer vergt geen specifieke motivering. De genoemde voorbeelden zijn indicatief, niet limitatief. De vergoeding van (proces)kosten wordt per fase (bezwaar, beroep en hoger beroep) apart berekend; zowel het toe te kennen aantal punten voor de proceshandelingen als de zwaarte van de zaak kunnen per fase verschillend zijn. De zwaarte van de zaak geldt voor de gehele fase. Binnen één fase wordt dus niet gedifferentieerd, omdat een dergelijke differentiatie in de zwaarte van de zaak zich niet verdraagt met de door de besluitgever beoogde eenvoud. Er wordt dus in dezelfde fase geen verschillende wegingsfactor gehanteerd voor, bijvoorbeeld, het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting. Indien daar in hoger beroep over wordt geklaagd, toetst het hof de in eerdere fasen toegekende vergoeding van (proces)kosten. Deze toets betreft ook de beoordeling van de zwaarte van de zaak. Opmerking verdient dat: in geval van vier of meer samenhangende zaken (wegingsfactor C2) en bij bepaalde categorieën van zaken (vgl. artikel 30a Wet WOZ en artikel 19a Wet BPM 1992) naast de wegingsfactor een extra vermenigvuldigingsfactor dient te worden toegepast; de rechter op de grondslag van artikel 2, lid 2, Bpb de bevoegdheid heeft om – onafhankelijk van de toepasselijke wegingsfactor – de op grond van het eerste lid van dat artikel bepaalde vergoeding neerwaarts bij te stellen, in geval hij een kostenveroordeling toewijst ten gunste van een partij die slechts gedeeltelijk gelijk heeft gekregen. Daarbij past weliswaar een zekere terughoudendheid maar gelet op de toelichting bij het Bpb bestaat geen reden dit artikellid dusdanig beperkt uit te leggen dat het alleen van toepassing is indien de belanghebbende alleen in het gelijk wordt gesteld op punten van ondergeschikt belang; voor vergoeding alleen die kosten in aanmerking komen die men redelijkerwijs heeft moeten maken. Hierbij geldt de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets. Niet alleen moet de omvang van de kosten redelijk zijn, maar ook het maken van de kosten als zodanig – bijvoorbeeld door het inroepen van rechtsbijstand – moet redelijk zijn (Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 154, en Kamerstukken I 1999/00, 27 024, nr. 3, blz. 10). 1.1. Gewicht gemiddeld (wegingsfactor 1) Voor een zaak met een per saldo gemiddeld belang en een gemiddelde ingewikkeldheid, wordt als uitgangspunt wegingsfactor 1 gehanteerd. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de volgende gevallen: Zaken waar het om een materieelrechtelijk belastinggeschil gaat en waarbij ten minste één rechtsvraag van enig belang aan de orde is waarop het antwoord niet evident is. Zaken waar het om een materieelrechtelijk belastinggeschil van een zekere complexiteit gaat waarbij de waardering van relevante feiten aan de orde is (zoals de vraag of er een onderneming is). 1.2. Gewicht zeer licht (wegingsfactor 0,25) Voor een zaak met een zeer gering belang en met een zeer eenvoudig te beslechten geschil (de zaak behoeft slechts een geringe inspanning van de rechtsbijstandsverlener), zou als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 0,25 kunnen worden aangehouden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de volgende gevallen: Bij evidente tel- en rekenfouten en daarmee gelijk te stellen misslagen. Te denken valt aan evidente tel- en rekenfouten in de heffingsgrondslag of in de berekening van de (proces)kostenvergoeding (bijvoorbeeld toepassing van een onjuist tarief per punt, het abusievelijk niet of onjuist meetellen van een proceshandeling, van een toegekende vergoeding van een deskundigenrapport of het ten onrechte niet vermeerderen van de vergoeding voor een deskundigenrapport met BTW). Bij kwesties die voor de rechtsbijstandsverlener slechts eenvoudige en beperkte werkzaamheden meebrengen (zoals bij een gebruikersheffing waarbij de belanghebbende niet de gebruiker is). Bij zeer eenvoudige vragen over nevenvorderingen of van formeelrechtelijke aard (zoals een evident geschil over een dwangsom of een zaak waarin een tijdig bezwaarschrift over het hoofd is gezien). Indien het geschil in hoger beroep beperkt is tot de vraag of de rechtbank ten onrechte geen wettelijke rente heeft toegekend. Bij een hoger beroep dat ongegrond is, maar waarvoor wel een proceskostenvergoeding wordt toegekend (bijvoorbeeld omdat een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend). 1.3. Gewicht licht (wegingsfactor 0,5) Voor een zaak met een gering belang en een eenvoudig geschil, zou als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 0,5 kunnen worden aangehouden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de volgende gevallen: Indien het geschil beperkt is tot het antwoord op de vraag of de hoorplicht is geschonden en de zaak op die grond voor een nieuwe behandeling in bezwaar wordt teruggewezen naar het bestuursorgaan. Bij vragen van formeelrechtelijke aard of over een nevenvordering met enige complexiteit (zoals een niet evidente zaak over de toekenning van een dwangsom, of over rente). Indien het geschil beperkt is tot de hoogte van de in een eerdere fase toegekende vergoeding voor de (proces)kosten (behoudens bij een kennelijke misslag). Parkeerbelastingzaken met een (voor parkeerbelastingzaken) gemiddeld belang en complexiteit. Indien het (hoger) beroep uitsluitend slaagt omdat het bezwaar of het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard (een termijnoverschrijding blijkt verschoonbaar te zijn, of de beroepstermijn is later gaan lopen). Indien het (hoger) beroep uitsluitend gaat over het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. 1.4. Gewicht zwaar (wegingsfactor 1,5) In de volgende gevallen kan als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak in beginsel 1,5 worden aangehouden: Bij zaken die zich duidelijk onderscheiden qua belang en complexiteit en aard van de door de rechtsbijstandsverlener verrichte werkzaamheden (zoals zaken waarover tegenstrijdige rechtsbankuitspraken zijn gedaan of proefprocedures). Indien meerdere rechtsvragen aan de orde zijn of indien de waardering van een complex van feiten en omstandigheden aan de orde is en er een aanzienlijk belang is (zoals een complex geschil over zowel nationaal als internationaal recht). 1.5. Gewicht zeer zwaar (wegingsfactor 2) In uitzonderlijke gevallen kan als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 2 worden aangehouden. Daarbij kan gedacht worden aan zeer ingewikkelde vraagstukken met een groot belang waar verschillende rechtsvragen beantwoord moeten worden en het feitengeheel ook zeer complex is (zoals geschillen over bepaalde renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting). 2Kosten van een deskundige Indien een deskundige een rapport aan een belanghebbende heeft uitgebracht dat het standpunt van die belanghebbende over een geschilpunt in een procedure voor de bestuursrechter ondersteunt, mag aan toekenning van een vergoeding voor de kosten van dat rapport niet de eis worden gesteld dat het een bijdrage heeft geleverd aan de beslissing van de rechter over dat geschilpunt. Indien het bezwaar, beroep of hoger beroep echter uitsluitend slaagt op een grond die losstaat van het geschilpunt waarop het deskundigenrapport betrekking heeft, is er geen grond voor vergoeding van de kosten van de werkzaamheden van de deskundige (vgl. artikel 2, lid 2, Bpb). Voor een deskundigenrapport in WOZ-zaken gelden de uitgangspunten voor de vergoeding volgens de Richtlijn per 1 juli 2018 (Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Stcrt. 2018, 28796). Is aannemelijk dat de kostenvergoeding volgens die Richtlijn disproportioneel is (hetgeen bijvoorbeeld het geval kan zijn indien het rapport geautomatiseerd tot stand is gebracht) bestaat aanleiding uit te gaan van een geringere tijdsbesteding. In de Richtlijn is tevens vermeld dat de aanwezigheid van de taxateur ter zitting of bij het hoorgesprek wordt vergoed volgens dezelfde tarieven als die voor de taxatiewerkzaamheden. Daarbij geldt dat indien uitsluitend de taxateur die ook beroepsmatig rechtsbijstand verleent namens de belanghebbende op het hoorgesprek of ter zitting verschijnt, moet worden aangenomen dat deze dan als rechtsbijstandsverlener optreedt, in welk geval, wegens dat verschijnen, een vergoeding wordt toegekend wegens het verlenen van beroepsmatige rechtsbijstand als gemachtigde. Voor een taxatiekaart in aanvulling op een eerder taxatierapport wordt geen afzonderlijke vergoeding toegekend. Of een ingebracht (taxatie)rapport als een deskundigenrapport kan worden aangemerkt, is niet aan de hand van algemene richtsnoeren te beoordelen. Als ondergrens heeft te gelden dat het is opgesteld door een ter zake deskundige, dan wel onder diens verantwoordelijkheid, waarvan uit de medeondertekening van het rapport moet blijken. Er wordt niet de eis gesteld dat sprake moet zijn van een geregistreerd taxateur. Eisen aan vormgeving en omvang van het rapport zijn echter niet te stellen. 3Verletkosten Indien de gevraagde vergoeding voor verletkosten door de wederpartij niet wordt betwist, dient deze te worden toegekend, met inachtneming van het maximum uurtarief als bedoeld artikel 2, lid 1, aanhef en letter d, Bpb. 4Bijzondere omstandigheden Op grond van artikel 2, lid 3, Bpb, kan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken van de forfaitaire bedragen van het Bpb. Artikel 2, lid 3, Bpb leent zich niet voor het geven van richtsnoeren. Toelichting bij het Bpb, Stb 1993, 763, blz. 8. Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293.