← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2024:1573

GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer : 200.343.006/01 Rekestnummer rechtbank : C/09/665988 / FT RK 24/425 Arrest van 20 augustus 2024 in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. P.A. Loeff te Barendrecht. De procedure Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 26 juni 2024, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2024, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Hij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 augustus

  1. Verschenen is: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat. Beoordeling van het hoger beroep
  2. [appellant] heeft op 3 mei 2024 bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
  3. De rechtbank heeft [appellant] niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Volgens de rechtbank heeft [appellant] geen deugdelijke poging gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Door de schuldhulpverlener is in de 285-verklaring hierover opgenomen: “Er is sprake van zeer veel particuliere schuldeisers die middels crowdfunding hebben geïnvesteerd in de onderneming van verzoeker. Veel schuldeisers hebben niet gereageerd op het verzoek om de hoogte van hun vordering mee te delen. Hierdoor is de hoogte van de schuldenlast onzeker en kan er geen buitengerechtelijke schuldregeling worden beproefd.” Volgens de rechtbank kan een verzoek aan de schuldeisers om de hoogte van hun vordering te bevestigen echter niet reeds worden beschouwd als een poging om tot een regeling te komen.
  4. De grieven en argumenten van [appellant] kunnen als volgt worden samengevat. 3.1 [appellant] heeft een schuldenlast van €560.697,
  5. Er zijn 74 schuldeisers, waarvan er één preferent is. De schulden vinden vrijwel allemaal hun oorsprong in een verlieslatende eenmanszaak, die al voor januari 2019 werd gestaakt en in oktober 2019 is uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Zijn eenmanszaak is bij de start ervan gefinancierd door middel van crowdfunding. De geldschieters waren veelal particulieren. 3.2 [appellant] heeft zich meermalen gewend tot de schuldhulpverlening, maar de gemeente kon hem telkens niet helpen omdat zijn schuldenlast niet voldoende inzichtelijk te krijgen was. 3.3 Bij vonnis van 28 december 2021 zijn de goederen van [appellant] onder beschermingsbewind gesteld, met benoeming van OpRecht Leiden B.V. tot bewindvoerder. Ook de beschermingsbewindvoerder is er niet in geslaagd de schulden volledig in kaart te brengen. 3.4 Tot slot heeft de advocaat van [appellant] zonder succes geprobeerd de schulden in kaart te brengen. Daartoe zijn op 10 oktober 2023 inventarisatiebrieven aan de schuldeisers gezonden. Ook op die manier is de schuldenlast niet exact in kaart gebracht. 3.
  6. De per 1 juli 2023 ingevoerde wijziging van artikel 285 lid 1 onder f Fw maakt het mogelijk om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling zonder dat eerst een poging wordt gedaan om een minnelijke regeling te treffen. Deze mogelijkheid bestaat als in de gegeven situatie op voorhand kansloos is dat een regeling zal worden getroffen. 3.6 Deze situatie doet zich in het geval van [appellant] voor. [appellant] beschikt weliswaar over aflossingscapaciteit, maar er ligt al jaren beslag op zijn inkomen. Per maand wordt er tussen de € 700,- en € 750,- afgedragen aan de deurwaarder. Bovendien is het treffen van een regeling niet mogelijk omdat teveel schuldeisers niet hebben gereageerd om de hoogte van hun vordering door te geven.
  7. De grieven van [appellant] hebben hiermee de strekking de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. Ter zitting van het hof heeft [appellant] zijn standpunt nader toegelicht. Het hof overweegt als volgt. 4.1 Artikel 285 lid 1 sub f Fw bepaalt dat een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen dient te worden overgelegd bij een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Per 1 juli 2023 is aan dit artikellid toegevoegd dat als aannemelijk is dat onvoldoende aflossingsmogelijkheden bij de schuldenaar of andere omstandigheden het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, voor de afgifte van deze verklaring niet eerst een poging hoeft te zijn gedaan om tot een dergelijke regeling te komen. Met de wijziging is beoogd om schuldenaren direct te kunnen doorgeleiden naar de schuldsaneringsregeling zodra duidelijk is dat het beproeven van een buitengerechtelijke schuldregeling zinloos is. In het amendement dat tot wijziging van het artikel leidde, wordt een aantal situaties beschreven waarin kan worden afgezien van het doen van een aanbod: - budgetbeheer en/of schuldenbewind hebben na enige tijd de financiële situatie van de schuldenaar gestabiliseerd waardoor inzichtelijk is geworden dat de totstandkoming van een buitengerechtelijke schuldregeling kansloos is; - het wordt al snel duidelijk dat het onmogelijk zal zijn met een bepaalde schuldeiser overeenstemming te bereiken bijvoorbeeld door een brief van die schuldeiser of van zijn advocaat; - door dakloosheid of echtscheiding van de schuldenaar is het onmogelijk om binnen afzienbare tijd een volledig beeld te krijgen van alle schulden, wat essentieel is om überhaupt een schuldregeling te kunnen voorleggen aan de schuldeisers. 4.2 Uitgangspunt van de wetgever is dus (nog steeds) dat in voldoende mate een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling moet zijn gedaan en dat de schuldenaar in beginsel gehouden is een reëel en kwalitatief behoorlijk aanbod tot een minnelijke schuldregeling aan de schuldeisers te doen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de inventarisatiebrief niet als een aanbod of deugdelijke poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden beschouwd. Deze brief bevat slechts de mededeling dat [appellant] de mogelijkheden wenst te onderzoeken om een buitengerechtelijke schuldregeling aan zijn schuldeisers aan te bieden en het verzoek aan de schuldeisers zich uit te laten over de hoogte, ontstaansdatum en aard van hun vorderingen(en). Het is niet onbegrijpelijk dat sommige schuldeisers niet de moeite hebben genomen om op deze brief te reageren. [appellant] heeft bovendien onvoldoende toegelicht waarom hij niet in staat was om zelf een inschatting te maken van de hoogte van de schulden. Hij heeft immers – ook bij de zitting van het hof – te kennen gegeven dat hij weet wie zijn schuldeisers zijn en ook welke aflossingen hij aan elke schuldeiser heeft gedaan. Het hof concludeert dan ook dat [appellant] zich onder de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft ingespannen om tot een minnelijke regeling te komen met zijn schuldeisers. De schuldeisers is immers nooit gelegenheid geboden om zich op een concreet voorstel te beraden en de afweging te maken om daaraan wel of niet mee te doen. Gesteld noch gebleken is dat (een van) de schuldeisers zich daarover hebben of heeft uitgelaten. 4.3 Het hof is echter van oordeel dat zich niettemin ‘andere omstandigheden’ voordoen die het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Er is immers (ten minste) één schuldeiser die beslag heeft gelegd op het inkomen van [appellant] en op die manier maandelijks een behoorlijk bedrag int. Het valt niet te verwachten dat deze schuldeiser zal instemmen met een voorstel dat slechts betaling van een gering percentage van zijn schuld zal inhouden. 4.4 Het hof is verder van oordeel dat uit de stukken en ter zitting in hoger beroep voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] zowel zijn financiële als zijn persoonlijke situatie mede met de hulp van zijn beschermingsbewindvoerder onder controle heeft gekregen als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof verder van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] zich zal inspannen om zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren na te komen. [appellant] is meteen na het beëindigen van zijn eenmanszaak voltijds in loondienst aan het werk gegaan en heeft een inkomen.
  8. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. De beslissing Het hof: - vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2024; - spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] uit; - verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, R.G.C. Veneman en A.J. Swelheim en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2024 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.