GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.327.320/01 Zaaknummer Hoge Raad : 20/04149 Zaaknummer hof Amsterdam : 200.199.389/01 Zaaknummer rechtbank Amsterdam : 3386618 CV EXPL 14-25540 Arrest van 3 september 2024 in de zaak van [appellant] , wonend in [woonplaats], appellant, advocaat: mr. C.J. Jager, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen Amsterdam-Inn B.V, (voorheen genaamd Centre Hotel B.V.), gevestigd in Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. H.M. Hielkema, kantoorhoudend in Amsterdam. Het hof zal partijen hierna noemen [appellant] en Centre Hotel. 1De zaak in het kort 1.1 Het gaat in deze zaak - na cassatie en verwijzing door de Hoge Raad - om de vraag of [appellant] de huurovereenkomst met Centre Hotel mag beëindigen wegens dringend eigen gebruik. 1.2 Het hof stelt een tijdstip vast waarop de huurovereenkomst tussen partijen eindigt. 2Procesverloop na cassatie en verwijzing 2.1 Het verloop van de procedure na cassatie en verwijzing blijkt uit de volgende stukken: het exploot tot oproeping na verwijzing (na het arrest van de Hoge Raad van 1 april 2022) van [appellant] van 15 mei 2023; de memorie na verwijzing van [appellant], met bijlagen; de memorie van antwoord na verwijzing van Centre Hotel, met bijlagen. 3Feitelijke achtergrond 3.1 Sinds 2002 is [appellant] eigenaar van een pand aan de [adres]. In dit pand heeft [appellant] van maart 2002 tot maart 2006 een hotel gedreven. 3.2 In maart 2006 heeft [appellant] de onderneming verkocht aan Hotel De Lantaerne Leidsekade B.V. (hierna: De Lantaerne) en het pand (hierna: het gehuurde) aan deze vennootschap verhuurd. 3.3 Volgens de schriftelijke huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst) is de huur aangegaan voor de duur van vijf jaar, ingaande op 1 maart 2006, met voortzetting van de huurovereenkomst voor steeds weer vijf jaar. 3.4 Bij schriftelijke huurovereenkomst tussen [appellant], De Lantaerne en Centre Hotel van 21 april 2009 is Centre Hotel als huurder van het gehuurde in de plaats van De Lantaerne gesteld. 3.5 De overeengekomen huur bedroeg in mei 2016 € 248.706,96 per jaar. 3.6 In februari 2014 heeft [appellant] de huur opgezegd tegen 28 februari 2016 (op welke datum de huurovereenkomst tien jaar heeft geduurd) wegens onder meer dringend eigen gebruik. 3.7 In februari 2014 is Centre Hotel een procedure begonnen bij de kantonrechter te Amsterdam om te komen tot verlaging van de huurprijs. 3.8 Bij vonnis van 30 maart 2015 heeft de kantonrechter de huurprijs van het gehuurde vastgesteld op bedragen die per jaar stapsgewijs lager werden, van € 212.865,18 per 13 september 2012 tot € 84.200,- per 13 september 2016 (bedragen steeds per jaar en exclusief btw). 3.9 Tegen voornoemd vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. In die procedure heeft het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 15 september 2020 de huurprijs per 13 september 2012 vastgesteld op € 180.000,- exclusief btw per jaar. 4Procedures tot en met cassatie 4.1 [appellant] heeft Centre Hotel gedagvaard en gevorderd, samengevat, het tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde zal eindigen, althans deze huurovereenkomst te ontbinden, met ontruiming door Centre Hotel van het gehuurde en veroordeling tot betaling van een vergoeding voor het gebruik daarvan en met veroordeling van Centre Hotel tot betaling van de proceskosten. [appellant] heeft aan die vordering onder meer dringend eigen gebruik van het gehuurde ten grondslag gelegd. 4.2 De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de vorderingen van [appellant] bij vonnis van 23 mei 2016 afgewezen en heeft bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt. 4.3 Tegen dit vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 15 september 2020 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, waarbij [appellant] in de proceskosten is veroordeeld. Het hof heeft daarbij – voor zover relevant – het volgende overwogen: “2.5 (…) Onder verwijzing naar het door hem overgelegde rapport van Cushman & Wakefield voert [appellant] aan dat hij door zelfexploitatie een rendementsverbetering van ongeveer € 200.000,= op jaarbasis kan bewerkstelligen, zijnde het verschil tussen het begrote genormaliseerde resultaat uit de exploitatie van het hotel en de herziene huur per 1 januari 2019 (ad € 194.000,=). 2.6 [appellant] heeft in deze procedure ook aangevoerd dat hij, mede in verband met de financiering van zijn vastgoed, de beleggingswaarde van het pand wil herstellen. Met die beleggingswaarde is in absolute zin echter niet veel mis. In zijn laatste akte noemt [appellant] als waarde per 1 januari 2019 van het pand in de huidige verhuurde staat (na de herziening van de huurprijs per 13 september 2012) een bedrag van € 4,2 miljoen euro, terwijl hij het pand in 2002 voor een bedrag van afgerond € 1,6 miljoen heeft gekocht. Bij zelfexploitatie van het hotel zou de marktwaarde van het pand volgens de door [appellant] geraadpleegde deskundige € 6,1 miljoen bedragen, waarvan de waarde van de onderneming bij verhuur tegen de marktprijs ten bedrage van € 900.000,=, deel uitmaakt. 2.7 De juistheid van de taxaties en begrotingen in het rapport van Cushman & Wakefield is door Centre Hotel bestreden. Het hof ziet weinig aanleiding aan de inhoud van dat rapport te twijfelen. De deskundige heeft uiteen gezet dat hij is uitgegaan van het hotel in zijn huidige onderhoudstoestand en met de huidige twee sterren en dus niet van een optimale situatie, zoals Centre Hotel aanvoert. Het hof wil dus aannemen, met de deskundige, dat [appellant] in staat zal zijn een opbrengst van € 400.000,= per jaar te behalen met de zelfexploitatie, wat dan leidt tot een waarde van het hotel van € 6,1 miljoen. Hiervan moet overigens wel worden afgetrokken een nader te bepalen bedrag aan goodwillvergoeding dat [appellant] aan Centre Hotel moet betalen, als de huurbeëindigingsvordering zou worden toegewezen. 2.8 Hoewel de winstpotentie van het hotel dus aanzienlijk is en zelfexploitatie voor [appellant] tot een behoorlijke rendementsverbetering kan leiden, kan naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden toch niet worden gezegd dat [appellant] het gehuurde daarvoor dringend nodig heeft. Daartoe is, naast het feit dat [appellant] met de verhuur van het pand tegen de herziene huur reeds een behoorlijk rendement behaalt, in het bijzonder het volgende redengevend. 2.9 [appellant] heeft tussen 2002 en 2006 zelf het hotel in het gehuurde geëxploiteerd en, naar hij stelt, op winstgevende wijze. Hij heeft in 2006 niettemin ervoor gekozen het hotelbedrijf te verkopen aan De Lantaerne voor een bedrag van € 800.000,= en de bedrijfsruimte aan die vennootschap te verhuren. Het ligt voor de hand aan te nemen dat in 2006 zelfexploitatie van het hotel [appellant] ook al meer kon opleveren dan de verhuur van het pand, omdat anders voor De Lantaerne geen winstpotentie zou hebben bestaan. Van die extra winst door zelfexploitatie heeft [appellant] in 2006 welbewust afgezien. Het is weliswaar vaste rechtspraak dat de omstandigheid dat een verhuurder de dringende noodzaak tot het eigen gebruik zelf in het leven heeft geroepen, op zichzelf niet aan de toewijzing van de beëindigingsvordering in de weg hoeft te staan, maar dat betekent niet die omstandigheid bij de beoordeling van de dringendheid geen rol zou mogen spelen. Naar het oordeel van het hof doet deze betrekkelijk recente eigen keuze van [appellant] af aan de dringendheid van zijn wens zelf een hotel uit te baten. Hij heeft als belegger de beschikking over een (bescheiden) vastgoedportefeuille en de vraag dringt zich op waarom juist het gehuurde aan die wens dienstbaar moet worden gemaakt en waarom juist op dit moment. De reden daarvoor kan thans niet meer worden gevonden in de geringe hoogte van de huurprijs na herziening. Meer rendement is voor een eigenaar in beginsel altijd nastrevenswaardig, maar de wens om dat te bereiken door alleen voor dit pand nu weer terug over te schakelen van de positie van belegger/verhuurder naar de positie van uitbater is onvoldoende dringend. 2.10 De conclusie uit het voorgaande is dat het beroep op dringend eigen gebruik wordt verworpen en daarmee ook de tweede grief in het principale appel. Bij deze stand van zaken behoeft niet te worden beoordeeld of [appellant] in de gegeven omstandigheden misbruik maakt van zijn bevoegdheid door zich op dringend eigen gebruik te beroepen.” 4.4 [appellant] heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. Centre Hotel is in cassatie niet verschenen. 4.5 Bij arrest van 1 april 2022 (hierna: de uitspraak van de Hoge Raad) heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en het geding verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing. Centre Hotel is veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De Hoge Raad heeft daartoe, voor zover relevant, overwogen: “Blijkens rov. 2.9 in verbinding met rov. 2.8 heeft het hof voor zijn oordeel dat – hoewel de winstpotentie van een hotel in het gehuurde aanzienlijk is en zelfexploitatie voor [appellant] tot een behoorlijke rendementsverbetering kan leiden – onder de gegeven omstandigheden toch niet kan worden gezegd dat [appellant] het gehuurde daarvoor dringend nodig heeft, mede redengevend geacht dat [de verhuurder] als belegger de beschikking heeft over een (bescheiden) vastgoedportefeuille. Met zijn oordeel dat zich in dat verband de vraag opdringt waarom juist het gehuurde dienstbaar moet worden gemaakt aan de wens van [appellant] om zelf een hotel uit te baten, heeft het hof miskend dat het niet aan [appellant] is om te stellen en aannemelijk te maken dat hem geen andere mogelijkheid ten dienste staat dan het in eigen gebruik nemen van het gehuurde, maar aan Centre Hotel om te stellen en aannemelijk te maken dat [appellant] andere mogelijkheden ten dienste staan en dat het benutten daarvan voldoende in de rede ligt (…). Voorts heeft het hof ontoereikend gemotiveerd waarom het voorgenomen eigen gebruik door [appellant] ten tijde van het bestreden arrest niet dringend, in de zin van wezenlijk, is, nu het in rov. 2.7 en 2.8 heeft vastgesteld dat zelfexploitatie voor [appellant] tot een behoorlijke rendementsverbetering kan leiden. Ook het oordeel in rov. 2.9 dat sprake is van een betrekkelijk recente eigen keuze van [appellant] om het hotelbedrijf te verkopen en daarmee van extra winst door zelfexploitatie af te zien, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Ten tijde van het bestreden arrest lag de door [appellant] in 2006 gemaakte keuze immers al veertien jaar in het verleden. Daarmee is eveneens zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom deze toen gemaakte keuze afdoet aan de dringendheid van [appellant] wens om het gehuurde weer zelf in gebruik te nemen.” 5Vordering na cassatie en verwijzing 5.1 [appellant] vordert het vonnis waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende het tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst tussen [appellant] als verhuurder en Centre Hotel als huurder zal eindigen op veertien dagen na dagtekening van het arrest, althans op een in redelijkheid te bepalen andere termijn; Centre Hotel te veroordelen tot ontruiming en oplevering van het gehuurde uiterlijk op de dag waarop de huurovereenkomst zal eindigen; Centre Hotel te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een vergoeding voor het gebruik van het gehuurde voor elke maand of deel van een maand dat Centre Hotel het gehuurde nog in gebruik heeft hoewel de huurovereenkomst is geëindigd, welke vergoeding gelijk zal zijn aan de laatste geldende huurprijs; Centre Hotel te veroordelen in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep (inclusief de verwijzingsprocedure), te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente; het arrest, voor zover wettelijk mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 5.2 Centre Hotel concludeert tot bekrachtiging van het vonnis en tot veroordeling van [appellant] in de kosten van alle instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke handelsrente. 6Beoordeling na cassatie en verwijzing 6.1 Uit het bepaalde in artikel 424 Rv volgt dat dit hof de behandeling van de zaak voortzet en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad en in de stand waarin deze zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen. 6.2 Uit de uitspraak van de Hoge Raad volgt dat het hof de vraag moet beantwoorden of [appellant] de huurovereenkomst met Centre Hotel mag beëindigen op grond van dringend eigen gebruik (art. 7:269 lid 1 aanhef en onder b BW). Het hof zal deze vraag beoordelen aan de hand van de huidige feitelijke situatie (ex nunc). 6.3 Het hof neemt daarbij de volgende uitgangspunten in aanmerking zoals die volgen uit de uitspraak van de Hoge Raad (onder 3.3.1 tot met 3.3.3). Het gaat in deze zaak om een vordering tot beëindiging van een huurovereenkomst met betrekking tot bedrijfsruimte waarop de art. 7:290 e.v. BW van toepassing zijn. Vast staat dat [appellant] de huurovereenkomst heeft opgezegd tegen het einde van de termijn waarmee de huurovereenkomst krachtens art. 7:292 lid 2 BW was verlengd. In dat geval moet – ingevolge het bepaalde in art. 7:296 lid 4 BW – een vordering van de verhuurder tot beëindiging van de huurovereenkomst in ieder geval worden toegewezen (onder meer) indien de verhuurder aannemelijk maakt dat hij het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en hij daartoe het verhuurde dringend nodig heeft (art. 7:296 lid 1, aanhef en onder b, BW). Voor een afweging van de belangen van verhuurder en huurder is dan geen plaats. De vraag of een verhuurder van bedrijfsruimte het verhuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik als bedoeld in art. 7:296 lid 1, aanhef en onder b, BW dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De wil tot eigen gebruik moet niet alleen bestaan ten tijde van de opzegging, maar ook op het tijdstip van de uitspraak van de rechter. Met dringend nodig hebben voor eigen gebruik is bedoeld dat het pand van wezenlijk belang moet zijn voor de verhuurder. Algemene bedrijfseconomische redenen kunnen voldoende zijn om een dringende noodzaak van eigen gebruik aannemelijk te achten. Niet is vereist dat de verhuurder in zijn maatschappelijk voortbestaan wordt bedreigd en dat hij het verhuurde nodig heeft om aan deze bedreiging het hoofd te kunnen bieden. Het bestaan van andere mogelijkheden voor de verhuurder om in zijn behoeften te voorzien, staat alleen dan aan een beroep op het dringend eigen gebruik van het verhuurde in de weg indien het benutten van die andere mogelijkheden voldoende in de rede ligt om van de verhuurder te vergen dat hij dat doet. De verhuurder behoeft niet te stellen en aannemelijk te maken dat hem geen andere mogelijkheid ten dienste staat dan het in eigen gebruik nemen van het verhuurde; het ligt in beginsel op de weg van de huurder om te stellen en aannemelijk te maken dat de verhuurder andere mogelijkheden ten dienste staan en dat het benutten daarvan voldoende in de rede ligt. 6.4 Het hof gaat er verder – als in cassatie niet bestreden – vanuit dat de winstpotentie van het hotel aanzienlijk is en zelfexploitatie voor [appellant] tot rendementsverbetering leidt. Het hof Amsterdam baseerde dit op de conclusies van het rapport Cushman & Wakefield waaruit volgde dat [appellant] door zelfexploitatie een rendementsverbetering van ongeveer € 200.000,- op jaarbasis kan bewerkstelligen, zijnde het verschil tussen het begrote genormaliseerde resultaat uit de exploitatie van het hotel en de herziene huur per 1 januari 2019 (€ 194.000,-). [appellant] heeft daaraan toegevoegd dat zich na het feitelijk debat bij het gerechtshof Amsterdam nog een aantal ontwikkelingen heeft voorgedaan die bij de beoordeling van de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst op grond van dringend eigen gebruik relevant kunnen zijn. Zo heeft er naar aanleiding van het huurprijsgeschil een verrekening tussen partijen plaatsgevonden. Door die verrekening heeft [appellant] geen huurpenningen ontvangen over de periode van maart 2020 tot en met oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.