Rolnummer: 22-000740-24 Parketnummer: 83-100587-23 Datum uitspraak: 8 oktober 2024 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige economische kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, adres: [woonadres], [woonplaats]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,- subsidiair 10 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 23 maart 2023 te Rotterdam-Albrandswaard, gemeente Albrandswaard, al dan niet opzettelijk, als degene die met een voertuig langs de weg gevaarlijke stoffen vervoert, niet de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen van gemeenten heeft vermeden, immers heeft hij, verdachte, een voertuig, te weten een motorrijtuig (kenteken [kenteken 1]) met gekoppelde aanhanger (kenteken [kenteken 2]), waarin zich de gevaarlijke stof chloorwaterstofzuur (UN-nummer 1789) bevond, langs de weg te weten de [adres], binnen de bebouwde kom aldaar laten staan. (artikel 19 Wet vervoer gevaarlijke stoffen) Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,-. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 23 maart 2023 te Rotterdam-Albrandswaard, gemeente Albrandswaard, al dan niet opzettelijk, als degene die met een voertuig langs de weg gevaarlijke stoffen vervoert, niet de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen van gemeenten heeft vermeden, immers heeft hij, verdachte, een voertuig, te weten een motorrijtuig (kenteken [kenteken 1]) met gekoppelde aanhanger (kenteken [kenteken 2]), waarin zich de gevaarlijke stof chloorwaterstofzuur (UN-nummer 1789) bevond, langs de weg te weten de [adres], binnen de bebouwde kom aldaar laten staan. (artikel 19 Wet vervoer gevaarlijke stoffen) Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Nadere bewijsoverweging Standpunt van de verdediging De verdediging voert – overeenkomstig de ter zitting overgelegde pleitnota - aan dat de verdachte bij het parkeren van zijn vrachtwagen heeft gekozen voor de verkeersveiligheid nu hij dermate moe was dat het onverantwoord was om verder te rijden op de snelweg en doet een beroep op overmacht (conflict van plichten), afwezigheid van alle schuld en op de uitzonderingen van artikel 19, lid 2, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Oordeel van het hof ten aanzien van het beroep op overmacht Bij de beoordeling van een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand, als door de verdediging bedoeld, moet worden vooropgesteld dat uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval kunnen meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen - in het algemeen gesproken - dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. De plichten waartussen de verdachte in deze zaak een afweging heeft gemaakt betreffen – kort weergegeven – zijn plicht als beroepschauffeur om zijn vrachtauto-combinatie, waarmee (resten van) de gevaarlijke stof chloorwaterstofzuur werden vervoerd, alleen buiten de bebouwde kom te parkeren en de verkeersveiligheid die in gevaar zou komen indien hij, vermoeid als hij was, verder zou zijn gereden. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij die dag bij Shell-Pernis zijn lading had gelost, hetgeen veel langer had geduurd dan voorzien. Daardoor waren de rond die locatie aanwezige parkeerplaatsen al bezet, toen hij naar een parkeerplaats zocht. “Mijn plek was dus vergeven en ik kon daar niet blijven staan. Ik ben heel serieus en goed gaan zoeken, maar ik was moe en het was donker. Je bent niet lekker en dan moet je ook nog steken bij een doorlopende weg. Ik ben richting Rotterdam Waalhaven gereden en heb bij de [adres] geparkeerd. Hier stonden allemaal warehouses en het stond daar vol met koelauto’s die stonden te draaien. Ik heb niet gekeken naar een bord bebouwde kom. Ik zag een plek en ik was moe. Het oogde niet als de bebouwde kom, maar als een industrieterrein.” Het hof stelt voorop dat de verdachte een professionele (en ervaren) vrachtwagenchauffeur is, die dagelijks voor zijn werkgever met een vrachtwagen met tankoplegger onderweg is om gevaarlijke stoffen te vervoeren. De ratio van de verplichting om met een voertuig met gevaarlijke stoffen de bebouwde kom te mijden is vanzelfsprekend gelegen in de potentiële veiligheidsrisico’s die het parkeren van een voertuig met gevaarlijke stoffen in een bebouwde kom voor bewoners maar ook voor andere weggebruikers meebrengt. Van een professionele chauffeur van een vrachtwagen met gevaarlijke stoffen mag, ook als hij moe is, worden gevraagd dat hij de op hem als chauffeur rustende verplichtingen zoveel mogelijk nakomt. Tot die verplichtingen behoort dat hij zich ervan moet vergewissen of de beoogde parkeerplaats zich al dan niet binnen de bebouwde kom bevindt. Is dat het geval, dan moet hij zich er voorts van vergewissen of de binnen de bebouwde kom gelegen parkeerplaats voldoet aan de in bijlage 1 bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (hierna: VLG) genoemde voorwaarden. De verdachte heeft zich van een en ander niet vergewist en daarmee is niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en het vereiste van adequaatheid van de gekozen oplossing. Dat er in de praktijk een tekort is aan geschikte parkeerplaatsen maakt dit niet anders. Het hof verwerpt daarom het beroep op overmacht. Oordeel van het hof ten aanzien van het beroep op afwezigheid van alle schuld overweegt het hof als volgt. Voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde, is vereist dat aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Van een zodanige onbewustheid kan slechts sprake zijn, indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was. In deze situatie wordt door de verdachte niet aan deze voorwaarde voldaan nu hij bewust de keuze heeft gemaakt om zijn vrachtwagen op de desbetreffende plek te parkeren en hierbij niet heeft gecontroleerd of deze parkeerplek buiten de bebouwde kom is gelegen terwijl hij wist dat hij niet binnen de bebouwde kom mocht parkeren. Het hof verwerpt daarom het beroep op afwezigheid van alle schuld. Oordeel van het hof ten aanzien van het beroep op de toepasselijkheid van de in lid 2 van artikel 19 genoemde uitzondering Artikel 19 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: Wvgs) luidt, voor zover van belang, als volgt: "1. Degene die met een voertuig over de weg gevaarlijke stoffen vervoert is verplicht de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen van gemeenten te vermijden. 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het vervoer binnen de bebouwde kom noodzakelijk is: a. ten behoeve van het laden of lossen, of b. omdat er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar is." Het bepaalde in artikel 19, lid 2, onder b, van de Wvgs kan zich mede uitstrekken tot de route naar een binnen de bebouwde kom gelegen parkeervoorziening, die gelet op de terzake geldende bepalingen voor het parkeren van vervoermiddelen geladen met gevaarlijke stoffen mag worden gebezigd. In de in deze zaak van toepassing zijnde VLG wordt, voor zover hier van belang, ten aanzien van de voor dat vervoer geldende voorschriften verwezen naar bijlage I bij die Regeling, zijnde de Nederlandse vertaling van de bijlagen A en B van het Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route (hierna: ADR). In hoofdstuk 8.4. is een parkeerregeling opgenomen. Op grond van die parkeerregeling dienen voertuigen die gevaarlijke stoffen vervoeren onder toezicht te worden gesteld of -in plaats daarvan- in een beveiligd depot of op een beveiligd fabrieksterrein te worden geparkeerd. Indien dergelijke parkeermogelijkheden niet beschikbaar zijn, mag het voertuig, nadat passende veiligheidsmaatregelen zijn genomen, op een afgelegen plaats worden geparkeerd, indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.