GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-23/664 tot en met BK-23/667 Uitspraak van 10 juli 2024 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.J.J.G. Fernandes) en de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 16 mei 2023, nummers ROT 21/5988, ROT 21/5989, ROT 22/973 en ROT 22/974. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende de volgende naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting van de gemeente Rotterdam opgelegd ter zake van het parkeren van een voertuig met het kenteken [kenteken] (het voertuig): op 5 april 2021 aan de [straat 1] te [woonplaats] , gedagtekend 21 april 2021 ten bedrage van € 67,06, bestaande uit € 1,76 parkeerbelasting en € 65,30 aan kosten van de naheffing (naheffingsaanslag 1; ROT 21/5989); op 18 april 2021 aan de [straat 2] te [woonplaats] , gedagtekend 7 mei 2021 ten bedrage van € 67,06, bestaande uit € 1,76 parkeerbelasting en € 65,30 aan kosten van de naheffing (naheffingsaanslag 2; ROT 21/5988); op 19 augustus 2021 aan de [straat 1] te [woonplaats] , gedagtekend 1 september 2021 ten bedrage van € 69,50, bestaande uit € 4,20 parkeerbelasting en € 65,30 aan kosten van de naheffing (naheffingsaanslag 3; ROT 22/973); op 20 augustus 2021 aan de [straat 1] te [woonplaats] , gedagtekend 4 september 2021 ten bedrage van € 67,06, bestaande uit € 1,76 parkeerbelasting en € 65,30 aan kosten van de naheffing (naheffingsaanslag 4; ROT 22/974). 1.2. Belanghebbende heeft bij afzonderlijke bezwaarschriften bezwaar tegen de naheffingsaanslagen gemaakt. Bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaren tegen de naheffingsaanslagen en zijn verzoeken om toekenning van een proceskostenvergoeding afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 49. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om immateriële schadevergoeding afgewezen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende is op 17 mei 2024 een nader stuk ingekomen en zijn op 18 mei 2024 producties ingediend die behoren bij dit nadere stuk. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 mei 2024. Belanghebbende, die door de griffier bij digitaal verzonden bericht is uitgenodigd om te verschijnen op de zitting van 29 mei 2024 om 10.00 uur, heeft het Hof bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en heeft daarbij niet om uitstel van de zitting verzocht. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. 1.6. Van de zijde van de Heffingsambtenaar is op 21 juni 2024 een bericht ingekomen nadat hij ter zitting van het Hof in de gelegenheid is gesteld alsnog, binnen een daartoe gestelde termijn, een tweetal door de Heffingsambtenaar aan belanghebbende gezonden brieven te reproduceren. Uit dit bericht volgt dat de Heffingsambtenaar deze brieven niet kan reproduceren. Een afschrift van dit bericht is aan belanghebbende gezonden. Feiten Naheffingsaanslagen 1 en 2 2.1. Op 5 april 2021 om 15:06 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat het voertuig stond geparkeerd op de locatie [straat 1] te [woonplaats] zonder dat de ter plaatse verschuldigde parkeerbelasting was voldaan (naheffingsaanslag 1). 2.2. Op 18 april 2021 om 14:36 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat het voertuig stond geparkeerd op de locatie [straat 2] te [woonplaats] zonder dat de ter plaatse verschuldigde parkeerbelasting was voldaan (naheffingsaanslag 2). 2.3. Belanghebbende heeft bij brieven van respectievelijk 21 mei 2021 en 4 juni 2021 pro forma bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen “wegens het beweerdelijk geen of te weinig betalen van parkeerbelasting”. Daarbij heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar gevraagd hem op de voet van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een nadere redelijke termijn te gunnen om de gronden van het bezwaar kenbaar te maken. Daarnaast heeft belanghebbende, onder meer, gevraagd om “afgifte [van, Hof] op de zaak betrekking hebbende stukken” en om “bij gemachtigde” te worden gehoord. 2.4. Tot de gedingstukken behoort een brief van 6 september 2021 van de Heffingsambtenaar gericht aan de gemachtigde van belanghebbende: “Wij hebben u bij brief van 26 juli 2021 uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting op 23 augustus 2021. Wij hebben op deze brief binnen de gestelde termijn geen reactie van u mogen vernemen. Wij hebben diverse malen uw voicemail ingesproken en een terugbelverzoek bij uw callcenter achter gelaten maar u heeft geen contact met ons gelegd. Wij nodigen u nog eenmaal uit voor een hoorzitting op donderdag 23 september om 12:30 uur Wij geven u nog eenmaal een termijn van 14 dagen om te reageren op de uitnodiging in deze brief om een hoorzitting te houden. Mochten wij binnen 14 dagen niets vernomen hebben, dan gaan wij ervan uit dat u van een hoorzitting zult afzien. Consequentie indien u niet binnen 14 dagen reageert Indien u niet binnen 14 dagen reageert, zult u een uitspraak op bezwaar ontvangen zonder dat u gehoord zult worden.” Belanghebbende heeft niet op deze brief gereageerd. 2.5. In de uitspraken op bezwaar ten aanzien van de naheffingsaanslagen 1 en 2 van 19 oktober 2021 (besluit 1 en 2) heeft de Heffingsambtenaar de bezwaren van belanghebbende afgewezen en het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding afgewezen. Naheffingsaanslagen 3 en 4 2.6. Op 19 augustus 2021 om 20:15 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat het voertuig stond geparkeerd op de locatie [straat 1] te [woonplaats] zonder dat de ter plaatse verschuldigde parkeerbelasting was voldaan (naheffingsaanslag 3). 2.7. Op 20 augustus 2021 om 11:36 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat het voertuig stond geparkeerd op de locatie [straat 1] te [woonplaats] zonder dat de ter plaatse verschuldigde parkeerbelasting was voldaan (naheffingsaanslag 4). 2.8. Belanghebbende heeft bij brieven van respectievelijk 29 september 2021 en 30 september 2021 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen “wegens het beweerdelijk geen of te weinig betalen van parkeerbelasting”. Daarbij heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar gevraagd hem op de voet van artikel 6:6 Awb een nadere redelijke termijn te gunnen om de gronden van het bezwaar kenbaar te maken. Daarnaast heeft belanghebbende, onder meer, gevraagd om “bij gemachtigde” te worden gehoord. 2.9. Tot de gedingstukken behoort een brief van 15 oktober 2021 van de Heffingsambtenaar gericht aan de gemachtigde van belanghebbende. De inhoud van deze brief luidt, voor zover thans van belang, als volgt: “U heeft per brieven van 29 en 30 september 2021 namens uw cliënt (…) twee bezwaarschriften ingediend tegen de hiernavolgende naheffingsaanslagen parkeerbelasting met vorderingsnummers […] en […] . In de bezwaarschriften heeft u geen grondslag voor de bezwaren aangegeven. In de bezwaarschriften heeft u aangegeven dat u gehoord wil worden. Daarbij wordt uw cliënt in de gelegenheid gesteld om eventueel zowel gronden alsook het bezwaar mondeling toe te lichten. U maakt bezwaar met inachtneming van art. 7:2 Awb. Hierbij nodig ik u en uw cliënt dan ook uit voor een telefonische hoorzitting op: Datum: 29 oktober 2021 Tijd: 10:00 uur Telefoonnummer: (telefoonnummer ambtenaar) (…) De hoorzitting zal maximaal 30 duren en daarbij zal aanwezig zijn Mw. (…). Mocht u af willen zien van de hoorzitting vernemen wij dat graag schriftelijk van u doch uiterlijk 25 oktober 2021. En mocht u of uw cliënt verhinderd zijn dan kunt u dat uiterlijk 1 dag van tevoren melden door een e-mail te sturen naar (…)@rotterdam.nl. Tot slot wil ik het belang dat uw cliënt ook aanwezig is bij de hoorzitting benaderukken. Gelet op de feiten en omstandigheden, is hij degene die de situaties het beste kan beschrijven. (…) Belanghebbende heeft niet op deze brief gereageerd. 2.10. Tot de gedingstukken behoort een afschrift van een e-mailbericht gericht aan een emailadres van het kantoor van gemachtigde: “Van: (naam ambtenaar) Verzonden: vrijdag 29 oktober 2021 10:10 Aan: (e-mailadres kantoor gemachtigde) Onderwerp: bezwaarschriften parkeerbelasting Geachte heer Fernandes, U heeft namens uw cliënt (…) een 2tal bezwaarschriften ingediend, door ons ontvangen op 4 oktober 2021. U heeft hierbij geen gronden aangegeven en verzocht om de naderen gronden op termijn kenbaar te maken, wij hebben deze echter nog niet ontvangen en verzoeken u deze per omgaande aan ons kenbaar te maken. Alle op zaak betrekking hebben stukken zijn reeds naar u verstuurd. Indien u gronden voor de bezwaren niet kenbaar maakt worden de bezwaarschriften niet ontvankelijk verklaard. Er op vertrouwende u voldoen de te hebben geïnformeerd.” 2.11. Tot de gedingstukken behoort een brief van 23 november 2021 van de Heffingsambtenaar gericht aan de gemachtigde van belanghebbende: “Wij hebben u bij brief van 15 oktober 2021 uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting in het belang van uw cliënt (…). Bij deze brief hebben wij u de stukken verstuurd betreffende het opleggen van de beide naheffingsaanslagen met aanslagnummers: […] en […] en u verzocht nadere gronden bekend te maken. Wij hebben op deze brief binnen de gestelde termijn geen reactie van u mogen vernemen. Ook op de terugbelverzoeken op 29 oktober 2021 bij uw secretariaat en de email van 29 oktober 2021 waarin wij u hebben verzocht om de naderen gronden op termijn kenbaar te maken hebben wij van u geen reactie ontvangen. Wij nodigen u nog eenmaal uit voor een hoorzitting op 9 december om 09:00 uur via telefoonnummer (telefoonnummer ambtenaar). Wij geven u nog eenmaal een termijn van 14 dagen om te reageren op de uitnodiging in deze brief om een hoorzitting te houden. Mochten wij binnen 14 dagen niets vernomen hebben, dan gaan wij ervan uit dat u van een hoorzitting zult afzien. Consequentie indien u niet binnen 14 dagen reageert Indien u niet binnen 14 dagen reageert, zult u een uitspraak op bezwaar ontvangen zonder dat u gehoord zult worden.” 2.12. Tot de gedingstukken behoort een brief van belanghebbende (verzonden per fax aan het faxnummer van de algemene bezwaarschriftencommissie van de gemeente Rotterdam en gericht aan de Directeur van Belastingen van de gemeente Rotterdam) van 7 december 2021, waarin hij op de brief van 23 november 2021 reageert: “(…) Ik stel vast dat u mij, anders dan u stelt in uw schrijven van 23 november 2021, niet overeenkomstig artikel 6:6 van de Awb in de gelegenheid heeft gesteld om binnen een door u te stellen redelijke termijn de gronden van de bezwaren kenbaar te maken. Uw uitnodiging voor een hoorzitting van 15 oktober 2021, alsmede uw rappel van 23 november 2021 dat hiernaar verwijst, zijn, gelet op het vorengaande reeds prematuur te achten, maar voldoen ook overigens niet aan de vereisten van artikel 7:2 van de Awb. Ik merk volledigheidshalve nog op dat de terugbelverzoeken en een e-mailbericht waarover u spreekt mij hebben niet hebben bereikt. Ik wijs u erop dat mijn rechtspraktijk niet beschikt over een (telefonisch bereikbaar) secretariaat, alsook dat namens bezwaarde geen mededeling ex artikel 2:14, eerste lid, van de Awb is gedaan ten aanzien van de bereikbaarheid van bezwaarde (of gemachtigde) per e-mail. Ik vertrouw erop dat u, gewezen op het vorengaande, de behandeling van de bezwaren met inachtneming van de toepasselijke wettelijke voorschriften zult voortzetten. Bezwaarde doet uitdrukkelijk geen afstand van het recht om (bij gemachtigde) op het bezwaar te worden gehoord, noch van enige andere rechten of weren.” 2.13. In de uitspraken op bezwaar ten aanzien van de naheffingsaanslagen 3 en 4 van 17 januari 2022 (besluit 3 en 4) heeft de Heffingsambtenaar de bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen en zijn verzoeken om toekenning van een proceskostenvergoeding afgewezen. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder: “5.1. In geschil is of verweerder eiser voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om de gronden in bezwaar aan te vullen. Ook is in geschil of de hoorplicht door verweerder is geschonden. Eiser voert in alle vier zaken nagenoeg dezelfde gronden aan. Verweerder beantwoordt deze gronden op vergelijkbare wijze. Gelet hierop zal de rechtbank deze zaken gezamenlijk behandelen en beoordelen. 5.2. Er bestaat geen geschil over dat aan de [straat 1] en de [straat 2] een betaald parkeerregime gold en dat eiser op de verschillende data genoemd in de naheffingsaanslagen geen parkeerbelasting heeft betaald. Tijdigheid op de zaak betrekking hebbende stukken en verweerschriften 6.1. Eiser voert aan dat verweerder te kort voor de zitting de verweerschriften heeft doen toekomen. In verband met de goede procesorde zou de rechtbank de verweerschriften daarom buiten beschouwing moeten laten. 6.2. De rechtbank overweegt dat de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb opgenomen termijn voor het kunnen indienen van stukken tot tien dagen voor de zitting is bedoeld om een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Partijen moeten over en weer in staat zijn om gemotiveerd te kunnen reageren op stukken van elkaar. Van stukken die voorafgaande aan en na afloop van die termijn worden ingediend moet per geval worden bekeken of de indiening voldoet aan de eisen van een goede procesorde. 6.3. De rechtbank is van oordeel dat de verweerschriften kunnen worden betrokken bij de procedure. De rechtbank stelt vast dat de verweerschriften ten aanzien van de bestreden besluiten 1 en 2 op 28 maart 2023 door de rechtbank zijn ontvangen. Op 31 maart 2023 zijn de verweerschriften met betrekking tot de bestreden besluiten 3 en 4 bij de rechtbank binnengekomen. De rechtbank heeft geconstateerd dat alle verweerschriften naar eiser zijn doorgezonden. Daarmee heeft verweerder de tien dagen termijn van artikel 8:58 van de Awb in acht genomen. Hoewel het de voorkeur verdient dat stukken als een verweerschrift langer voor de zitting worden ingediend, is de datum van indiening niet zo kort voor de zitting, dat de voorbereiding van de zitting door de gemachtigde van eiser er ernstig door is gehinderd of zelfs onmogelijk is, waardoor eiser in zijn procesbelang is geschaad. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat verweerder in de verweerschriften over bestreden besluit 1 en 2 niet inhoudelijk op de gronden van eiser is in gegaan, omdat deze op dat moment niet bekend waren bij verweerder. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat, mede gelet op de omvang, inhoud en overzichtelijkheid van het ingediende verweerschrift, eiser zich voldoende heeft kunnen voorbereiden. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser met hulp van een professionele rechtsbijstandverlener procedeert, van wie verwacht mag worden dat hij binnen deze termijn op een dergelijk taxatierapport een inhoudelijke reactie kan geven. 7.1. Ten aanzien van de bestreden besluiten 3 en 4 stelt eiser dat verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken te laat bij de rechtbank heeft ingediend, gelet op de termijn gesteld in artikel 8:42 van de Awb. 7.2. De rechtbank stelt vast dat de op deze zaken betrekking hebbende stukken niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn van vier weken bij de rechtbank zijn ingediend. De rechtbank heeft bij brieven van 14 april 2022 aan verweerder gevraagd om de op de zaken betrekking hebbende stukken. Deze zijn 14 juni 2022 bij de rechtbank binnengekomen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om aan de overschrijding van die termijn gevolgen te verbinden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de wet aan het overschrijden van deze termijn geen sanctie verbindt en dat de stukken ongeveer negen maanden voor de zitting bij de rechtbank zijn ingediend en zijn doorgezonden. Niet gesteld kan worden dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. Verzuimherstel t.a.v. de gronden 8.1. In alle zaken voert eiser aan dat verweerder heeft nagelaten een mogelijkheid tot verzuimherstel te bieden om de gronden van het bezwaar aan te vullen. In zowel de brief van 6 september 2021 als de brief van 23 november 2021 wordt eiser slechts uitgenodigd voor een hoorzitting en wordt eiser niet in de gelegenheid wordt gesteld om de bezwaargronden aan te vullen. Het e-mailbericht van 29 oktober 2021 waar verweerder naar verwijst, heeft eiser niet ontvangen. Omdat eiser niet in de gelegenheid is gesteld de bezwaargronden aan te vullen, kunnen de bestreden besluiten niet in stand worden gelaten. 8.2. Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 8.3. Ten aanzien van de bestreden besluiten 1 en 2, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de bezwaren ongegrond heeft verklaard. De rechtbank overweegt dat op verweerder geen verplichting rust om artikel 6:6 van de Awb toe te passen. Het artikel geeft verweerder namelijk een discretionaire bevoegdheid. Hieruit volgt dat het bestuursorgaan de vrijheid heeft om inhoudelijk op het bezwaar te beslissen, ook wanneer eiser geen gronden heeft aangevoerd in bezwaar. Verweerder heeft overwogen dat eiser niet heeft kunnen aantonen dat de naheffingsaanslag onterecht is opgelegd. Daarmee heeft verweerder een inhoudelijk oordeel gegeven over het geschil. Omdat verweerder niet verplicht was om een termijn te bieden waarop de gronden van het bezwaar aangevuld moesten worden, stond het verweerder vrij inhoudelijk op de bezwaren te beslissen. 8.4. Ook de beroepsgrond dat eiser in de bestreden besluiten 3 en 4 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat hem geen verzuimherstel is geboden, kan niet slagen. Met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juli 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1033), welke de rechtbank analoog toepast, ziet de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van het dictum van de bestreden besluiten als een vermeende misslag. Vernietiging van de bestreden besluiten wegens een misslag in het dictum volgt alleen wanneer de belangen van eiser daarmee worden gediend. De rechtbank heeft aan eiser per brief gevraagd om uiterlijk op de zitting de inhoudelijke gronden met betrekking tot de naheffingsaanslagen aan te vullen. Omdat eiser in deze gelegenheid is gesteld, heeft hij geen nadeel ondervonden van de niet-ontvankelijkheidverklaring in de bestreden besluiten op bezwaar. 8.5. Verder ziet de rechtbank niet in waarom verweerder eiser eerst in de gelegenheid had moeten stellen om de gronden van het bezwaar aan te vullen, voordat eiser wordt uitgenodigd voor een hoorzitting. Eiser had de door verweerder geplande hoorzittingen kunnen gebruiken om de gronden van het bezwaar kenbaar te maken. Dat eiser zelf niet is verschenen op de door verweerder geplande hoorzittingen, ook anderszins niet bereikbaar was voor verweerder en op eigen initiatief geen bezwaargronden heeft ingediend, komt naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van eiser. Hoorplicht 9.1. Eiser stelt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden omdat hij, ondanks zijn verzoek daartoe, in bezwaar niet is gehoord. Eiser verzoekt de rechtbank de zaak terug te wijzen naar verweerder. 9.2. Op grond van artikel 7:2 van de Awb dient verweerder eiser in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Ten aanzien van de bestreden besluiten 1 en 2, heeft eiser niet gereageerd op de twee uitnodigingen voor een hoorzitting die door verweerder zijn verzonden. Eiser is niet verschenen op de hoorzittingen. Verweerder heeft vervolgens geprobeerd eiser telefonisch te bereiken. Dit is niet gelukt. Ook op voicemailberichten is geen reactie gekomen van eiser. Ten aanzien van de bestreden besluiten 3 en 4, heeft eiser niet gereageerd op de eerste uitnodiging voor een hoorzitting en is eiser niet verschenen. Op een mail van verweerder waarin werd gevraagd nadere bezwaargronden kenbaar te maken is ook geen reactie gekomen. Eiser heeft per fax gereageerd op de tweede uitnodiging voor een hoorzitting. Daarin stelt eiser dat hem niet wordt gevraagd de gronden van het bezwaar kenbaar te maken. Eiser is vervolgens niet verschenen op de hoorzitting. 9.3. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Verweerder heeft eiser namelijk meerdere keren per brief uitgenodigd voor een hoorzitting. Ook is geprobeerd eiser op andere manieren te bereiken. Op de brieven, e-mails en gemiste oproepen van verweerder heeft eiser niet gereageerd. Dat eiser stelt dat hij niet beschikt over een voicemailsysteem of een callcenter en nooit toestemming heeft gegeven om via elektronisch weg te communiceren, maakt dit niet anders. Verweerder heeft namelijk ook tweemaal per aangetekende post een uitnodiging voor een hoorzitting gestuurd naar eiser. Door te proberen eiser ook via de mail en telefonisch te bereiken, heeft verweerder zich enkel extra ingespannen om een hoorzitting te plannen. Ook de stelling van eiser dat het telefoonnummer dat vermeld stond op de uitnodiging niet het correcte telefoonnummer van eiser betrof, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Verweerder heeft namelijk verduidelijkt dat dit het telefoonnummer van de behandelend ambtenaar betrof, die eiser zelf kon bellen. 9.4 De stelling van eiser dat verweerder de hoorzitting in persoon had moeten inplannen, doet aan dit oordeel niet af. Hoewel de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwaren van 25 september 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:8533) waar eiser zich op beroept bepaalt dat telefonisch horen geen alternatief is, overweegt de rechtbank dat ten tijde van de bezwaarprocedures telefonisch horen gebruikelijk was, gezien de wereldwijde corona-pandemie. Daarbij heeft eiser nooit expliciet verzocht om een hoorzitting in persoon. Het had daarbij op de weg van eiser gelegen om aan verweerder kenbaar te maken dat hij graag in persoon gehoord wilde worden. 10.1. Eiser stelt dat verweerder de rechtbank incomplete dossiers heeft doen toekomen. Eiser wijst erop dat verweerder stukken met de datum 23 juli 2021 noemt. Deze stukken zijn eiser niet bekend. Ook spreekt verweerder in de bestreden besluiten 1 en 2 van een hoorzitting op 26 september 2021, terwijl eiser alleen bekend is met een hoorzitting op 23 september 2021. 10.2. De rechtbank oordeelt ten aanzien van de bestreden besluiten 1 en 2 als volgt. Dat verweerder ervoor heeft gekozen de brief van 26 juli 2021 niet aan het dossier toe te voegen, laat onverlet dat de ontvangst van de uitnodigingen voor de hoorzittingen niet in geschil is. Eiser is tweemaal uitgenodigd voor een hoorzitting door middel van brieven gedateerd op 26 juli 2021 (voor een hoorzitting van 23 augustus 2021) en 6 september 2021 (voor een hoorzitting van 23 september 2021). Eiser heeft de ontvangst van deze brieven zowel in zijn eerste als in zijn aanvullende beroepsgronden niet betwist. Eiser stelt enkel niet bekend te zijn met enig schrijven van verweerder van 23 juli 2021. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat verweerder (onbetwist) stelt dat deze uitnodigingen per aangetekende post zijn verstuurd. 10.3. Ten aanzien van de bestreden besluiten 3 en 4 is de rechtbank van oordeel dat eiser niet heeft gemotiveerd waarom het dossier incompleet zou zijn. Voor zover deze beroepsgrond zou gaan om het ontbreken van de eerste uitnodiging voor de hoorzitting in het dossier, overweegt de rechtbank dat verweerder deze als bijlage bij de verweerschriften heeft overgelegd. Hierdoor maken beide uitnodigingen onderdeel uit van het dossier. De rechtbank wil daarbij ook opmerken dat eiser de ontvangst van de uitnodigingen gedateerd op 15 oktober 2021 (voor een hoorzitting van 29 oktober 2021) en 23 november 2021 (voor een hoorzitting van 9 december 2021) niet betwist. De enkele stelling van eiser dat hij de ontvangst van enkele stukken betwist, is onvoldoende. Onduidelijk is welke stukken in deze zaken zouden ontbreken. 10.4. De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden. Voor een terugwijzing van de zaak naar verweerder bestaat dan ook geen aanleiding. Wat eiser verder in beroep heeft aangevoerd over de hoorplicht, leidt niet tot een ander oordeel. Redelijke termijn (…) Conclusie en gevolgen 12. Nu niet in geschil is dat aan de [straat 1] en de [straat 2] een betaald parkeerregime gold en dat eiser op de verschillende data genoemd in de naheffingsaanslagen geen parkeerbelasting heeft betaald, heeft verweerder terecht aan eiser de naheffingsaanslagen parkeerbelastingen opgelegd. De beroepen zijn ongegrond. 13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep is in geschil of de Heffingsambtenaar: met betrekking tot de naheffingsaanslagen 1 en 2 alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en om die reden recht bestaat op een proceskostenvergoeding; met betrekking tot alle naheffingsaanslagen de wel verstrekte stukken tardief heeft ingediend en om die reden recht bestaat op een proceskostenvergoeding; de verweerschriften in eerste aanleg tardief heeft ingediend en om die reden recht bestaat op een proceskostenvergoeding; belanghebbende ten onrechte geen termijn voor het herstel van verzuimen (de motivering van het bezwaar) heeft geboden; de hoorplicht heeft geschonden. Verder is in geschil of de Rechtbank: de verweerschriften in eerste aanleg tardief heeft doorgezonden; onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan wegens een incompleet zaaksdossier; de feiten onjuist heeft vastgesteld; met vooringenomenheid uitspraak heeft gedaan, waardoor strijd optreedt met het motiveringsbeginsel en strijd met artikel 6 (eerlijk proces) van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de overige vragen bevestigend; de Heffingsambtenaar beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de overige vragen ontkennend. 4.2. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, primair tot terugwijzing van de zaken naar de Rechtbank en subsidiair tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot terugwijzing van de zaken naar de Heffingsambtenaar. Voorts verzoekt belanghebbende tot toekenning van een proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep. 4.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Verstrekking op de zaak betrekking hebbende stukken naheffingsaanslagen 1 en 2 (geschilpunten a en g tot en met
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.