Rolnummer: 22-003890-23 Parketnummer: 10-206023-23 en 99-000290-23 (v.i.) Datum uitspraak: 8 oktober 2024 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [naam], geboren te [geboortestad] op [geboortedag] 1971, adres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ten aanzien van [betrokkene] partieel vrijgesproken en ter zake van het hem tenlastegelegde ten aanzien van [aangeefster] veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren en met de bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. De bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard. Verder is een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor de duur van 3 jaren opgelegd, inhoudende een contact- en gebiedsverbod, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Ook deze maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard. Daarnaast is er een beslissing genomen over de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen en over de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van wat aan hem ten aanzien van [betrokkene] is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en daarom mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op wat is bepaald in artikel 404 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven partiële vrijspraak ten aanzien van [betrokkene]. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat: hij in of omstreeks in de periode van 6 februari 2023 tot en met 14 augustus 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster], door: meermalen berichten per sms te sturen naar die [aangeefster] en/of meermalen bij de woning van die [aangeefster] aan te bellen en/of zich op te houden in/rond/om de woning van die die [aangeefster] en/of bij de buren van die [aangeefster] aan te bellen en/of brieven en/of foto’s in de brievenbus van die [aangeefster] te deponeren met het oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft – in afwijking op de schriftelijke vordering – gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de duur van de proeftijd die aan de bijzondere voorwaarden is verbonden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de bijzondere voorwaarden een proeftijd voor de duur van 2 jaren dient te worden verbonden. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich niet geheel verenigt met (de gronden voor) de bewezenverklaring en ook tot een andere strafoplegging komt. Bewijsoverweging De raadsvrouw van de verdachte heeft op de gronden als genoemd in de door haar op de terechtzitting overgelegde pleitnota vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde belaging. Zij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de aard en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte niet zodanig zijn geweest dat sprake is van belaging. De verdachte wilde slechts het contact met zijn kinderen herstellen, aldus de raadsvrouw. Het hof overweegt hierover als volgt. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b lid 1 Sr zijn de aard, duur, frequentie en intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van slachtoffer van belang. Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Aangeefster is de ex-partner van de verdachte. Zij hebben samen drie kinderen. Aangeefster heeft verklaard dat zij in 2011 naar de vrouwenopvang is gevlucht vanwege mishandelingen door de verdachte. De verdachte heeft vervolgens (sporadisch) contact gehad met de kinderen, maar dat contact is, mede door tussenkomst van de rechter, gestopt. In 2013 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar voor doodslag en het verbergen van een lijk. Tijdens zijn detentie hebben de verdachte en aangeefster meerdere rechtszaken gevoerd over de kinderen en op dit moment heeft alleen aangeefster het gezag over de kinderen en mag de verdachte geen contact met hen hebben. De verdachte is in 2021 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Op 6 februari 2023 heeft de verdachte voor het eerst sinds zijn voorwaardelijke invrijheidstelling bij de aangeefster aangebeld. Aangeefster deed open, schrok en heeft de deur vervolgens dichtgetrokken. De verdachte bleef aanbellen, maar aangeefster heeft de deur niet opengemaakt. De volgende dag, op 7 februari 2023, heeft de verdachte bij de buurvrouw van aangeefster aangebeld en zichzelf voorgedaan als een Post NL bezorger om binnen te kunnen komen. Vervolgens heeft de verdachte met een bos bloemen in zijn hand bij aangeefster aangebeld, maar zij heeft wederom de deur niet opengedaan. Aangeefster heeft vanwege deze incidenten 112 gebeld. In de periode daarna heeft de verdachte brieven bij aangeefster in de brievenbus gedaan, heeft hij boodschappen voor haar deur achtergelaten en belde hij regelmatig bij aangeefster aan. Dat heeft tot 13 februari 2023 geduurd. Op 24 en 25 maart 2023 heeft de verdachte oude foto’s van aangeefster in aangeefsters brievenbus achtergelaten. Op 5 en 17 april 2023 heeft de verdachte contact opgenomen met de politie omdat hij zijn kinderen wilde zien. Hem is toen onder meer medegedeeld dat hij zich rustig moest houden, niet persoonlijk op aangeefster moest reageren en afstand van haar moest houden. Tijdens het gesprek op 17 april 2023 heeft de verdachte tegen de politie gezegd dat aangeefster leugens over hem verspreidt en dat hij “snapt dat in dit systeem zaken uit de hand lopen en dat vrouwen in kofferbakken worden gevonden”. Een buurvrouw van aangeefster heeft verklaard dat zij de verdachte op 19 mei 2023 (één keer) en 21 mei 2023 (de hele middag) rondjes heeft zien rijden in de buurt van de woning van aangeefster. Op 21 mei 2023 heeft de verdachte wederom aangebeld bij de woning van aangeefster. Op 25 mei 2023 is een zogenoemd ‘stopgesprek’ gevoerd met de verdachte en vanaf dat moment is er geen rechtstreeks contact meer geweest met aangeefster. De verdachte erkent dat hij voornoemde handelingen heeft verricht. Hij verklaart dat hij dat heeft gedaan omdat hij ervan overtuigd is dat zijn kinderen hem willen zien en dat aangeefster dat contact blokkeert. Het hof is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte – gelet op de omstandigheden van het geval – niet slechts als storend of onwenselijk kunnen worden gekarakteriseerd, maar dat hij met zijn gedragingen wederrechtelijk en stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Daarbij is in de eerste plaats van belang de hiervoor beschreven problematische gezamenlijk geschiedenis van aangeefster en de verdachte. Tegen die achtergrond had de verdachte op zijn minst moeten weten dat het herhaaldelijk en op uiteenlopende wijze contact zoeken met aangeefster in de gegeven situatie (zeer) ongewenst was. Dat de verdachte in dat kader stelt dat hij slechts het contact met zijn kinderen wilde herstellen en geen contact met aangeefster wilde, maakt dat niet anders. Contact met minderjarige kinderen verloopt hoe dan ook via de gezaghebbende ouder en dat is kennelijk ook wat de verdachte bij zijn handelen voor ogen had. Daarbij heeft aangeefster vanaf de eerste keer dat de verdachte in februari 2023 bij haar voor de deur stond de deur dichtgedaan of dichtgehouden. Dat was een duidelijk signaal voor de verdachte dat hij aangeefster met rust moest laten. Dit heeft de verdachte er echter niet van weerhouden om ook in de periode daarna meermalen (al dan niet na eerst onder valse voorwendselen bij de buurvrouw te hebben aangebeld) bij haar aan te bellen, brieven en foto’s van haar in de brievenbus te deponeren en zich in de buurt van haar woning op te houden. Ook de politie heeft de verdachte in april 2023 duidelijk gemaakt dat hij afstand van aangeefster moest houden. In mei 2023 heeft hij niettemin weer bij haar aangebeld en rondjes gereden in de buurt van haar woning. Aangeefster is door het handelen van de verdachte gedwongen geweest het contact met hem te dulden: haar is geen keuze gelaten in het al dan niet aanvaarden van het (al dan niet indirecte) contact met de verdachte. Naar het oordeel van het hof hadden verdachtes gedragingen een dwingend karakter. Dat blijkt ook uit zijn verklaring hierover op de terechtzitting in hoger beroep, te weten dat de instanties hem niet helpen en dat hij daarom “het recht in eigen hand neemt” en dat aangeefster mee “moet” werken aan het contact tussen hem en de kinderen. Ook hieruit maakt het hof op dat de verdachte het oogmerk had om aangeefster te dwingen iets te dulden of (niet) te doen. Tot slot is van belang dat aangeefster heeft verklaard dat de impact van verdachtes handelen op haar leven groot is geweest. Zo heeft zij naar aanleiding van deze gebeurtenissen onder meer een zogenoemd “slachtoffer-device” bij zich gedragen. De aard, duur, frequentie en de intensiteit van het geheel van gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de – vanwege het indringende en dwingende karakter daarvan - invloed daarvan op het leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster maken dat naar het oordeel van het hof bewezen kan worden dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster wel degelijk ook stelselmatig is geweest. Dat het de verdachte erom te doen was contact met zijn kinderen te krijgen en niet (primair) om het contact met zijn ex-partner doet daar gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet aan af. Dat laatste geldt ook voor het relatief beperkte aantal ‘contactmomenten’. Het hof acht – anders dan de rechtbank – niet bewezen dat de verdachte (ook) heeft gehandeld met het oogmerk om aangeefster vrees aan te jagen. Van dat onderdeel wordt de verdachte vrijgesproken. Ook van het eerste gedachtestreepje (meermalen berichten per sms te sturen naar die [aangeefster]) wordt de verdachte vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in of omstreeks in de periode van 6 februari 2023 tot en met 14 augustus 24 mei 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster], door: meermalen berichten per sms te sturen naar die [aangeefster] en/of meermalen bij de woning van die [aangeefster] aan te bellen en/of zich op te houden in/rond/om de woning van die die [aangeefster] en/of bij de buren van die [aangeefster] aan te bellen en/of brieven en/of foto’s in de brievenbus van die [aangeefster] te deponeren met het oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doen, niet te doen, en/of te dulden en/of vrees aan te jagen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359 lid 3, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal dat plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Belaging. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek op de terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich in een periode van bijna vier maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner en de moeder van zijn kinderen door op de bewezenverklaarde wijze contact met haar te zoeken. Hiermee heeft hij herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, hetgeen een grote impact op het slachtoffer heeft gehad. De verdachte heeft met zijn handelen gevoelens van angst en onveiligheid bij haar veroorzaakt en versterkt. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 10 september 2024, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder – zij het niet recentelijk - onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van (ernstige) strafbare feiten. Verder heeft het hof bij het bepalen van de straf acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden zoals deze op de terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht en op het voortgangsverslag van Reclassering Nederland van 9 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.