GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Zaaknummer hof : 200.319.748/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/605845/HA ZA 21-62 Arrest van 24 september 2024 in de zaak van [appellant] , wonend in [woonplaats], appellant, advocaat: mr. R.J. Ruiter in Maastricht, tegen 1de publiekrechtelijke rechtspersoon de Politie, gevestigd in Den Haag, 2Achmea Schadeverzekering N.V., gevestigd in Apeldoorn, verweerders in hoger beroep, advocaat: mr. E.P. Ceulen in Arnhem. Het hof zal partijen hierna noemen [appellant], de Politie en Achmea. De Politie en Achmea samen ook te noemen: de Politie c.s. 1De zaak in het kort 1.1 [appellant] is in zijn been geschoten nadat hij zich dreigend had gedragen jegens eerst zijn moeder en vervolgens jegens twee politieagenten. Die agenten waren naar aanleiding van een melding komen aanrijden en probeerden [appellant] onder controle te krijgen. Een van de agenten heeft [appellant] daarbij in zijn been geschoten. [appellant] is van mening dat er geen reden was om hem neer te schieten, omdat hij ongewapend was en de agenten andere, minder vergaande middelen hadden kunnen gebruiken om hem aan te houden. Hij vordert dat de Politie (en de aansprakelijkheidsverzekeraar van de Politie, Achmea) hem schadevergoeding betalen. 1.2 Het hof wijst de vordering van [appellant] af. [appellant] heeft zich zeer agressief gedragen en onder meer zijn moeder met een groot mes bedreigd. De agenten mochten er rekening mee houden dat hij dat mes nog steeds bij zich had toen hij de agenten bedreigde. Het gebruik van het vuurwapen tegen [appellant] was in dit geval dus gerechtvaardigd, ook al is achteraf gebleken dat [appellant] op dat moment ongewapend was. 2De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 29 november 2022, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2022; - de memorie van grieven van [appellant], waarin hij drie grieven tegen het vonnis aanvoert; - de memorie van antwoord van de Staat. 3Feiten en achtergronden van deze zaak De feiten 3.1 Het hof zal de feiten iets uitgebreider vaststellen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof resumeert hieronder de feiten die als onvoldoende weersproken uit het dossier naar voren komen en die voor de beoordeling van deze zaak van belang zijn. 3.2 [appellant] heeft al lange tijd last van (periodiek terugkerende) psychoses. Aan hem zijn daarvoor medicijnen voorgeschreven, die [appellant] niet innam. 3.3 [appellant] is aannemer (zzp’er). [appellant] verrichtte in 2019 werkzaamheden in een woning aan de [adres] (hierna: de woning). 3.4 Op 6 april 2019 heeft [appellant] zijn bejaarde moeder meegenomen naar de woning en is hij samen met haar naar binnen gegaan. De bewoonster van de woning was thuis, samen met haar zoon. De bewoonster verwachtte [appellant] daar toen niet. In de woonkamer op de begane grond heeft [appellant] zijn moeder bedreigd met een groot mes. De bewoonster en haar zoon zijn naar boven gevlucht en hebben de politie gebeld. Deze melding is bij de meldkamer om 15.58 uur ontvangen. De melding hield in dat de aannemer in gezelschap van zijn moeder de woning was binnengekomen, een mes bij zich had en ruzie maakte met zijn moeder. 3.5 Naar aanleiding van deze melding zijn twee politieagenten, [agent 1] (medewerker basispolitiezorg, hierna: [agent 1]) en [agent 2] (hoofdagent van politie, hierna: [agent 2]), samen ook: de agenten, naar de woning gegaan en hebben deze vanaf de achterzijde benaderd. Aan de achterzijde van de woning bevindt zich een tuin van 5 meter diepte met aan het eind van de tuin een schutting met een deur. De deur komt uit op een brandgang die daar tussen de huizenblokken loopt. De brandgang is 3.10 meter breed. 3.6 De agenten keken over de schutting en zagen dat [appellant] met een mes van ongeveer 30 centimeter lang op korte afstand naar zijn moeder wees terwijl hij hevig gebaarde en sprak. De agenten hebben daarop hun vuurwapen getrokken en zijn via de tuin door de achterdeur naar binnen gegaan. Toen de agenten de woonkamer binnenkwamen had [appellant] een wandelstok in een van zijn handen die hij dreigend naar de agenten ophief. De agenten hebben [appellant] herhaaldelijk aangeroepen zijn wapen te laten vallen, zijn handen in de lucht te houden en op zijn knieën te gaan zitten. [appellant] heeft daaraan geen gevolg gegeven maar liep op de agenten toe onder het uiten van doodsbedreigingen (“I kill you, I am God” of woorden van gelijke strekking.) [appellant] was ook overigens niet aanspreekbaar en maakte een verwarde indruk. 3.7 Terwijl [appellant] nog steeds dreigend op de agenten afliep zijn zij, terwijl zij hun vuurwapens op hem gericht hielden, de woning uitgelopen, de tuin in en door de deur naar de brandgang. [agent 2] heeft een waarschuwingsschot gelost toen hij zich bij de grens tussen de tuin en de brandgang bevond. [appellant] reageerde ook daar niet op. Vervolgens hebben de agenten zich in de brandgang in wigvorm opgesteld. [appellant] kwam achter hen aan de schuttingdeur door. Toen [appellant] de deur doorliep of vlak daarna heeft [agent 1] hem in zijn been geschoten. [appellant] had op dat moment niets meer in zijn handen. 3.8 Tussen het moment dat de agenten over de schutting keken (16:08:12 uur) en het tijdstip waarop [appellant] werd neergeschoten (16:09:59 uur) verliepen 1 minuut en 47 seconden. 3.9 [appellant] is kort nadat hij was neergeschoten gefouilleerd. Hij bleek geen mes bij zich te hebben. Naderhand zijn in de woning twee (dezelfde) messen (zogenaamde isoleermessen) gevonden. In de gang van de woning zijn een wandelstok en een schoenlepel aangetroffen. 3.10 [appellant] heeft als gevolg van het schot in zijn been letsel opgelopen met verbrijzeld bot. Volgens [appellant] is er sprake van blijvend letsel. Hij houdt de Politie en de aansprakelijkheidsverzekeraar van de Politie, Achmea (deze laatste op grond van art. 7:954 BW), aansprakelijk voor de schade die hij daardoor lijdt. 3.11 [appellant] heeft aangifte gedaan tegen [agent 1]. Bij brief van 27 augustus 2019 heeft de officier van justitie aan [appellant] laten weten dat het vuurwapengebruik van de agenten naar zijn oordeel rechtmatig is geweest en dat geen vervolging tegen hen zal worden ingesteld. Volgens de officier van justitie handelden de agenten uit noodweer als bedoeld in art. 41 Wetboek van Strafrecht. De vordering van [appellant] 3.12 [appellant] vordert, samengevat, dat de Politie en Achmea hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de door [appellant] geleden en te lijden schade, op te maken bij staat, alsmede tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding, te vermeerderen met rente en kosten. [appellant] voert daartoe in de kern het volgende aan. Toen [appellant] werd neergeschoten had hij geen mes, stok of ander wapen in zijn handen of bij zich. De agenten hadden andere middelen kunnen aanwenden om de bedreiging te beëindigen en [appellant] aan te houden, zoals pepperspray of de wapenstok. Daarom is niet voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, heeft [agent 1] gehandeld in strijd met art. 7 Politiewet en was het optreden van de Politie jegens hem onrechtmatig. Het oordeel van de rechtbank 3.13 De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen. De rechtbank stelt voorop dat het aan de Politie is om te stellen en te bewijzen dat voor het vuurwapengebruik een rechtvaardigingsgrond bestond. Volgens de rechtbank voldeed het vuurwapengebruik in dit geval aan de voorwaarden gesteld in de Ambtsinstructie. De rechtbank is verder van oordeel dat het gebruikte geweld voldeed aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit als bedoeld in art. 7 lid 1 Politiewet. Er was volgens de rechtbank voor de agenten voldoende aanleiding om hun vuurwapen ter hand te nemen. Het lag niet voor de hand dat de agenten, toen zij eenmaal hun vuurwapens hadden getrokken, deze vervolgens zouden opbergen om op een ander wapen over te gaan. De aanname van de agenten dat [appellant], toen hij dreigend op hen afkwam, het mes waarmee hij eerder zijn moeder bedreigde nog voorhanden had, was gerechtvaardigd, ook al is die aanname later onjuist gebleken en had hij, achteraf bezien, ook zonder vuurwapen overmeesterd kunnen worden. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de Politie niet onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld. 4Beoordeling in hoger beroep 4.1 [appellant] heeft drie grieven tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerd. Daarvan heeft alleen grief I zelfstandige betekenis. In deze grief voert [appellant] aan dat hij is neergeschoten toen hij vlak bij de deur in de schutting stond, dus in “het schone gebied”, terwijl hij geen mes in zijn handen had en er geen levensgevaar was voor de agenten. De agenten hadden reeds in de woonkamer kunnen zien dat [appellant] toen geen mes meer bij zich had. Bij afwezigheid van een objectief levensbedreigende situatie was het gebruik van een vuurwapen volgens [appellant] in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De agenten waren met zijn tweeën, terwijl [appellant] 54 jaar oud was en klein van postuur. De agenten droegen een steekvest en beschikten over alternatieve geweldmiddelen zoals pepperspray en een wapenstok. De agenten zijn getraind in het aanhouden van tegenstribbelende verdachten. De agenten hebben te snel geschoten, zij hadden nog voldoende ruimte om te manoeuvreren want er was versterking onderweg. [agent 2] had last van zijn knie en heeft daarom te snel geopteerd voor het gebruik van een vuurwapen in plaats van het fysieke gevecht aan te gaan. Bovendien speelt een rol dat agenten structureel te weinig trainen in schieten, arrestatietechnieken en zelfverdediging. Het lijkt er volgens [appellant] op dat [agent 1] in paniek heeft geschoten, maar dat komt voor rekening van de Politie. Voor zover geen sprake mocht zijn van aan de agenten toerekenbaar onrechtmatig handelen kan de Politie nog steeds op grond van art. 6:162 BW jegens [appellant] aansprakelijk zijn, omdat hun handelen volgens verkeersopvattingen aan de Politie moet worden toegerekend. Tot zover het betoog van [appellant] in hoger beroep. 4.2 Bij de beoordeling van de grief stelt het hof voorop dat [appellant] tegen de volgende overwegingen van de rechtbank geen grief heeft gericht: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.