GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.334.994/01 Zaaknummer rechtbank : 10250912 RL EXPL 22-20269 Arrest van 19 november 2024 in de zaak van 1 [appellante 1], wonend in [woonplaats], 2. [appellante 2], wonend in [woonplaats], appellanten, advocaat: mr. E. Spijer, kantoorhoudend in Maasdijk, tegen 't Zorghuisje B.V., gevestigd in Den Haag, verweerster, advocaat: mr. W.T.N. Vlasveld, kantoorhoudend in Leiden. Het hof zal partijen hierna [appellante 1], [appellante 2] en 't Zorghuisje noemen. 1De zaak in het kort 1.1 Appellanten stellen een vordering op 't Zorghuisje te hebben uit hoofde van (deels) onbetaald gelaten facturen en niet doorbetaalde opleidingssubsidie. 't Zorghuisje heeft de facturen deels onbetaald gelaten, omdat zij meent dat appellanten stelselmatig uren hebben gedeclareerd die zij niet hebben gewerkt, dan wel die niet gedeclareerd mochten worden. Een afspraak over het aanvragen en doorbetalen van subsidie voor studiekosten is niet gemaakt. Volgens haar hebben appellanten daarom niets meer van haar te vorderen. De kantonrechter heeft 't Zorghuisje in het gelijk gesteld. 1.2 Het hof oordeelt dat appellanten geen vordering hebben op basis van de verstuurde facturen en laat appellanten toe tot bewijs ten aanzien van de opleidingssubsidie. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 8 november 2023, waarmee [appellante 1] en [appellante 2] in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 7 september 2023; de memorie van grieven van [appellante 1] en [appellante 2], met bijlagen; de memorie van antwoord van 't Zorghuisje, met bijlagen. 3Feitelijke achtergrond 3.1 De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Daartegen is niet gegriefd. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. a. Zorghuisje is een dienstverlener in de thuiszorg. Mevrouw [naam] (hierna: [directeur Zorghuisje]) is directeur en bestuurder van ’t Zorghuisje. 't Zorghuisje werkt met personeel in loondienst, maar zet ook zzp’ers in. 't Zorghuisje maakt gebruik van het administratiesysteem Nedap. In Nedap worden alle diensten van zorgverleners en dossiers van cliënten beheerd. De informatie uit Nedap vormt de basis voor de declaraties die 't Zorghuisje aan haar debiteuren (zorgverzekeraars, zorgkantoren en gemeentes) verstuurt. [appellante 1] c.s. hebben van februari 2020 tot en met maart 2022 als zzp’er in opdracht van ’t Zorghuisje op uurbasis zorg aan huis verleend aan cliënten van ’t Zorghuisje. [appellante 1] en [appellante 2] zijn daartoe ieder een "Raamovereenkomst Zorginstelling-Zorgverlener" (hierna: de Raamovereenkomst) aangegaan met 't Zorghuisje. In de Raamovereenkomst is onder meer het volgende bepaald: " Artikel 7: Honorering en declaratie 7.1 Opdrachtgever betaalt aan Opdrachtnemer de door Opdrachtnemer aan Klanten van Opdrachtgever verleende Zorg in natura, waarvoor tussen partijen een Opdracht tot stand is gekomen. Partijen zijn betreffende deze opdracht voor de navolgende diensten de navolgende tarieven overeengekomen: - (…) á € (…) per uur; 7.2 Opdrachtnemer zal per periode van één maand met de daarbij horende urenspecificatie aan Opdrachtgever een door haar vervaardigde factuur doen toekomen voor de verleende Zorg in natura. (…) Opdrachtnemer heeft uitsluitend recht op vergoeding van daadwerkelijk gewerkte uren aan Zorg in natura welke gebaseerd zijn op de overeenkomst van opdracht. 7.3 Indien Opdrachtgever voor haar facturatie nadere gegevens nodig heeft, verplicht Opdrachtnemer zich jegens Opdrachtgever om binnen veertien dagen na een verzoek daartoe de verzochte gegevens te verstrekken. 7.4 Opdrachtgever zal het door Opdrachtnemer gefactureerde bedrag voldoen binnen 30 werkdagen na factuurdatum. Zowel Opdrachtnemer als de Klant dienen erop toe te zien, dat het verlenen van zorg overeenkomstig de aan de Klant gegeven indicatiestelling blijft; de aan de Klant verstrekte indicatiestelling is de basis van zorgverlening, facturatie en betaling. Opdrachtgever is niet verplicht tot betaling aan Opdrachtnemer voor verleende Zorg in natura, die om welke reden dan ook niet door het Zorgkantoor, de Zorgverzekeraar of de Gemeente worden voldaan tenzij partijen in de overeenkomst van opdracht uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat de Zorg in natura op verzoek van Opdrachtgever (ook) bulten de Indicatie kan worden verleend. Indien na uitbetaling door de Opdrachtgever aan de Opdrachtnemer onverhoopt blijkt dat meer uren zijn vergoed voor zorgverlening aan Opdrachtnemer dan waarop de Klant uit hoofde van de Indicatie qua uren en type zorg een aanspraak heeft, bijvoorbeeld als gevolg van overschrijding van de Indicatie, verlenen van zorg buiten de Indicatie dan wel anderszins, dient Opdrachtnemer, de teveel ontvangen gelden op eerste daartoe strekkend verzoek van Opdrachtgever te restitueren of zal Opdrachtgever deze gelden mogen verrekenen met eventuele overige betalingsverplichtingen jegens Opdrachtnemer." [appellante 1] en [appellante 2] zijn in juni 2020 gestart met de opleiding Verzorgende IG bij het Zorgcollege. [appellante 1] heeft een bedrag aan € 5.828.- aan opleidingskosten betaald aan de opleidingsinstelling en [appellante 2] een bedrag van € 5.823,-. Voor zover relevant heeft tussen [appellante 1] en [directeur Zorghuisje] op 10 november 2020 het volgende WhatsApp-gesprek plaatsgevonden: [14:41 [appellante 1]]: (...) Trouwens heb je nog wat gehoord over die bonus [14:42 [directeur Zorghuisje]]: Nee nog niks [14:42 [directeur Zorghuisje]]: Binnen [14:42 [appellante 1]]: En die voor studie [14:42 [directeur Zorghuisje]]: Zodra het binnen is dan laat ik jullie weten [14:42 [directeur Zorghuisje]]: Ook nog niks In 2021 is 't Zorghuisje erachter gekomen dat de facturen van een aantal zzp’ers niet overeen kwamen met de in Nedap opgeslagen uren. Tussen [appellante 2] en [directeur Zorghuisje] heeft op 17 maart 2022 het volgende WhatsAppgesprek plaatsgevonden: [09:19 [appellante 2]]: Ik ben nog iets vergeten die studie geld is het 3000 of 2500 die wil ik ook krijgen [09:24 [directeur Zorghuisje]]: Die word pas ergens in augustus september betaald [09:24 [directeur Zorghuisje]]: Zodra dat binnen is krijg je dat uiteraard [10:14 [appellante 2]]: Hoezo duurt onze studie geld de twee jaar of zo [10:15 [appellante 2]]: Nou ik ga Dou bellen ik ga kijken of dat uit betaald is [10:15 [directeur Zorghuisje]]: Ja de aanvraag is in okt gedaan (...) [appellante 2] heeft bij e-mail van 20 maart 2022 met als onderwerp "facteurs nov en dec 21 en jan +feb+ maart 2022" aan 't Zorghuisje geschreven "ik wil graag deze facturen binnen maand op mijn bank rekening hebben". De bijgevoegde facturen sloten op een totaalbedrag van € 25.471,14. i. Bij e-mail van 23 maart 2022 schreef [appellante 1] aan 't Zorghuisje: Hierbij mijn facturen van afgelopen 9 maanden. graag zo snel mogelijk te laten uitbetalen, ik heb het echt nodig omdat ik nu schulden loop op te bouwen en dat is niet de bedoeling" De bijgevoegde facturen betroffen een totaalbedrag van € 37.856,46. Boubkari antwoordde bij e-mail van dezelfde datum: "Ik zal alle facturen nagaan en ook de eerder verstuurde facturen. Aan de hand daarvan zal ik je een mail terug sturen met wat er daadwerkelijk is gewerkt en wat er is gefactureerd. Ook zal je begrijpen dat deze facturen niet in 1x worden uitbetaald dit omdat ik je meerdere malen heb gevraagd om je factuur op Tijd te sturen. Jij hebt zelf de keuze gemaakt om het te laten op lopen. Ik zal je voor eind volgende week een overzicht sturen van alle facturen 2021/2022." [appellante 1] en [appellante 2] hebben 't Zorghuisje bij brieven van 20 april 2022 van hun gemachtigde gesommeerd om de facturen te voldoen. Bij brief van 4 mei 2022 heeft 't Zorghuisje aan [appellante 2] geschreven: "Als helpende niveau 2, heeft u als ZZP'er gewerkt voor 't Zorghuisje. Op (…) maart 2022, hebben wij onze samenwerking beëindigd. Naar aanleiding van te hoge facturen die u ons heeft toegestuurd in het jaar 2021, waren wij genoodzaakt alle facturen te controleren. Helaas bleken er uren te zijn gedeclareerd die niet gewerkt zijn. Hierover hebben wij u geconfronteerd en aangegeven, dat we de eerder uitbetaalde facturen vanaf januari 2021 zullen controleren. Hieronder treft u een overzicht van deze controle, per factuur. (…) Totaal teveel ontvangen € 7177,05 (…) U heeft de factuur van november 2021, december 2021, januari 2022, februari 2022 en maart 2022 nog van ons tegoed. Deze hebben wij per email in één keer van u ontvangen op datum …. Wanneer wij de facturen verrekenen met het teveel ontvangen geldsom, komen we op het volgend eindbedrag: (…) Nog uit te betalen: € 18.378,06,- (… ) Helaas heeft de herberekening van alle facturen ons enorm veel tijd gekost, daarom heeft de eindberekening even op zich laten wachten. Wij betreuren ten zeerste dat het vertrouwen in uw als ZZP'er geschonden is. Het frauduleuze handelen heeft tot financiële schade geleid voor de organisatie. De teveel gedeclareerde gelden zijn immers door verzekeraars nooit aan 't Zorghuisje uitgekeerd maar wel aan u betaald. Tevens behouden wij het recht voor om hier aangifte van te doen bij de politie, vanwege stelselmatig declareren van niet gewerkte uren en reiskosten. Bent u het niet eens met de genoemde bedragen? Dan verzoek ik u, mij dit binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief schriftelijk kenbaar te maken. Als u bewijsstukken heeft, ontvang ik deze graag bij uw reactie." Op 16 mei 2022 schreef 't Zorghuisje een – afgezien van de bedragen – gelijkluidende brief aan [appellante 1], waarbij 't Zorghuisje het nog uit te betalen bedrag berekende op € 24.604,02. 't Zorghuisje heeft op 3 juni 2022 een bedrag van € 18.378,06 aan [appellante 2] betaald en een bedrag van € 24.604,02 aan [appellante 1]. 4Procedure bij de rechtbank 4.1 [appellante 1] en [appellante 2] hebben 't Zorghuisje gedagvaard en – kort gezegd – betaling gevorderd van een bedrag van € 17.348,25 aan [appellante 1] en van € 11.039,03 aan [appellante 2], beide bedragen vermeerderd met de wettelijke (handels)rente, en met veroordeling van 't Zorghuisje in de proceskosten, vermeerderd met rente. 4.2 [appellante 1] en [appellante 2] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat 't Zorghuisje op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht gehouden is de facturen te voldoen. Met ‘t Zorghuisje is mondeling overeengekomen dat de aan te vragen subsidie/tegemoetkoming studiekosten bij RVO Nederland van € 2.700,- per opleiding na ontvangst door 't Zorghuisje aan [appellante 1] en [appellante 2] zou worden voldaan, ’t Zorghuisje heeft de ontvangen subsidie/tegemoetkoming echter niet aan [appellante 1] en [appellante 2] voldaan, zodat [appellante 1] en [appellante 2] ieder een bedrag van € 2.700,- vorderen. 4.3 De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellante 1] en [appellante 2] in de kosten veroordeeld. De kantonrechter overwoog daartoe dat op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv de stelplicht en de bewijslast dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is geleverd op [appellante 1] en [appellante 2] rusten. [appellante 1] en [appellante 2] beroepen zich immers op nakoming van de opdrachtovereenkomst door 't Zorghuisje. 't Zorghuisje betwist de facturen van [appellante 1] en [appellante 2] integraal verschuldigd te zijn omdat zij niet voor alle in rekening gebrachte diensten daadwerkelijk hebben gewerkt. Dit komt in feite neer op een (gedeeltelijke) betwisting van de titel die [appellante 1] en [appellante 2] aan de vordering tot betaling van de openstaande facturen ten grondslag hebben gelegd. Uit die betwisting is een verrekening voortgekomen door 't Zorghuisje, maar dat betekent niet dat daarmee op 't Zorghuisje de stelplicht en bewijslast rust van het feit dat er diensten ten onrechte gedeclareerd zijn. 4.4 ’ ’t Zorghuisje heeft ter betwisting van de facturen aangevoerd dat het onderzoek naar fraude zorgvuldig is uitgevoerd. Haar medewerkers hebben de gefactureerde diensten vergeleken met de planning van [appellante 1] en [appellante 2] in het elektronische systeem Nedap en de rapportages van [appellante 1] en [appellante 2] van de gewerkte diensten en aldus is geconstateerd dat diensten zijn gedeclareerd die niet of door een ander zijn gewerkt, dat ten onrechte reistijd en kantoortijd is gedeclareerd en dat uren zijn gedeclareerd die niet zijn te herleiden naar cliënten. Het lag vervolgens op de weg van [appellante 1] en [appellante 2] om per factuur aan te tonen dat de gedeclareerde zorg ook daadwerkelijk is geleverd, hetgeen zij hebben nagelaten. 4.5 Dat 't Zorghuisje een deel van de facturen aanvankelijk heeft betaald, maakt dit volgens de kantonrechter niet anders, omdat [appellante 1] en [appellante 2] bezwaarlijk aan 't Zorghuisje kunnen tegenwerpen dat zij hen aanvankelijk heeft vertrouwd. Het beroep op de klachtplicht van art. 6:89 BW slaagt daarom niet. 4.6 Met betrekking tot de opleidingskosten oordeelde de kantonrechter dat [appellante 1] en [appellante 2] onvoldoende duidelijkheid hebben gegeven over wat precies is afgesproken. 5Vorderingen in hoger beroep 5.1 [appellante 1] en [appellante 2] zijn in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens zijn met het vonnis. Zij hebben verschillende bezwaren/grieven tegen het vonnis aangevoerd. [appellante 1] en [appellante 2] vorderen hetzelfde als bij de kantonrechter. Verder vorderen zij – het hof begrijpt – terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis onverschuldigd aan 't Zorghuisje hebben voldaan, met veroordeling van 't Zorghuisje in de proceskosten in hoger beroep. 5.2 Kort gezegd zien de bezwaren van [appellante 1] en [appellante 2] op het volgende: [appellante 1] en [appellante 2] zijn van mening dat de kantonrechter de bewijsregels onjuist heeft toegepast (grief 1); het beroep op de klachtplicht ten onrechte heeft verworpen (grief 2); ten onrechte heeft geoordeeld dat 't Zorghuisje voldoende heeft aangetoond dat door [appellante 1] en [appellante 2] uren zijn gedeclareerd die niet door hen zijn gewerkt (grief 3); en ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante 1] en [appellante 2] onvoldoende duidelijkheid hebben gegeven over de afspraak tot betaling van een tegemoetkoming in de opleidingskosten (grief 4). In het verlengde daarvan heeft de kantonrechter ten onrechte de gevorderde buitengerechtelijke kosten en proces- en nakosten afgewezen (grief 5) 6Beoordeling in hoger beroep Betaling facturen 6.1 In deze procedure vorderen [appellante 1] en [appellante 2] betaling van het door 't Zorghuisje onbetaald gelaten deel van de door hen verzonden facturen. Zij baseren hun vordering op nakoming van de met 't Zorghuisje gesloten Raamovereenkomst. 't Zorghuisje heeft de facturen deels betwist. Zij meent niets meer aan [appellante 1] en [appellante 2] verschuldigd te zijn, omdat de op die facturen gedeclareerde zorg niet volledig door [appellante 1] en [appellante 2] is geleverd. Het niet door haar bestreden deel van de facturen heeft 't Zorghuisje voldaan. 6.2 Door de kantonrechter is terecht geoordeeld dat de hoofdregel van 150 Rv met zich brengt dat op [appellante 1] en [appellante 2] de stelplicht en de bewijslast rust dat de thans gevorderde – door 't Zorghuisje gemotiveerd bestreden – gedeclareerde zorg daadwerkelijk is geleverd. De grondslag van deze vordering zijn niet de facturen, maar nakoming van de daaraan ten grondslag liggende Raamovereenkomsten. De omstandigheid dat 't Zorghuisje in haar eindafrekening van 4 respectievelijk 16 mei 2022 een verrekening heeft toegepast maakt dit niet anders. Dit geldt te meer omdat in artikel 7.4 van de Raamovereenkomsten expliciet is voorzien in de mogelijkheid van verrekening. Nu 't Zorghuisje haar verweer dus niet stoelt op verrekening van (het onbestreden deel van) een factuur met een vordering uit onverschuldigde betaling die zij nog op [appellante 1] en [appellante 2] heeft, maar stelt dat [appellante 1] en [appellante 2] niets meer van haar te vorderen hebben ter zake van de Raamovereenkomsten, doet een situatie als bedoeld in artikel 6:136 BW zich niet voor. Met andere woorden: het door [appellante 1] en [appellante 2] bepleite verschil in bewijslastverdeling tussen de periode waarover 't Zorghuisje aanvankelijk de facturen volledig heeft voldaan (hierna: periode 1) en de periode waar de overige facturen op zien (hierna: periode 2) is niet aan de orde. 6.3 Anders dan [appellante 1] en [appellante 2] menen, maakt de omstandigheid dat 't Zorghuisje de facturen over periode 1 van [appellante 1] en [appellante 2] aanvankelijk in goed vertrouwen volledig heeft betaald, niet dat 't Zorghuisje afstand heeft gedaan van het recht om de (volledige) verschuldigdheid hiervan alsnog te betwisten. Evenmin valt in te zien dat zij niet meer gerechtigd is een onverschuldigd betaald bedrag te verrekenen met nog te betalen facturen. Dat de Raamovereenkomst voorziet in een betalingstermijn van 30 dagen doet hieraan niet af, zeker niet omdat – zoals hiervoor al opgemerkt – de Raamovereenkomsten expliciet bepalen dat verrekening mogelijk is. 6.4 ' 't Zorghuisje heeft gemotiveerd betwist dat zij de volledige door [appellante 1] en [appellante 2] gedeclareerde facturen (over periode 1 en 2) verschuldigd is. 't Zorghuisje heeft daarbij aangevoerd dat zij de door [appellante 1] en [appellante 2] gedeclareerde uren heeft vergeleken met de planning van [appellante 1] en [appellante 2] in Nedap en de door [appellante 1] en [appellante 2] opgemaakte rapportages. Zij heeft daarbij geconstateerd dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.