GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-23/1124 Uitspraak van 3 december 2024 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: D.A.N. Bartels) en de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 9 oktober 2023, nummer ROT 22/660. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 763.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen “Gebruikers Niet Woning” van de gemeente Rotterdam (de aanslag). 1.2. De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft als volgt beslist: “De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond: - wijst het verzoek om vergoeding vanwege immateriële schade af.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende is op 13 september 2024 een nader stuk ingekomen. Voorts is van de zijde van belanghebbende op 20 oktober 2024 een tweetal e-mailberichten ingekomen. Het Hof heeft belanghebbende op 21 oktober 2024 in reactie daarop nogmaals erop attent gemaakt dat e-mail niet voor dergelijke communicatie met het Hof openstaat en dat uitsluitend de mogelijkheid bestaat dergelijke zaken te communiceren via de post of via Digitale Toegang. Vervolgens is op 21 oktober 2024 opnieuw een e-mailbericht van belanghebbende ingekomen. Het Hof heeft deze emailberichten van 20 en 21 oktober aan het dossier toegevoegd, maar zal op de inhoud daarvan geen acht slaan. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 22 oktober 2024. Belanghebbende is verschenen. De Heffingsambtenaar heeft het Hof bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en heeft daarbij niet om uitstel van de zitting verzocht. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft bij brief, met dagtekening 3 mei 2021, bezwaar gemaakt tegen de beschikking en aanslag. 2.2. In de postkamer van de Heffingsambtenaar is op het bezwaarschrift een ontvangststempel aangebracht van 17 mei 2021. 2.3. Bij brief van 14 juni 2021 heeft de Heffingsambtenaar aan belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens is het bezwaarschrift tegen de beschikking en de aanslag niet-ontvankelijk te verklaren. De brief vermeldt: “(…) Beoordeling ontvankelijkheid Nu het bezwaarschrift met dagtekening 3 mei 2021, op 17 mei 2021 is ingekomen, derhalve buiten de bezwaartermijn, is uw bezwaar niet tijdig ingediend. De gemeente is dan ook voornemens uw bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Van reden dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding is tot dusverre de gemeente niet gebleken (artikel 6:11 van de Awb). Voordat de gemeente uitspraak doet stelt zij u in de gelegenheid om aan te geven waarom u het bezwaar buiten de termijn heeft ingediend om zo definitief te kunnen beoordelen of er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Uw reactie ziet de gemeente graag binnen drie weken na dagtekening van deze brief tegemoet. Bij gebreke van dien zal definitief tot niet-ontvankelijkverklaring worden overgegaan. (…)” In de brief staat vermeld dat de envelop waarin het bezwaarschrift is bezorgd, een poststempel heeft van 14 mei 2021. Belanghebbende heeft niet op deze brief gereageerd. 2.4. Bij brief van 9 juli 2020 heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voornemen om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Deze brief vermeldt: “Bij schrijven van 14 juni jongstleden heeft Belastingen Rotterdam u in de gelegenheid gesteld om aan te geven waarom u het bezwaar buiten de termijn heeft ingediend om zo definitief te kunnen beoordelen of er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding (zie bijlage). Helaas heb ik tot op heden geen reactie van u mogen vernemen. Wellicht is een en ander aan uw aandacht ontschoten. Hierbij stel ik u nogmaals in de gelegenheid om binnen twee weken aan te geven waarom u het bezwaar buiten de termijn heeft ingediend. Tevens verzoeken wij u een schriftelijke machtiging waaruit blijkt dat u bevoegd bent om namens [naam belanghebbende] op te treden. Met nadruk wijs ik u erop dat bij gebreke van dien definitief tot niet-ontvankelijk verklaring zal worden overgegaan.” Belanghebbende heeft ook niet op deze brief gereageerd. 2.5. Van de zijde van belanghebbende is in de bezwaarfase een machtiging, verkregen na een e-mailwisseling van 14 en 17 mei 2021 tussen de gemachtigde en het restaurant dat belanghebbende in de onroerende zaak uitbaat, ingediend. 2.6. Bij brief van 29 december 2021 heeft de Heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan. In de uitspraak op bezwaar is onder meer het volgende vermeld: “(…) Wij hebben uw bezwaarschrift niet op tijd ontvangen. Het aanslagbiljet heeft dagtekening 24 maart 2021 en uw bezwaarschrift hebben wij ontvangen op 17 mei 2021. U heeft uw bezwaar niet binnen de wettelijke termijn van zes weken ingediend. Het is ook niet binnen die termijn door u verzonden en in de zevende week ontvangen. Daarom moeten wij u niet-ontvankelijk verklaren in uw bezwaar. (…). (…) U hebt uw bezwaarschrift te laat ingediend, want uw bezwaarschrift is niet binnen zes weken na dagtekening van de WOZ-beschikking ingediend. Ik heb u daarom bij schrijven van 14-06-2021 te kennen gegeven dat wij voornemens zijn uw bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk te verklaren. Tegelijkertijd bent u in de gelegenheid gesteld om aan te geven waarom u bezwaar buiten de termijn is ingediend om zo definitief te kunnen beoordelen of er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Voorts is in de brief aangegeven dat bij gebreke van dien definitief tot niet-ontvankelijkverklaring zal worden overgegaan. Bij het uitblijven van een reactie heeft de gemeente u daarom op 09-07-2021 wederom in de gelegenheid gesteld om aan te geven waarom het bezwaar buiten de termijn is ingediend en nogmaals erop gewezen dat bij gebreke van dien definitief tot niet-ontvankelijkverklaring zal worden overgegaan. Ook op deze rappelbrief heeft u niet gereageerd. Ik verklaar daarom het bezwaar niet-ontvankelijk. (…)” 2.7. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder: “Vooraf 1. (…) 2. De rechtbank merkt op dat het door de gemachtigde van eiser opgestelde beroepschrift, de latere brieven en een ‘pinpointbrief’ vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, dikwijls onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde stellingen, waarvan niet altijd duidelijk is of ze betrekking hebben op de onroerende zaak. De rechtbank acht het niet mogelijk om die stukken (zinvol) bij de beoordeling van de zaak te betrekken. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting wel standpunten ingenomen die specifieker op de onroerende zaken betrekking hebben en de rechtbank zal die wel beoordelen. Daarbij bewaakt de rechtbank de goede procesorde, waarbij de beoordeling van standpunten achterwege blijft als de rechtbank of de heffingsambtenaar zich daarop, door het late moment waarop ze zijn ingenomen, onvoldoende heeft kunnen voorbereiden. Ontvankelijkheid in bezwaar 3. Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen de beschikking niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder stelt dat het bezwaar door eiser niet is ingediend binnen de wettelijke termijn van zes weken en dat het door verweerder niet voor afloop van de zevende week is ontvangen. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Op de zitting heeft eiser verklaard dat de onroerende zaak een restaurant betreft, dat ten tijde van de aanslag was gesloten. Daarom keek eiser niet elke dag of er post was ontvangen. 4. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vangt – voor zover in deze zaak van belang – de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet. Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Volgens het tweede lid van dit artikel is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. 5.1. Het aanslagbiljet is gedagtekend 24 maart 2021. Verweerder stelt het bezwaar (gedagtekend 3 mei 2021) te hebben ontvangen op 17 mei 2021. 5.2. In dit geval is de termijn voor het maken van bezwaar ingegaan op 25 maart 2021 en geëindigd op 6 mei 2021. Verweerder had het bezwaar vóór deze datum moeten ontvangen, dus uiterlijk op 5 mei 2021, dan wel, indien eiser het stuk uiterlijk op 5 mei 2021 ter post had bezorgd, op 13 mei 2021 (één week na afloop van de bezwaartermijn, rekening houdend met het feit, dat PostNL op maandag niet bezorgt). 6. Tot de stukken behoren brieven van verweerder van 14 juni 2021 en 9 juli 2021 waarin eiser de gelegenheid krijgt om aan te geven waarom het bezwaar buiten de termijn is ingesteld. De rechtbank constateert dat eiser verzuimherstel is geboden op straffe van niet-ontvankelijkheid. In bezwaar is hierop geen antwoord van eiser gekomen. 7. Dat het restaurant van eiser op het moment van de aanslag gesloten was waardoor het bezwaarschrift te laat is ingediend, maakt naar het oordeel van de rechtbank de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Eiser heeft dit standpunt – dat overigens niet te rijmen valt met de stelling van eiser, dat het bezwaar ter post is bezorgd op de datum van de dagtekening: 3 mei 2021 - voor het eerst op de zitting ingenomen. Dat eiser de post van zijn restaurant niet dagelijks heeft bekeken, is een omstandigheid die voor risico van eiser komt. Het is aan eiser om bij een periode van afwezigheid in het restaurant maatregelen te treffen met betrekking tot zijn post(verwerking). Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser deze stelling pas op de zitting naar voren heeft gebracht. 8. Op de zitting heeft eiser gesteld dat hij altijd binnen 24 uur bezwaar maakt. Wanneer verweerder stelt dat het bezwaar te laat is, moet verweerder door middel van de stempel op de envelop aantonen dat dit zo is. Volgens eiser had verweerder de envelop moeten bewaren, te meer in het geval dat de dagtekening van het poststuk niet overeenkomt met de stempel op de envelop. Eiser verwijst daarbij naar jurisprudentie. Verweerder heeft verklaard de envelop niet te hebben bewaard. 9. Het bezwaarschrift heeft als dagtekening 3 mei 2021. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verklaard dat hij zijn bezwaren iedere dag ter post bezorgt, dat wil zeggen dat hij op 3 mei 2021 het bezwaar ter post heeft bezorgd. In dat geval zou het bezwaarschrift dan uiterlijk op 13 mei 2021 door verweerder moeten zijn ontvangen. Gelet op de datumstempel van verweerder op het bezwaarschrift, gaat de rechtbank echter uit van de ontvangstdatum van 17 mei 2021. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van de datumstempel te twijfelen. Eiser heeft afgezien van zijn verklaring ter zitting op niets kunnen wijzen, dat bevestigt, dat het bezwaar op 3 mei 2021 ter post is bezorgd. De rechtbank gaat er vanuit dat het stuk kort na ontvangst door verweerder is voorzien van een datumstempel. Voor de hand liggende alternatieve verklaringen voor de discrepantie tussen dagtekening (3 mei 2021) en datumstempel (17 mei 2021) zijn, dat het bezwaar weken na de verzending door PostNL bij verweerder is bezorgd of dat verweerder het bezwaar weken heeft laten liggen totdat de datumstempel is aangebracht. De rechtbank acht die verklaringen minder aannemelijk dan een onjuistheid in de dagtekening van het bezwaar. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat het haar ambtshalve bekend is dat de gemachtigde van eiser in een groot aantal zaken met vergelijkbare discrepanties tussen dagtekening en datumstempel kampt en dat naar het oordeel van de rechtbank van verweerder niet kan worden gevergd de enveloppen van deze gemachtigde te bewaren omdat het – zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd – niet goed mogelijk is, althans alleen tegen hoge kosten uitvoerbaar om hetzij de enveloppen van deze gemachtigde te selecteren en te bewaren hetzij in eerste instantie alle enveloppen te bewaren (en vervolgens in ieder geval die van deze gemachtigde te behouden). De jurisprudentieverwijzingen van eiser maken dit ook niet anders, nu deze betrekking hebben op situaties die niet vergelijkbaar zijn met onderhavige zaak. 10. Nu het bezwaarschrift op 17 mei 2021 door verweerder is ontvangen, is dit niet binnen een week na afloop van de bezwaartermijn en dus niet tijdig. Redenen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten zijn niet gebleken. Verweerder heeft het bezwaar van eiser daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank komt hierdoor niet meer toe aan een inhoudelijke behandeling van het beroep. Redelijke termijn 11. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 12. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn begint als regel te lopen op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren.1 13. Het bezwaarschrift in deze zaak is op 17 mei 2021 door verweerder ontvangen. Deze ontvangstdatum van bezwaar moet als uitgangspunt worden genomen bij het bepalen van de redelijke termijn. Op het moment van uitspraak zijn er sinds het bezwaar twee jaar en ruim vier maanden verstreken. 14.1. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen grond is om aan te nemen dat bij eiser sprake is (geweest) van spanning en frustratie. Ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid heeft eiser – in ieder geval tot aan de zitting op 25 juli 2023 – geen gronden aangevoerd behalve de standaard grond dat de niet-ontvankelijkheid ten onrechte is. Ook heeft eiser ten aanzien van de WOZ-waarde geen keuze gemaakt tussen de standpunten of verweerder de WOZ-waarde te hoog of juist te laag heeft vastgesteld. Eiser heeft zowel in bezwaar als in beroep standaard gronden ingediend, die enkel algemene, niet op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen inhouden. Hierdoor is niet duidelijk geworden wat voor eiser het (financiële) belang van de procedure is. Eiser heeft verweerder en de rechtbank laten raden naar de omvang van het geschil. 14.2. Geen spanning en frustratie betekent, dat geen voor vergoeding in aanmerking komende schade is geleden. Voor zover de onzekerheid over het standpunt van eiser het gevolg is van de wijze van optreden van de gemachtigde en tekortschietende communicatie tussen gemachtigde en eiser moet die aan eiser worden toegerekend. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt daarom afgewezen.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In geschil is of: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.